ECLI:NL:RBROT:2026:5331

ECLI:NL:RBROT:2026:5331

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer C/10/718009 / JE RK 26-690
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Ondertoezichtstelling van een pasgeboren baby wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging als gevolg van persoonlijke problematiek van de moeder, waaronder middelengebruik, instabiele huisvesting en beperkte probleeminzicht. Vrijwillige hulpverlening onvoldoende toereikend geacht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/718009 / JE RK 26-690

Datum uitspraak: 21 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Midden-Nederland,

gevestigd in Utrecht, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.A. Neslo, kantoorhoudende in Almere,

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlage van de Raad van 2 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;

het rapport van de Raad van 1 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op

2 april 2026;

de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2026 over een voorlopige ondertoezichtstelling;

de doorverwijzingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder bijgestaan door haar advocaat (telefonisch);

- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;

- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .

[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 januari 2026 [voornaam minderjarige] - toen nog ongeboren - voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 22 januari 2026 tot 5 februari 2026. De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 februari 2026 [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de resterende duur, te weten tot 22 april 2026.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De moeder kampt met problematiek waardoor zij niet zelfstandig voor [voornaam minderjarige] kan zorgen. Dit is ook in het verleden gebleken bij haar andere kinderen. Drie van haar kinderen wonen bij hun oma in Suriname, één van de kinderen woont bij zijn vader en het jongste kind is uit huis geplaatst. [voornaam minderjarige] is een baby van anderhalve maand oud die volledig afhankelijk is van zijn opvoeder. De zorgen uit het verleden blijven daarom relevant en dienen te worden meegewogen. Hoewel de moeder nu met [voornaam minderjarige] bij opa moederszijde (mz) en zijn partner verblijft, bestaan er twijfels over de haalbaarheid en duurzaamheid van deze woonplek. De moeder heeft daar eerder met haar dochter gewoond, maar kon daar niet blijven. Daarnaast zijn er zorgen over het middelengebruik van moeder. Tijdens haar zwangerschap is zij bij een urinecontrole positief getest op cannabis. Voor de komende periode moet opvoedondersteuning worden ingezet, zodat een onafhankelijke derde kan meekijken.

4. Het standpunt van de GI

De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Het is positief dat de moeder met [voornaam minderjarige] bij de opa mz verblijft, maar dit is pas sinds kort (begin maart 2026, kort voor de bevalling) het geval. De moeder heeft daar eerder verbleven, maar moest uiteindelijk het huis verlaten. De moeder geeft aan dat zij moest vertrekken vanwege een vakantie van opa mz. De opa mz ging inderdaad op vakantie, maar dit was niet de reden dat de moeder moest vertrekken. De reden daarvoor was het middelengebruik van de moeder. Het verblijf van moeder bij opa mz verloopt nu goed maar die ontwikkeling is nog pril waardoor het van belang is dat er zicht blijft op de situatie door middel van een ondertoezichtstelling.

5. Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder wordt primair verzocht om het verzoek af te wijzen. Met [voornaam minderjarige] gaat het goed en er zijn geen zorgen over zijn ontwikkeling. De zorgen die er waren bij de andere kinderen bestaan niet meer. De moeder verblijft sinds twee maanden met [voornaam minderjarige] bij opa mz. De moeder heeft daar eerder verbleven en moest toen vertrekken in verband met de vakantie van opa mz. Er was geen sprake van een conflict. Destijds stond de moeder nog niet op dit adres ingeschreven, omdat zij nog geen verblijfsvergunning had. Inmiddels is zij wel ingeschreven en is de woonsituatie bestendig. De opa mz ondersteunt de moeder bij de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . De moeder is gestopt met het gebruik van middelen. Ook tijdens haar zwangerschap heeft zij niet gebruikt. Er wordt al langere tijd aangegeven dat er hulpverlening komt, maar dat is na twee jaar nog steeds niet van de grond gekomen. Subsidiair wordt verzocht om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur uit te spreken, nu een periode van een jaar in deze situatie te lang is.

6. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [voornaam minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De moeder kampt met persoonlijke problematiek, waaronder een licht verstandelijke beperking, problemen met emotieregulatie en middelengebruik. Tot voor kort had zij geen vaste verblijfplaats. Kort voor de geboorte van [voornaam minderjarige] verbleef zij nog bij iemand op een slaapbank, waar zij niet langer kon blijven. De moeder heeft aangevoerd dat de zorgen die in het verleden speelden bij haar andere kinderen niet langer aan de orde zijn en dat deze buiten beschouwing moeten blijven, omdat er geen zorgen zouden zijn over [voornaam minderjarige] . De kinderrechter ziet dit anders. Tijdens de zwangerschap van [voornaam minderjarige] is de moeder positief getest op cannabis. [voornaam minderjarige] is nog een baby en is volledig afhankelijk van zijn opvoeder. Dit maakt extra voorzichtigheid geboden. Positief is dat de moeder recent bij opa mz is ingetrokken, waardoor hij haar kan ondersteunen bij de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] . Hoewel dit een gunstige ontwikkeling is, acht de kinderrechter gelet op de kwetsbare situatie, onafhankelijk toezicht noodzakelijk. Daarnaast bestaan er zorgen over de duurzaamheid van deze woonsituatie, nu deze in het verleden niet stabiel is gebleken.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder erkent de zorgen onvoldoende, waardoor een gedwongen kader noodzakelijk is. De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlenen dan is verzocht. De komende periode is nodig om hulpverlening in te zetten en te monitoren hoe dit verloopt. De moeder krijgt daarmee de kans om te laten zien dat zij dit kan, zoals zij aangeeft. Vanwege de jonge leeftijd van [voornaam minderjarige] is het belangrijk dat hier de komende periode duidelijkheid over komt.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 21 april 2026 tot 21 april 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.S.E. Pronk als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand