RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714201 / JE RK 26-194
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Aydogan-Kütük, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 30 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), [naam 2] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. De kinderrechter heeft haar beslissing uitgesproken in het bijzijn van [minderjarige] , zoals zij dat had beloofd.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit toe. Hoewel [minderjarige] al eerder onder toezicht heeft gestaan, zijn er nog zorgen over haar ontwikkeling. De ouders zijn bereid maar onvoldoende in staat om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De ouders hebben allebei veel meegemaakt. De vader heeft al aan zichzelf gewerkt en heeft hulp gekregen voor zijn problemen. Hierdoor kan hij er ook voor [minderjarige] en de moeder zijn. De moeder heeft de afgelopen jaren veel verlies meegemaakt en heeft dit nog niet kunnen verwerken. Dit is wel belangrijk zodat de moeder weer toekomt aan haar dagelijks functioneren en leert inzien welke impact haar emoties hebben op de ontwikkeling van [minderjarige] . De Raad adviseert hiervoor psycho-educatie. Ook is het belangrijk dat [minderjarige] individuele hulpverlening krijgt om haar emoties en rouw te verwerken.
[minderjarige] woont sinds september 2025 bij haar vader. Hier gaat het goed met [minderjarige] en ervaart zij de veiligheid die zij nodig heeft. [minderjarige] komt in de puberteit en daarbij is het belangrijk dat zij een eigen identiteit krijgt en een positief zelfbeeld kan ontwikkelen. De basis hiervoor vindt ze nu bij haar vader. Omdat de vader geen gezag heeft is voor deze plaatsing een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. Hierdoor is er ook voor [minderjarige] duidelijkheid over waar zij moet wonen. Daarnaast moet er ook worden gekeken naar de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Het is niet de bedoeling dat zij elkaar niet meer zien.
De GI sluit zich ter zitting aan bij het verzoek van de Raad. Het is belangrijk om de positieve stappen in het gezin voort te zetten en waar nodig passende hulp in te zetten. Desgevraagd door de kinderrechter geeft de GI aan dat zij niet kunnen garanderen dat er een jeugdbeschermer beschikbaar is.
Door de vader wordt het volgende ter zitting naar voren gebracht. De vader vindt het verzoek van de Raad nu behoorlijk overdreven en een extreme maatregel. Aan de vader is verteld dat de maatregel bedoeld was om rust te geven en aan het verlies te werken. De vader is echter van mening dat een ondertoezichtstelling hierin niet zal helpen. De Raad heeft de problemen in het rapport slechter geschetst dan die daadwerkelijk zijn. Veel zorgen uit het onderzoek zijn al opgelost. Zo gaat [minderjarige] weer naar school en haalt zij goede cijfers. De vader heeft zijn problemen opgelost en als hij hulp nodig heeft, gaat hij naar het wijkteam. Ook heeft de vader het huis weer opgeknapt. [minderjarige] woont sinds september 2025 bij de vader, omdat de moeder een ongeval heeft gehad en daardoor schade heeft opgelopen. [minderjarige] is toen bij de vader ingetrokken zodat de moeder kon genezen. Een onderzoeker van de Raad heeft tegen de moeder gezegd dat zij [minderjarige] een tijdje niet mag zien. Desgevraagd geeft de vader aan dat hij niet op de hoogte was dat er een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht omdat [minderjarige] bij hem woont en hij geen gezag heeft. De vader geeft aan dat hij het gezag meteen zal regelen met de moeder.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Primair wordt namens de moeder verzocht het verzoek af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht het verzoek voor een kortere periode toe te wijzen dan is verzocht. De ouders hebben allebei veel meegemaakt maar hebben onderling al veel opgelost. Zo hebben ze zelf bedacht dat het beter is als [minderjarige] voor een tijdje bij haar vader woont. De moeder betwist dat er sprake is van verwaarlozing en hechtingsproblematiek. Verder gaat het goed met [minderjarige] , ze haalt goede cijfers en gaat naar school. Hierdoor zijn er geen gronden voor een ondertoezichtstelling. De moeder begrijpt de gemelde problemen en snapt dat er wordt gezegd dat ze aan zichzelf moet werken. De moeder wil hier ook werk van maken maar vindt het overdreven dat er wordt gezegd dat zij niet voor [minderjarige] kan zorgen. De ouders hadden voorheen een 50/50-verdeling en de moeder wil dit weer terug. De moeder heeft een steunend netwerk waar zij naartoe kan als ze hulp nodig heeft. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij zeker geen bezwaar heeft tegen gezamenlijk ouderlijk gezag.
5. De beoordeling
De kinderrechter constateert dat dat er zorgen zijn over de emotionele en fysieke beschikbaarheid van de moeder en de vader richting [minderjarige] . De moeder heeft in haar eigen jeugd veel meegemaakt en is meerdere naasten te vroeg verloren. Hierdoor heeft de moeder mentaal een zware periode achter de rug wat invloed heeft op haar dagelijks functioneren. De moeder heeft nog niet de kans gehad om haar verdriet te verwerken. Ook de vader heeft ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, zoals het overlijden van zijn zoon en ouders.
Ter zitting is echter, onweersproken, gebleken dat de situatie inmiddels is veranderd ten goede. Na een ongeval van de moeder is [minderjarige] in onderling overleg in september 2025 bij de vader ingetrokken. Hier ontwikkelt [minderjarige] zich goed. [minderjarige] gaat weer naar school en haalt goede cijfers. [minderjarige] heeft mooie toekomstplannen en heeft bij de kinderrechter aangegeven dat zij graag modeontwerpster wil worden. De vader en de moeder (h)erkennen wel een aantal zorgen en zijn bereid hulp te accepteren. De moeder wil graag met iemand praten en begrijpt dat zij ook aan zichzelf moet werken. De vader heeft al hulp ontvangen voor zijn problemen waardoor hij in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De vader heeft een zelfstandige woonruimte die hij heeft opgeknapt. De kinderrechter is van oordeel dat de vader en de moeder de kans moeten krijgen om te laten zien dat zij deze prille vooruitgang zelf voort kunnen zetten. De vader en de moeder hebben beiden ter zitting aangegeven bereid te zijn om hulp te aanvaarden en weten de weg naar het wijkteam te vinden bij hulpvragen. Ook hebben de ouders ter zitting aangegeven dat zij het gezamenlijk ouderlijk gezag zullen regelen zodat hierover meer duidelijkheid komt. Daarbij speelt voor de kinderrechter mee dat het duidelijk is dat er voorlopig geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar zal zijn voor [minderjarige] en haar ouders, die daadwerkelijk stappen kan zetten richting de inzet van hulpverlening. Dit zal voor [minderjarige] en de ouders alleen maar meer onrust en onduidelijkheid veroorzaken. Zij kunnen dan immers zelf minder realiseren qua hulp.
De kinderrechter acht het van belang dat er over drie maanden opnieuw wordt bekeken of de ouders het gezamenlijk gezag hebben geregeld, de moeder hulp heeft gezocht zoals zij heeft toegezegd en de ouders de positieve ontwikkeling kunnen voortzetten. [minderjarige] heeft er immers recht op dat zij een fijne jeugd heeft. De kinderrechter zal daarom de beslissing op het verzoek van de Raad aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum.
De kinderrechter verzoekt de Raad om uiterlijk voor de hierna te noemen pro forma datum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de GI, de moeder, de vader en mr. N. Aydogan-Kütük) omtrent de dan huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt dat de behandeling van het verzoek van de Raad wordt aangehouden tot 1 mei 2026 pro forma;
bepaalt dat de Raad, de GI, de moeder, de vader en mr. N. Aydogan-Kütük op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
verzoekt de Raad uiterlijk voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de moeder, de vader en mr. N. Aydogan-Kütük), de sub 5.4 verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 11 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.