[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
de burgemeester van Nissewaard, de burgemeester,
(gemachtigde: [persoon A] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam verhuurder] uit [vestigingsplaats] (de verhuurder).
Inleiding
Met het besluit van 20 november 2025 (het primaire besluit) heeft de burgemeester eisers woning per direct voor drie maanden gesloten vanwege een overtreding van de Opiumwet.
Met de uitspraak van 9 december 2025 (ROT 25/9492) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Met het besluit van 27 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de woning per 5 maart 2026 voor de duur van drie weken gesloten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Met de uitspraak van 6 maart 2026 (ROT 26/2083) heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het bestreden besluit geschorst.
De burgemeester heeft op 17 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester, bijgestaan door [persoon B] . Verder zijn de dochter en de zoon van eiser verschenen. De verhuurder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. Verheijen.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Voor de feiten en het beoordelingskader verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van 9 december 2025.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Met het bestreden besluit is de burgemeester bij het primaire besluit gebleven en hij heeft met een aanvullende motivering het bezwaar ongegrond verklaard. De burgemeester heeft evenwel in het tijdsverloop aanleiding gezien om de duur van de sluiting te matigen, namelijk tot een totale duur van zes weken. Dit resulteert in een resterende woningsluiting van drie weken. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig in zijn woning kan blijven wonen. De woning mag door de getroffen ordemaatregel voorlopig open blijven. Om die reden dient de voorzieningenrechter in deze procedure te beoordelen of er aanleiding bestaat om de getroffen voorlopige voorziening te handhaven, op te heffen of te wijzigen.
Oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Omdat bij uitspraak van 6 maart 2026 een ordemaatregel is getroffen, heft de voorzieningenrechter de schorsing van het bestreden besluit op en wijst zij het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. Tussen partijen is (opnieuw) niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was om de woning van eiser te sluiten vanwege een overtreding van de Opiumwet.
Is er een noodzaak om de woning te sluiten?
6. Eiser betwist de noodzaak van de sluiting. Hij was niet op de hoogte van de aanwezigheid van drugs in zijn woning. Zijn dakloze neef verblijft soms in zijn woning en die heeft de drugs en de mixer in een tas in een kast achtergelaten. Het enkel aantreffen van drugs is onvoldoende voor de conclusie dat daadwerkelijk vanuit de woning drugs werden verhandeld. Ook is eiser zelf niet aangemerkt als verdachte, zodat geen sprake is van een link met drugshandel. Daarnaast heeft de eerdere sluiting reeds effect gesorteerd. Er zijn geen aanwijzingen van (nieuwe) handel vanuit de woning. Na de vondst van de drugs op 19 november 2025 hebben zich geen represailles, incidenten en/of klachten uit de buurt voorgedaan. Tot slot bevat het bestreden besluit geen deugdelijk motivering voor de resterende sluitingsduur.
In de uitspraak van 9 december 2025 is geoordeeld dat de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen achten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat er een forse handelshoeveelheid harddrugs en een wapen (een vuurwapen dan wel een alarmpistool) in de woning is aangetroffen en dat eiser wisselend heeft verklaard over de aangetroffen drugs. De voorzieningenrechter onderschrijft deze overwegingen over de noodzaak in voornoemde uitspraak volledig. Eiser heeft in deze procedure geen andere of nieuwe relevante feiten of omstandigheden naar voren gebracht, zodat de voorzieningenrechter van oordeel is dat ten tijde van het primaire besluit een noodzaak bestond om de woning te sluiten. De enkele omstandigheid dat eiser niet als verdachte is aangemerkt, biedt geen onderbouwing voor de stelling dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik bestemd waren. Het betoog van eiser dat de aanwezigheid van het wapen (oorspronkelijk een alarmpistool) geen zelfstandige grondslag voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet biedt, mist feitelijke grondslag. De noodzaak van de sluiting ten tijde van het primaire besluit is immers niet enkel en alleen gebaseerd op het aangetroffen wapen.
In het bestreden besluit heeft de burgemeester het standpunt ingenomen dat er nog steeds een noodzaak voor de sluiting bestaat. De burgemeester heeft in dit verband echter enkel de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het primaire besluit betrokken. De burgemeester heeft niet kenbaar gemotiveerd in hoeverre de noodzaak tot sluiting nog steeds actueel is, terwijl het standpunt dat nog steeds sprake is van een noodzaak tot sluiting zonder nadere toelichting niet eenvoudig in overeenstemming te brengen is met een matiging van de sluitingsduur van drie maanden naar zes weken. Er is dus sprake van een motiveringsgebrek. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester toegelicht dat alsnog een sluiting nodig is om de resterende doelen te bereiken. Met een zichtbare sluiting van een woning wordt het signaal afgegeven dat het gebruik van een woning in strijd met de Opiumwet niet wordt getolereerd. In de omgeving wordt een informatiebrief uitgereikt zodat de meldingsbereidheid van omwonenden wordt vergroot. In dit geval ging de woning na een korte sluiting alweer open, zodat er onvoldoende gelegenheid was om de informatiebrieven te verspreiden. Met een hernieuwde sluiting kan dit alsnog worden gedaan. Verder heeft de gemachtigde van de burgemeester tijdens de zitting toegelicht dat de matiging van de sluiting niet is ingegeven door een verminderde noodzaak, maar met name door het tijdsverloop en in het bijzonder de belangen van de kinderen van eiser. In het tijdsverloop tussen de vondst van de drugs op 19 november 2025 en het bestreden besluit van 27 februari 2026 (van ruim drie maanden) zelf bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de noodzaak voor de sluiting (volledig) ontbreekt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester met deze toelichting ter zitting het motiveringsgebrek heeft hersteld en het is aannemelijk dat eiser hierdoor niet is benadeeld. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De burgemeester heeft een resterende sluiting voor de duur van drie weken dan ook noodzakelijk mogen achten.
Is de sluiting evenwichtig?
8. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
9. Eiser voert aan dat hij onevenredig hard wordt geraakt door de sluiting van zijn woning, terwijl hem niets kan worden verweten. Eiser en zijn gezin komen door de woningsluiting op straat te staan. De kinderen kunnen niet (duurzaam) door de moeder worden opgevangen en eiser kan geen tijdelijke vervangende woonruimte regelen. De opvang bij familie tijdens de eerdere woningsluiting in november 2025 betrof slechts een tijdelijke noodoplossing in een overvolle woning. De sluiting zal bovendien leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst. Ook is de sluiting van de woning in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
In de uitspraak van 9 december 2025 is geoordeeld dat de burgemeester tijdens de primaire fase onvoldoende aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de woningsluiting en dan vooral wat dit betekent voor de kinderen van eiser. De voorzieningenrechter heeft daarbij gewezen op het feit dat de zoon 17 jaar oud en dus minderjarig is en dat de 18-jarige dochter kwetsbaar is vanwege gebeurtenissen uit het verleden, dat eiser en de kinderen tijdelijk bij een oom verbleven in een overvolle woning, dat volgens eiser de kinderen van de Kinderbescherming niet bij hun moeder mogen verblijven, dat de verhuurder heeft laten weten dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat de problematische woonsituatie negatieve gevolgen heeft voor de net gestarte opleidingen van de kinderen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in het bestreden besluit wel voldoende aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de woningsluiting en daarmee dus heeft voldaan aan de eerdere door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 9 december 2025 gegeven opdracht. Dit licht de voorzieningenrechter als volgt toe.
De burgemeester heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij van de aangetroffen harddrugs niet op de hoogte was of hier in ieder geval niet redelijkerwijs van op de hoogte had kunnen en moeten zijn. Daarbij is van belang dat eiser wisselend heeft verklaard over de drugs. Enerzijds heeft hij ten overstaan van de politie verklaard dat hij de tas van zijn neef twee dagen voor de doorzoeking heeft opengemaakt en toen de drugs en de mixer heeft gezien, anderzijds heeft hij in de vorige voorzieningenprocedure verklaard dat hij pas op het politiebureau heeft begrepen dat sprake was van drugs in de woning. De stelling van eiser dat hij door de inval van de politie bang was en daarom een andere verklaring aflegde dan daarna, is pas tijdens de zitting naar voren gebracht en niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser als huurder van de woning hoe dan ook toezicht had moeten houden. De omstandigheid dat hij dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico.
Daarnaast heeft de burgemeester bij zijn afweging kunnen betrekken dat niet is komen vast te staan dat eiser voor zichzelf en zijn kinderen geen tijdelijk vervangende woonruimte kan vinden. In het bestreden besluit is opgemerkt dat geen afspraken zijn gemaakt met de Kinderbescherming over het al dan niet verblijven bij moeder, maar dat eiser en de moeder onderling hebben afgesproken dat de kinderen niet bij haar kunnen verblijven. Beide ouders hebben het gezag over de minderjarige zoon. In die zin zijn er dus geen juridische belemmeringen voor een tijdelijk verblijf van de kinderen bij de moeder. De voorzieningenrechter constateert dat er wel degelijk aanwijzingen zijn dat het verblijf bij de moeder geen adequate leefomgeving voor de kinderen biedt. Uit het in deze procedure door eiser overgelegde eindverslag van De Viersprong van augustus 2023 blijkt dat indertijd door toedoen van moeder geen omgangsregeling kon worden vastgesteld en dat de kinderen bij eiser moeten wonen vanwege de veiligheid in de thuissituatie van moeder. Daar komt bij dat het voorstelbaar is dat eiser en de kinderen niet opnieuw terecht kunnen bij de oom, omdat overbewoning in een huurwoning kan leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst of ontruiming door de gemeente. Toch heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat de belangenafweging desondanks niet in het voordeel van eiser en zijn kinderen uitvalt. Het is niet gebleken dat eiser onvoldoende sociaal netwerk heeft om op terug te vallen. Zelfs als eiser niet in staat is om zelf alternatieve woonruimte te regelen, dan kan hij via de gemeente contact opnemen met de medewerkers van “Zorg en Veiligheid”. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat de gemachtigde van de burgemeester tijdens de zitting heeft toegezegd dat geen enkele minderjarige in de gemeente Nissewaard op straat zal komen te staan. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van eiser dat de burgemeester heeft verzuimd om noodopvang te onderzoeken of te regelen, niet. De op de burgemeester rustende vergewisplicht naar de evenwichtigheid van de woningsluiting reikt namelijk niet zo ver dat een verplichting ontstaat om tijdelijke woonruimte voor de bewoners van die woning te regelen. Het ligt in dit geval op de weg van eiser om contact op te nemen met de medewerkers van “Zorg en Veiligheid” als hij zelf geen alternatief kan regelen.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangenafweging niet anders moet uitvallen vanwege de kans dat eiser zijn woning kwijt raakt als gevolg van de sluiting. Eiser verliest zijn woning namelijk niet zozeer als gevolg van de sluiting, maar juist omdat in die woning harddrugs en een wapen zijn aangetroffen. Tijdens de zitting is namens de verhuurder nog opgemerkt dat sprake is van een ‘zero tolerance’ beleid en dat de huurovereenkomst hoe dan ook zou worden opgezegd. De sluiting maakt dat buitengerechtelijke ontbinding van deze huurovereenkomst mogelijk is, wat inmiddels ook al is gebeurd. Tot slot is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM, nu de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting van de woning bij wet is voorzien en de burgemeester rekening heeft gehouden met de specifieke situatie van de kinderen zoals dat is vereist op grond van zowel het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het EVRM.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de burgemeester de belangen bij de sluiting zwaarder mogen wegen dan de belangen van eiser bij het voorgezet gebruik van de woning.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond, Dat betekent dat de burgemeester zijn besluit van 27 februari 2026 mag effectueren en tot feitelijke sluiting van de woning over mag gaan. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wordt de bij de uitspraak van 6 maart 2026 getroffen ordemaatregel opgeheven.
13. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, moet de burgemeester in beide zaken (verzoek en beroep) het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden (tweemaal € 200,-).
14. Ook veroordeelt de voorzieningenrechter vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb de burgemeester in de door eiser gemaakte proceskosten. Toegekend wordt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- bij wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
€ 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.