ECLI:NL:RBROT:2026:5454

ECLI:NL:RBROT:2026:5454

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 83-222085-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Meervoudige Economische Kamer. EVOA. Onderzoek Partita. Nederlandse rechtspersoon wordt veroordeeld voor het in vereniging met een Franse rechtspersoon meermalen overbrengen van afvalstoffen bestaande uit oliemengsels van Frankrijk naar Nederland in 2015 zonder te voldoen aan de vereisten van de kennisgevingsprocedure. Partiële vrijspraak voor een deel van de overbrengingen. Risico’s voor gezondheid, veiligheid en milieu niet duidelijk. Oude strafbare feiten. Geldboete ter hoogte van € 50.000,-.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige economische kamer strafzaken

Parketnummer: 83-222085-22

Datum uitspraak: 23 april 2026

Datums zittingen: 16 maart 2026, 17 maart 2026 en 16 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte rechtspersoon] ,

gevestigd aan [adres] ,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door [naam 1] .

Advocaat van de verdachte: mr. A.S. ten Doesschate

Officieren van justitie: mrs. S.M. van der Kallen en S.J. Wirken (hierna samen: de officier van justitie).

Kern van het vonnis

De verdachte wordt er samen met haar [medeverdachte rechtspersoon] van beschuldigd dat zij in 2014 en 2015 per schip afvalstoffen bestaande uit de vermengde restanten van petroleumproducten van Frankrijk naar Nederland hebben overgebracht zonder daarvoor de juiste kennisgeving te hebben gegeven aan en toestemming te hebben gekregen van de betrokken autoriteiten.

De kernvraag in deze zaak is of het mengsel van petroleumproducten gezien moet worden als een afvalstof of als een product. Om te bepalen of aan deze juridische kwalificatie is voldaan, moet met name gekeken worden naar de vraag of het de bedoeling van de medeverdachte is geweest om zich van het mengsel te ontdoen. In tegenstelling tot hetgeen is aangevoerd door de verdachte, komt de rechtbank tot de conclusie dat het inderdaad de bedoeling van de medeverdachte is geweest om zich van het mengsel te ontdoen. Bij deze conclusie is onder meer van belang dat de medeverdachte feitelijk geen bestemming had voor het mengsel, dat zij zich contractueel gebonden had om zich van het mengsel te ontdoen en dat het mengsel eerst gedestilleerd moest worden voordat het (her)gebruikt kon worden. Omdat de verdachte op de hoogte was van de bedoeling van de medeverdachte om zich van het mengsel te ontdoen en zij een rol heeft gespeeld bij het overbrengen van het mengsel van Frankrijk naar Nederland, moet worden geconcludeerd dat ook de verdachte opzet heeft gehad op het overbrengen van deze afvalstoffen.

Nu de verdachte en de medeverdachte zich voor het overbrengen van deze afvalstoffen niet hebben gehouden aan de voornoemde kennisgevingsprocedure, wordt de beschuldiging bewezenverklaard.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – samen met anderen in 2014 en 2015 verspreid over twaalf transporten afvalstoffen heeft overgebracht van Frankrijk naar Nederland zonder de benodigde kennisgeving hiervan te geven aan en toestemming te ontvangen van de bevoegde autoriteiten, zoals voorgeschreven in de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen, EG-Verordening 1013/2006 (oud) (EVOA).

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:

zij in de periode 2014 tot en met 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met één (of meer) ander(en), althans alleen, (meermalen), opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en b, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (verder: de verordening), door (telkens) afvalstoffen ontstaan bij de op- en overslag van ruwe olie en olieproducten (slops), in elk geval afvalstoffen van bijlage IV van de verordening, over te brengen van Frankrijk naar Nederland zonder kennisgeving aan en toestemming van betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig genoemde verordening.

2. Ontvankelijkheid van de officieren van justitie

Standpunt van de verdediging

De officier van justitie moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van [verdachte rechtspersoon] (voorheen [naam bedrijf] en hierna [verdachte rechtspersoon] ). In de onderhavige zaak kan niet gezegd worden dat een redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie tot vervolging zou hebben besloten, aangezien de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van de behoorlijke procesorde. Een aantal gegevens moeten tot deze conclusie leiden.

Kortgezegd komen deze gegevens neer op (i) de uitzonderlijk lange duur van de vervolging, (ii) de jarenlange inactiviteit van het Openbaar Ministerie, (iii) het niet voegen van ontlastende informatie in het procesdossier, (iv) het bewust weghouden van de verdediging bij onderzoek naar die informatie en (v) het ontbreken van een redelijk vervolgingsbelang.

Standpunt van de officier van justitie

Dat het onderzoek en de vervolging langer heeft geduurd dan wenselijk kan niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Voor zover er sprake is geweest van het ontbreken van informatie, is dat inmiddels hersteld doordat deze informatie alsnog aan het dossier is toegevoegd. Wat betreft het verzoek om aan te sluiten bij de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris in de zaak van de [medeverdachte rechtspersoon] (hierna [medeverdachte rechtspersoon] ), had de verdediging zich tot de rechter-commissaris moeten wenden. Ook bestond er wel degelijk een vervolgingsbelang, aangezien door het handelen van [verdachte rechtspersoon] en haar medeverdachten risico’s op negatieve gevolgen voor het milieu zijn ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

Besluit tot vervolging

Voorop wordt gesteld dat slechts bij zeer uitzonderlijke, ernstige inbreuken op de verdedigingsrechten niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie mogelijk is. Tegen deze achtergrond wordt met betrekking tot de punten (i) en (ii) geconcludeerd dat overschrijding van de redelijke termijn of tijdsverloop in algemene zin, zelfs wanneer deze gepaard gaat met mogelijke inactiviteit van het Openbaar Ministerie, in beginsel niet tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. In de onderhavige zaak hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die afbreuk zouden kunnen doen aan dat uitgangspunt.

Met betrekking tot punt (iii) wordt geconcludeerd dat, nog los van de vraag of de informatie waarnaar verwezen wordt ontlastend zou zijn, het wel of niet voegen van deze informatie geen directe relatie heeft met de belangenafweging die het Openbaar Ministerie moet maken in het kader van de vraag of zij overgaat tot vervolging van een verdachte of niet, zoals gesteld door de verdediging. Zelfs als deze relatie wel zou bestaan, zou dit overigens onvoldoende zijn om op basis van dit gegeven vast te stellen dat geen redelijk handelend officier van justitie zou hebben besloten tot vervolging van de verdachte.

Wat betreft punt (iv) wordt in algemene zin vooropgesteld dat de wet aan (de advocaat van) een verdachte geen recht toekent om getuigenverhoren bij de rechter-commissaris die plaatsvinden in een zaak van de medeverdachte bij te wonen. Het is in beginsel aan de verdachte en diens advocaat om (ook) zelfstandig een onderzoekswens tot het horen van een getuige in te dienen, indien zij een dergelijk verhoor nodig achten. De verdediging had zich dus destijds tot de rechter-commissaris kunnen wenden met een eventueel verzoek om de getuigenverhoren bij te wonen, of, na voeging van de voornoemde informatie, met een zelfstandig verzoek moeten komen om die getuigen te horen. Het is niet aan de officier van justitie om op dat verzoek te beslissen. De reactie van de officier van justitie op een dergelijk verzoek kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat geen redelijk handelend officier van justitie zou hebben besloten tot vervolging van de verdachte.

Met betrekking tot punt (v) wordt vooropgesteld dat de rechter bij de beoordeling van de mogelijke niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie een marginale toets toepast. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Hierbij wordt opgemerkt dat, in de onderhavige zaak, de vermeende geschonden belangen niet beperkt zijn tot concrete schade aan het milieu, maar ook strekken tot het waarborgen van de handhaving van de regels in de EVOA.

Concluderend kunnen de stellingen zoals aangevoerd door de verdediging, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. Het verweer wordt verworpen en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [naam bedrijf] .

Verjaring

De grondslag voor de beschuldiging wordt gevormd door artikel 10.60 lid 2 van de Wet milieubeheer (Wm). Het gaat om een verbodsbepaling die volgens artikel 1a juncto artikel 2 van de Wet op de economische delicten een misdrijf oplevert wanneer zij opzettelijk is begaan. Voor zover dit economische delict niet opzettelijk is begaan, betreft het een overtreding. Gelet op de wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld, wordt [naam bedrijf] impliciet subsidiair een overtreding van artikel 10.60 lid 2 Wm verweten. De verjaringstermijn voor alle overtredingen beloopt op grond van artikel 70, lid 1, aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) drie jaar.

Volgens het dossier heeft het eerste transport vanaf Frankrijk plaatsgevonden op 5 februari 2014 en is het laatste transport op 14 november 2015 aangekomen in de Rotterdamse haven. Als de impliciet subsidiaire beschuldiging bewezen zou kunnen worden, is die dus begaan in de periode tussen 5 februari 2014 en 14 november 2015. Gelet op deze periode is sprake van (gedeeltelijke) verjaring als vanaf die periode binnen drie jaar de verjaring niet is gestuit door een daad van vervolging. De eerste daad van vervolging in de zaak tegen [naam bedrijf] betreft de brief van de officier van justitie van 31 januari 2023, waarin het voornemen om [naam bedrijf] te dagvaarden kenbaar is gemaakt aan de verdediging met daarbij gevoegd een concept tenlastelegging.

Op het moment van bekendmaking van het voornemen om te vervolgen was meer dan drie jaar verstreken sinds de datum waarop het feit zou zijn gepleegd. Ten aanzien van de impliciet subsidiaire beschuldiging zoals hiervoor beschreven is het recht tot strafvordering daarmee komen te vervallen door verjaring. Met betrekking tot deze impliciet subsidiair ten laste gelegde beschuldiging wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in diens vervolging van [naam bedrijf] . Dit laat onverlet dat de officier van justitie het recht heeft om [naam bedrijf] te vervolgen voor de impliciet primair ten laste gelegde opzettelijke variant van de beschuldiging.

Conclusie

Het verweer van de verdediging dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat dit in strijd zou zijn met de beginselen van behoorlijke procesorde, wordt verworpen. Wel wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding, omdat deze is verjaard.

3. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [naam bedrijf] wordt veroordeeld voor het impliciet primair ten laste gelegde feit.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat [naam bedrijf] moet worden vrijgesproken van de beschuldiging. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

Bewezen is dat:

zij in 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk, handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, sub a en b, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (verder: de verordening), door telkens afvalstoffen ontstaan bij de op- en overslag van olieproducten (slops), in elk geval afvalstoffen van bijlage IV van de verordening, over te brengen van Frankrijk naar Nederland zonder kennisgeving aan en toestemming van betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig genoemde verordening.

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring van de beschuldiging is gebaseerd op de onderstaande bewijsmotivering en de daaronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.

De twaalf transporten

In 2014 en 2015 is er in totaal twaalf keer een lading afkomstig van tankopslagbedrijf [medeverdachte rechtspersoon] in Le Havre (Frankrijk) overgebracht naar Odfjell in Rotterdam. De lading betrof een mengsel van verschillende stoffen.

Het contract dat ten grondslag ligt aan de transporten is gesloten tussen [medeverdachte rechtspersoon] en Frisol B.V. (destijds de statutaire naam van Argos Bunkering B.V.). Het eerste deel van deze transporten is gefactureerd aan Argos Bunkering B.V. (hierna Argos Bunkering), terwijl de laatste drie transporten zijn gefactureerd aan Argos Trading B.V. (hierna Argos Trading).

Dat deze transporten hebben plaatsgevonden en dat daarvoor destijds geen kennisgeving was gedaan in de zin van de EVOA, wordt niet door [naam bedrijf] of de medeverdachte [medeverdachte rechtspersoon] , weersproken. Deze zaak draait om de vraag of de ladingen van deze transporten moeten worden beschouwd als afvalstoffen als bedoeld in de EVOA. Daaraan voorafgaand beantwoordt de rechtbank eerst de vraag of [naam bedrijf] voor alle transporten strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.

Argos Trading of Argos Bunkering

Het is van belang om een onderscheid te maken tussen de rechtspersonen Argos Trading enerzijds en Argos Bunkering anderzijds. Als verdachte in de onderhavige strafzaak is gedagvaard de rechtspersoon [naam bedrijf] (hierna [naam bedrijf] ), de rechtsvoorganger van [naam bedrijf] . Argos Trading is op 31 december 2015 gefuseerd met en opgegaan in [naam bedrijf] Hiermee is [naam bedrijf] de rechtsopvolger geworden van Argos Trading. In zoverre kan [naam bedrijf] strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van Argos Trading voorafgaand aan deze overname.

Dit is anders voor het handelen van Argos Bunkering. Argos Bunkering is namelijk niet opgegaan in [naam bedrijf] . In plaats daarvan is Argos Bunkering per 1 januari 2016 verdergegaan onder de naam ‘Frisol Bunkering B.V.’, welke rechtspersoon per maart 2018 is overgenomen door en opgegaan in de rechtspersoon Orim Energy B.V. en diens bunkeractiviteiten heeft voortgezet onder de naam ‘Delta Bunkering B.V.’. Dit betekent dat de gedagvaarde rechtspersoon niet de rechtsopvolger is van Argos Bunkering en dus ook niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het handelen van Argos Bunkering in de periode van de beschuldiging.

Het onderscheid tussen Argos Trading en Argos Bunkering in relatie tot [naam bedrijf] is door de rechtbank op de zitting op tafel gelegd. Het is aan de officier van justitie om de strafrechtelijke aansprakelijkheid van [naam bedrijf] te onderbouwen. Op de zitting heeft de officier van justitie, zonder enige onderbouwing, slechts gesteld dat ‘Argos’ in de periode van de beschuldiging als de wederpartij van [medeverdachte rechtspersoon] moet worden beschouwd, omdat het contract op alle transporten van toepassing was. In deze enkele stelling ziet de rechtbank geen aanleiding om van de voorgaande conclusies af te wijken: [naam bedrijf] kan bij deze stand van zaken niet verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van Argos Bunkering.

In totaal gaat het zoals gesteld om twaalf transporten. Het dossier bevat slechts met betrekking tot de laatste twee transporten in de beschuldigde periode (mts. Troy omstreeks 29 juni 2015 en mts. LS Jamie omstreeks 12 november 2015) voldoende wettig en overtuigend bewijs dat Argos Trading daarbij betrokken was. Alleen voor deze laatste twee transporten zijn er namelijk transportstukken die zijn opgemaakt door [medeverdachte rechtspersoon] of Argos Trading die verwijzen naar Argos Trading én zijn ook de facturen van [medeverdachte rechtspersoon] voor deze transporten gericht aan Argos Trading. Voor de eerste negen transporten zijn de facturen van [medeverdachte rechtspersoon] gericht aan Argos Bunkering en zijn er ook geen transportstukken die verwijzen naar Argos Trading. Voor het tiende transport is de factuur weliswaar gericht aan Argos Trading, maar verwijzen er geen transportstukken naar Argos Trading. Die enkele factuur aan Argos Trading is daarom onvoldoende om feitelijke betrokkenheid van Argos Trading bij dit transport aan te nemen. Ook het feit dat stukken van eerdere transporten op naam van Argos Bunkering in de administratie van [naam bedrijf] zijn aangetroffen, vindt de rechtbank daartoe onvoldoende. Dat geldt eveneens voor stukken die zien op het traject nadat het mengsel in Rotterdam is aangekomen, omdat dit niet de betrokkenheid bij het transport van Frankrijk naar Nederland bewijst. De rechtbank zal [naam bedrijf] daarom ten aanzien van de eerste tien transporten vrijspreken.

Samenstelling en ontstaan van het mengsel

Bij [medeverdachte rechtspersoon] worden verschillende geraffineerde petroleumproducten in tanks opgeslagen in opdracht van haar klanten. Na de opslag en bij het verpompen van de individuele producten is het onontkoombaar dat er restanten van deze producten achterblijven in de tanks en de pijpleidingen. [medeverdachte rechtspersoon] en haar klanten zijn zich van deze onontkoombaarheid bewust en hebben daarom afgesproken dat dit productverlies acceptabel is en dat [medeverdachte rechtspersoon] eigenaar wordt van deze restanten. Om vermenging van de verschillende producten van haar klanten te voorkomen, is het voor [medeverdachte rechtspersoon] noodzakelijk om deze restanten vervolgens uit de tanks en pijpleidingen te verwijderen. De restanten worden vervolgens naar een speciale tank (tank 32) gepompt, om door middel van bezinking eventueel aanwezig water te scheiden van de geraffineerde producten. Deze geraffineerde producten worden door dit proces met elkaar vermengd. Dit mengsel bestaat uit, onder meer, benzine, kerosine, diesel, stookolie en nafta-achtige producten (hierna het mengsel). Daarbij is van belang dat de exacte samenstelling van het mengsel per transport verschilt: bij sommige transporten kan het mengsel dus hoofdzakelijk bestaan uit benzine, terwijl bij andere transporten helemaal geen benzine in het mengsel zit.

Het mengsel is telkens met als aanduiding op de vrachtpapieren ‘halfzware oliën’ overgebracht van Frankrijk naar Nederland. Tussen [medeverdachte rechtspersoon] enerzijds en Argos Bunkering (destijds Frisol) anderzijds was afgesproken dat Argos Bunkering deze ‘halfzware oliën’ van [medeverdachte rechtspersoon] zou transporteren van Frankrijk naar Nederland, zou laten destilleren en de teruggewonnen olieproducten vervolgens zou verkopen, waarna (na aftrek van de handling-kosten) de winst van deze verkoop zou worden gedeeld tussen [medeverdachte rechtspersoon] en Argos Bunkering. Gelet op de tenaamstelling van de facturen heeft Argos Trading sinds medio 2015 ook aan deze praktijk deelgenomen of deze overgenomen van Argos Bunkering.

Wettelijk kader

De belangrijkste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dit mengsel een afvalstof betreft. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, schrijft de EVOA procedures voor die moeten worden gevolgd bij, onder meer, het overbrengen van dit mengsel tussen lidstaten van de Europese Unie. Mede afhankelijk van de aard van de afvalstof, bepaalt de EVOA of en hoe de betrokken nationale autoriteiten moeten worden ingelicht over het transport van die afvalstof.

In deze zaak is de beschuldiging dat het mengsel inderdaad een afvalstof betreft in de zin van de EVOA en dat voor de transporten van deze afvalstof van Frankrijk naar Nederland een kennisgeving moest worden gedaan aan en toestemming moest worden verkregen van de betrokken autoriteiten (de zogeheten kennisgevingsprocedure van artikel 4 EVOA). Omdat die kennisgeving niet plaats heeft gevonden, zou conform artikel 2 onder 35 van de EVOA sprake zijn van een illegale overbrenging, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 10.60 lid 2 Wm.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (hierna het Hof) moet de vraag of sprake is van een afvalstof worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, rekening houdend met de doelstellingen van de EVOA en zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Afvalstoffen worden gedefinieerd als ‘alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen’. Van ondergeschikt belang voor de vraag of sprake is van een afvalstof is dus de feitelijke chemische opmaak van de stof in kwestie, alhoewel dit wel een aanwijzing kan vormen dat de houder zich van die stof wil ontdoen. Voor de vraag of de houder zich van het mengsel heeft ontdaan speelt met name de bedoeling van deze houder met betrekking tot het mengsel een centrale rol. Bij de beantwoording van deze vraag zijn de volgende punten van belang.

Feitelijke situatie

Op het moment dat het mengsel zich in de tanks van het opslagbedrijf [medeverdachte rechtspersoon] in Le Havre bevond, was [medeverdachte rechtspersoon] houder van dit mengsel. Het mengsel was niet het doelbewuste resultaat van een productieproces, maar een onontkoombare bijkomstigheid van haar primaire economische activiteit: de opslag van geraffineerde producten. Zoals hierboven al aan de orde is geweest, bestond het mengsel uit een telkens wisselende samenstelling van aardolie-afgeleiden. Daarbij is niet komen vast te staan dat dit mengsel in enige zin verontreinigd was. De rechtbank gaat ervan uit dat het voor [medeverdachte rechtspersoon] niet mogelijk was om de alsmaar toenemende hoeveelheid van het mengsel voor onbepaalde tijd op te slaan. [medeverdachte rechtspersoon] heeft daarnaast zelf geen faciliteiten om het mengsel te bewerken of te verwerken, in elk geval niet om het zelf te destilleren. Deze omstandigheden bieden een aanwijzing dat het de intentie van [medeverdachte rechtspersoon] was om zich te ontdoen van het mengsel omdat, kortgezegd, [medeverdachte rechtspersoon] feitelijk gezien als opslagbedrijf van petroleumproducten voor het mengsel binnen haar eigen faciliteiten geen bestemming had. In die zin vormde het mengsel voor [medeverdachte rechtspersoon] bedrijfseconomisch een last.

Contract

Een aanvullende aanwijzing dat [medeverdachte rechtspersoon] de intentie had om zich van het mengsel te ontdoen, volgt uit het contract, opgesteld in 2008, dat volgens vertegenwoordigers van [medeverdachte rechtspersoon] van toepassing was op de transporten in 2014-2015. In dit contract wordt onder meer gesteld dat het mengsel (dat in het contract veelzeggend wordt aangeduid als ‘slops’) ontstaat als gevolg van ‘het onvermijdelijk druppelen van diverse kwaliteiten olieproducten’ en dat het mengsel dient ‘te worden verwijderd zonder het milieu te vervuilen’. Frisol verplicht zich in dit kader om zich ‘van deze slops te ontdoen’. Uit de bewoordingen van dit contract maakt de rechtbank op dat het mengsel voor [medeverdachte rechtspersoon] een last was waarvan zij zich moest ontdoen. Dat dit moest gebeuren zonder het milieu te vervuilen vormt een extra aanwijzing dat het mengsel, ook in de visie van [medeverdachte rechtspersoon] , afval was.

Eerste tussentijdse conclusie

Uit het voorgaande volgt in beginsel dat er sprake was van een stof waarvan [medeverdachte rechtspersoon] zich wilde ontdoen en daarmee van een afvalstof. Uit de vaste jurisprudentie van het Hof volgt dat er andere omstandigheden kunnen zijn die aan een stof alsnog het afvalkarakter ontnemen. De vervolgvraag die beantwoord moet worden is dus of, gelet op de andere aangevoerde omstandigheden, zoals de economische waarde van de ladingen, toch niet gesteld kan worden dat het een last betrof waarvan [medeverdachte rechtspersoon] zich wilde ‘ontdoen’ in de zin van de EVOA.

Economische waarde

Door de verdediging is aangevoerd dat de significante economische waarde van het mengsel een aanwijzing vormt dat [medeverdachte rechtspersoon] zich nooit van het mengsel heeft willen ontdoen. Om die reden was volgens de verdediging het mengsel geen last en bestond er geen reëel risico dat [medeverdachte rechtspersoon] zich van het mengsel zou ontdoen op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bijvoorbeeld door de stof ongecontroleerd te lozen. In dit kader wordt verwezen naar het Shell Nederland en Belgian Shell arrest (HvJ EU 12 december 2013, C-241/12 en C-242/12).

Uitgangspunt is dat voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet of van plan is zich te ontdoen afvalstoffen zijn, ongeacht of zij substantiële waarde hebben in het economisch verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn, en blijven dat totdat zij de status van afvalstof hebben verloren (Hoge Raad, 4 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1564). Ook de voornoemde Shell-uitspraak van het Hof van Justitie herhaalt dit uitgangspunt: “(…) dat het begrip afvalstof volgens vaste rechtspraak niet aldus moet worden opgevat dat het stoffen of voorwerpen uitsluit die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn”. Het enkele feit dat het mengsel veel waard was, is dus niet doorslaggevend.

Daarbij komt dat, hoewel het gegeven dat het mengsel economisch waardevol is wellicht maakt dat er geen reëel risico bestaat dat [medeverdachte rechtspersoon] het mengsel ongecontroleerd zou lozen in de natuur, dit nog niet betekent dat de door [medeverdachte rechtspersoon] gehanteerde wijze van het zich ontdoen van het mengsel geen risico’s op nadelige gevolgen voor het milieu met zich kan meebrengen. Dat het mengsel is getransporteerd als ware het een product en niet als afvalstof betekent in ieder geval dat de specifieke waarborgen en controles die gepaard gaan met het toezicht en de controle op transporten van afval niet zijn toegepast op de onderhavige transporten, terwijl deze controles juist in het leven zijn geroepen om toezicht te houden op dergelijke transporten en zo het milieu te beschermen. Hierdoor zijn mogelijk risico’s op negatieve gevolgen voor het milieu ontstaan.

Hergebruik

In het verlengde van het verweer met betrekking tot de economische waarde van het mengsel heeft de verdediging aangevoerd dat het voornemen van [medeverdachte rechtspersoon] altijd is geweest om het mengsel, na destillatie tot twee fracties, weer op de markt te brengen. Gelet op dit voornemen tot hergebruik kan de intentie van [medeverdachte rechtspersoon] volgens de verdediging nooit geweest zijn om zich te ontdoen van het mengsel. Hoewel het klopt dat economisch hergebruik volgens het Hof van doorslaggevend belang kan zijn bij de vraag of sprake is van een afvalstof (zie het voornoemde Shell-arrest C-241/12 en C-242/12, r.o. 52), zijn stoffen die geschikt zijn voor economisch hergebruik niet per definitie uitgesloten van het begrip ‘afvalstof’ (HvJ EU 17 november 2022, Porr Bau GmbH C238/21).

In het Shell-arrest is bepaald dat, om niet te kwalificeren als afvalstof, hergebruik van deze stof niet slechts mogelijk maar zelfs zeker moet zijn, en dat voorafgaand aan dit hergebruik geen handeling van nuttige toepassing zoals beschreven in Bijlage II van richtlijn 2006/12 (de Kaderrichtlijn afvalstoffen, inmiddels vervangen door richtlijn 2008/98) behoeft te worden benut (r.o. 53). Voortbouwend op dit arrest is in het Tronex-arrest (HvJ EU 4 juli 2019, C624/17) bepaald dat hergebruik ‘zonder voorafgaande bewerking’ inderdaad een relevant criterium is om te beoordelen of een stof een afvalstof is (r.o. 23). Dit hergebruik moet echter wel ‘overeenkomstig’ het ‘oorspronkelijke doel’ van de stof zijn (r.o. 35). Daarnaast is het aan de houder van de stof om aan te tonen dat dit hergebruik zeker is (r.o. 40). Indien dat juridische kader wordt toegepast op de onderhavige zaak geldt het volgende.

Het mengsel werd overgebracht naar Nederland om gedestilleerd te worden tot een topfractie en een bodemfractie. De topfractie en de bodemfractie werden vervolgens als producten conform Verordening (EG) 1907/2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (hierna REACH) op de markt gebracht, namelijk als ‘Benzine’ en ‘Fuel Oil No.2’ (dieselolie). Door het destillatieproces ontstonden dus twee nieuwe mengsels. Destillatie is een wezenlijk onderdeel van het raffinageproces en de rechtbank beschouwt destillatie daarom als een handeling van nuttige toepassing in de zin van Bijlage II van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, namelijk als ‘R9 Herraffinage van olie en ander hergebruik van olie’. Het betreft immers een proces met als voornaamste resultaat dat de resulterende stoffen kennelijk zouden worden gebruikt als benzine of dieselolie. Reeds daarom doet de in het Shell-arrest genoemde uitzondering (dat geen handeling van nuttige toepassing nodig is) zich hier niet voor.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat eveneens niet wordt voldaan aan de andere vereisten voor hergebruik zoals uiteengezet in de voornoemde jurisprudentie. Naast het gegeven dat het mengsel zelf geen ‘oorspronkelijk doel’ had, kon het niet direct gebruikt worden voor de doeleinden van de verschillende oorspronkelijke componenten. Deze componenten verschilden tenslotte wezenlijk van elkaar en hadden daarom uiteenlopende toepassingen. Uit de noodzaak van de voorafgaande destillatie volgt dat het mengsel ook niet rechtstreeks gebruikt kon worden voor de doeleinden waarvoor de topfractie en de bodemfractie respectievelijk op de markt zijn gebracht, namelijk als ‘Benzine’ of ‘Fuel Oil No.2’. De fracties waren alleen te gebruiken als (minder hoogwaardige) blendcomponenten. Een en ander maakt dat hergebruik ‘overeenkomstig het oorspronkelijke doel’ niet zeker was.

De verdediging heeft aangevoerd dat het destillatieproces enkel een manier was om de economische waarde van het mengsel te verhogen en dat het mengsel ook zonder destillatie (dus zonder handeling van nuttige toepassing) al gebruikt kon worden als scheepsbrandstof. Hierbij is verwezen naar twee rapporten die de verdediging zelf heeft laten opstellen door ingeschakelde deskundigen. Vooropstaat dat nergens uit volgt dat het mengsel feitelijk op deze manier vóór destillatie inderdaad is gebruikt als scheepsbrandstof. Belangrijker is echter dat deze rapporten elkaar op het punt van direct hergebruik als scheepsbrandstof tegenspreken. In zijn rapport zegt [naam 2] dat het mengsel niet geschikt is voor rechtstreeks gebruik als motorbrandstof en benoemt hij dat alleen de bodemfractie (dus pas na destillatie van het originele mengsel) onder omstandigheden ingezet kan worden als scheepsbrandstof. [naam 3] van GSV zegt in zijn rapport met betrekking tot dit punt dat het mengsel als ‘marine bunker fuels’ kan worden gebruikt, maar alleen ‘in small volumes / batches’, waarbij het dus kennelijk nog vermengd moet worden. Op basis van deze rapporten kan niet met de daarvoor vereiste voldoende mate van zekerheid vastgesteld worden dat hergebruik van het mengsel als scheepsbrandstof zeker was, nog los van de vraag of dit gebruik ook overeenkomstig het oorspronkelijke doel van (de individuele en onderling verschillende componenten van) het mengsel was. De enkele verklaring van de vertegenwoordiger van [naam bedrijf] ter terechtzitting dat het mengsel gebruikt kan worden als scheepsbrandstof, is onvoldoende, nu deze stelling niet door andere stukken in het dossier van [naam bedrijf] wordt onderbouwd. Het is aan de houder – of in dit geval aan de afnemer als die als medepleger is aan te merken – van de afvalstof om te onderbouwen dat hergebruik zeker is en het is niet de verplichting van het Openbaar Ministerie om daar nader onderzoek naar te doen, zoals door de verdediging is betoogd.

De verweren worden dus verworpen.

Bijproduct

Ambtshalve merkt de rechtbank nog op dat geen sprake is van een ‘bijproduct’ in de zin van art. 1.1. lid 4 Wm, hetgeen mogelijk zou betekenen dat geen sprake is van een afvalstof. Het mengsel is tenslotte geen resultaat van een productieproces, maar van het reinigen of legen van de tanks en pijpleidingen, wat geenszins te kwalificeren valt als een proces dat als voornaamste doel heeft om een product te produceren.

Tweede tussentijdse conclusie

De voorgaande aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een andersluidend oordeel. Er is geen sprake van zeker hergebruik of een bijproduct. [medeverdachte rechtspersoon] wilde zich van het mengsel ontdoen en dat mengsel moet daarom, nog steeds, gekwalificeerd worden als een afvalstof in de zin van de EVOA en de Wm.

De vervolgvragen zijn of op deze afvalstof de kennisgevingsprocedure van toepassing was en, zo ja, of aan die kennisgevingsprocedure is voldaan. Daarnaast moet worden vastgesteld of de verdachten ook opzet hadden op de beschuldigde handelingen.

Kennisgevingsprocedure

Eerder is geconcludeerd dat het mengsel een afvalstof betreft zoals bedoeld in de EVOA. In het verlengde daarvan stelt de rechtbank vast dat dit een afvalstof betreft zoals beschreven in Bijlage IV van de EVOA, te weten ‘A3020 afgewerkte minerale oliën die ongeschikt zijn voor het oorspronkelijk bedoelde gebruik’. Op grond van artikel 3 van de EVOA is op deze afvalstof de kennisgevingsprocedure van artikel 4 van de EVOA van toepassing. Aan de vereisten van deze kennisgevingsprocedure is niet voldaan.

Opzet

De verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte rechtspersoon] en [naam bedrijf] geen opzet hebben gehad op het overbrengen van afvalstoffen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Vooropgesteld dient te worden dat in een geval als in deze zaak niet vereist is dat het opzet ook is gericht op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke verplichting tot kennisgeving. Wel moet [naam bedrijf] bij de transporten opzet hebben gehad op het gegeven dat hetgeen werd overgebracht afvalstoffen waren.

Op basis van de voorgaande feitelijke omstandigheden die hebben geleid tot de conclusie dat het de intentie van [medeverdachte rechtspersoon] is geweest om zich van het mengsel te ontdoen, daarbij in het bijzonder gelet op de bewoordingen van het contract, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte rechtspersoon] zich ook bewust was van het gegeven dat het mengsel een afvalstof was en dat zij heeft bedoeld om deze afvalstof over te brengen. De enkele mededeling van [naam 4] , technisch adviseur van het Centraal Bureau Bestrijding Milieu- en Volksgezondheidsdelicten te Arceuil, tijdens de uitvoering van het rechtshulpverzoek in 2017 dat volgens haar geen sprake was van een afvalstof, kan niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat het opzet bij [medeverdachte rechtspersoon] ontbrak in 2014-2015. Ten eerste omdat [medeverdachte rechtspersoon] niet heeft onderbouwd dat [naam 4] namens ‘de Franse autoriteiten’ sprak. Alleen al daarom kan niet worden gezegd dat [medeverdachte rechtspersoon] uit haar stelling mocht afleiden dat het mengsel geen afvalstof was. Ook is niet gebleken dat deze transporten in overleg en met goedkeuring van de daartoe aangewezen en gespecialiseerde autoriteiten (niet zijnde de douane) zijn verricht. Daarnaast gaat het om een mededeling uit 2017. Uit het dossier blijkt niet dat [medeverdachte rechtspersoon] in de jaren daaraan voorafgaand van de Franse autoriteiten te horen heeft gekregen dat het mengsel niet als afvalstof zou moeten worden beschouwd.

Argos Trading (nu [naam bedrijf] ) was als handelspartner van [medeverdachte rechtspersoon] en uitvoerder van de voornoemde overeenkomst op de hoogte van de ontstaanswijze van het mengsel en de samenstelling van het mengsel, en de bedoeling van [medeverdachte rechtspersoon] om zich daarvan te ontdoen zoals uiteengezet in het hiervoor besproken contract, dat kennelijk ook op [naam bedrijf] van toepassing was. Daarnaast was zij (mede) verantwoordelijk voor het transport en de destillatie van het mengsel en de verkoop van de resulterende fracties. Een en ander maakt dat Argos Trading minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte rechtspersoon] zich van het mengsel wilde ontdoen en dat er dus afvalstoffen werden overgebracht. Argos Trading heeft dus (voorwaardelijk) opzet gehad op het overbrengen van afvalstoffen.

De verweren over het opzet worden verworpen.

Medeplegen

Ondanks het gegeven dat Argos Trading geen kennisgever is zoals gedefinieerd in artikel 2 onder 15 van de EVOA, moet ook Argos Trading, naast [medeverdachte rechtspersoon] , volgens vaste rechtspraak gezien worden als normadressaat van deze verplichting (ECLI:NL:HR:2002:AD8914). Dit maakt dat bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte rechtspersoon] en [naam bedrijf] niet hebben voldaan aan hun wettelijke verplichting tot voorafgaande kennisgeving. De transporten hebben plaatsgevonden in nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte rechtspersoon] en Argos Trading. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de beschuldiging.

Conclusie

Bewezen wordt verklaard dat [naam bedrijf] , in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte rechtspersoon] , zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, meermalen afvalstoffen, conform artikel IV van de EVOA, heeft overgebracht van Frankrijk naar Nederland.

1. Proces-verbaal van de politie, relaas

Argos Trading B.V. (handelsnaam Argos International Trading B.V.) is op 31-12-2015 gefuseerd met en opgegaan in [naam bedrijf] .

Uit onderzoek op "Beschikking online" op de website van de Inspectie Leefomgeving en

Transport (hierna ILT) en navraag bij het ILT is niet gebleken dat er een kennisgeving is

aangevraagd voor de overbrenging van afvalstoffen van het bedrijf [medeverdachte rechtspersoon] gevestigd in

Frankrijk naar het bedrijf Odfjell gevestigd in Nederland.

2. Proces-verbaal van de politie, verhoor getuige L. LeFrancois

Mijn functie bij [medeverdachte rechtspersoon] bestaat uit leiding geven aan het operations team dat uitvoering geeft aan de met de klanten gesloten contracten, dat wil zeggen het beheren van ontvangst en opslag van de koolwaterstoffen. Ik manage zowel het fysieke gedeelte als het administratieve gedeelte en met name de douaneverklaringen.

[medeverdachte rechtspersoon] is een bedrijf dat koolwaterstoffen opslaat voor rekening van zijn klanten. In het kader van het onderhavige onderzoek waren de naar Rotterdam geëxporteerde producten afkomstig uit de tanks 165, 179, 180, 181 en 175. Dat zijn tanks die koolwaterstofmengsels bevatten die afkomstig zijn van de verschillende reinigingen van de tanks, van reinigingen van lijnen van de overige tanks die gebruikt worden en uitsluitend van geraffineerde producten maar niet van grondstoffen. In de praktijk slaan wij een bepaald product voor een klant op in een tank. 24 uur na ontvangst van de vracht voeren wij een eerste reiniging uit. En vervolgens voeren wij, afhankelijk van het product, een wekelijkse reiniging uit. In alle gevallen voeren wij eerst een reiniging uit voordat we de tank leegpompen. De reiniging bestaat uit het verwijderen van het water op de bodem van de tank. Het reinigen van de lijn dient voor het zekerstellen van de kwaliteit van twee producten. Ik benadruk dat het reinigen van de lijn de pipelines betreft. Een pipeline kan dienen voor het na elkaar vervoeren van verschillende producten. Tussen de producten in voeren wij een reiniging uit om de kwaliteit van elk product te garanderen. De inhoud van de reinigingen is een mengsel van water en het product dat wordt opgevangen in een speciaal netwerk en vervolgens naar tank 32 gaat. In deze tank vindt een bezinking plaats om het water van de koolwaterstoffen te scheiden. Als de koolwaterstof-interface in tank 32 een hoogte van 1 meter bereikt, legen wij deze naar de tanks 179, 180 en de andere eerdergenoemde tanks. De interface is het product dat bovenop het water drijft.

Vraag: Waar bestaat het koolwaterstofmengsel uit?

Antwoord: Het gaat uitsluitend om een mengsel van op onze site aanwezige geraffineerde producten.

Vraag: Kunt u nagaan wat er aan koolwaterstofmengsels in deze tanks is opgeslagen en wat de percentages daarvan zijn geweest?

Antwoord: Nee. Wij kennen de productfamilies die tank 32 ingaan maar we weten niet wat de verhoudingen zijn. Tank 32 wordt gevoed door de reinigingen van 81 tanks.

Vraag: Waarom gaan de water- en olierestanten niet terug naar de klant?

Antwoord: Wij hebben een mengsel gemaakt van verschillende producten zoals gasolie, benzine enz. Wij hebben geen installaties om dit mengsel te destilleren en een geraffineerd product te krijgen.

Vraag: Wordt [medeverdachte rechtspersoon] op enig moment eigenaar van het gemengde product?

Antwoord: Op grond van het contract met onze klanten weten zij dat er gedurende opslag door het reinigen een bepaald percentage aan verlies optreedt. Het verliespercentage varieert tussen 0,1 en 0,3 procent. Op basis daarvan wordt het koolwaterstofmengsel dat afkomstig is van deze reinigingen het eigendom van [medeverdachte rechtspersoon] . Dit mengsel wordt vervolgens doorverkocht aan een Nederlands bedrijf genaamd [naam bedrijf] , dat voorheen Argos heette. Bij mijn weten wordt dit mengsel opnieuw door deze bedrijven gedestilleerd om een nieuw, verhandelbaar product te krijgen.

Vraag: Weet u op het moment van de verscheping naar Odfjell wat de samenstelling

van het geëxporteerde mengsel is?

Antwoord: Nee. Wij beschikken over een analyse van het mengsel maar wij weten niet

wat voor soort producten deel uitmaken van het mengsel.

Vraag: Produceert [medeverdachte rechtspersoon] stoffen?

Antwoord: Nee, het zijn producten die door onze klanten zijn geproduceerd.

3. Proces-verbaal van de politie, verhoor [getuige]

Vraag: Volgens het REACH-dossier komt de stof voort uit een raffinageproces van ruwe aardolie. Komt dit proces overeen met het proces bij Odfjell?

Antwoord: Nee, maar dat hoeft ook niet. Raffinage is een uitgebreid proces, waaronder destillatie.

4. Proces-verbaal, dossier rechtspersoon [naam bedrijf]

Frisol B.V. is de statutaire naam van Argos Bunkering B.V. tussen 28 december 2001 en 29 juli 2010.

5. Schriftelijk stuk, contract tussen Frisol B.V. en [medeverdachte rechtspersoon]

6 oktober 2008

Contract

tussen: Frisol B.V.

en: [medeverdachte rechtspersoon]

Overwegende dat [medeverdachte rechtspersoon] . opslagfaciliteiten voor petroleum exploiteert en deze faciliteiten te maken hebben met het onvermijdelijk druppelen van diverse kwaliteiten olieproducten, met of zonder watertoevoegsels, en de resulterende mengsels (normaal gesproken slops genoemd) dienen te worden verwijderd zonder het milieu te vervuilen.

Overwegende dat FRISOL in de eerste plaats een bunkerleverancier is maar ook de mogelijkheid heeft om verkoopbare olieproducten uit willekeurige mengsels met of zonder watertoevoegsels terug te winnen en tevens de knowhow heeft voor een dergelijke olierecycling; en

Overwegende· dat FRISOL alle aspecten van de recycling zal beheren en besturen

WORDT DOOR [medeverdachte rechtspersoon] . en FRISOL het volgende OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1: FRISOL verplicht zich om:

- [medeverdachte rechtspersoon] ., in een voorkomend geval, te adviseren inzake de omgang met en het vergaren van oliemengsels (slops).

- tijdens de gehele looptijd van het contract de totale hoeveelheid beschikbare slops die door [medeverdachte rechtspersoon] . verzameld zijn op te halen wanneer [medeverdachte rechtspersoon] . dit aangeeft.

- zich op een dusdanige manier van deze slops te ontdoen, ongeacht de restwaarde van deze mengsels, dat dit voor beide partijen financieel voordeel oplevert.

- zorg te dragen voor de volledige afhandeling van het laden, vervoeren, opslaan, destilleren en verkopen van het oliemengsel overeenkomstig de internationale, EU- en nationale regelgeving op het gebied van milieu, kwaliteit en veiligheid.

Artikel 3:

De waarde van olieslops is de netto financiële opbrengst van de verkoop van teruggewonnen olieproducten na aftrek van alle handling-kosten.

Nadat de producten zijn teruggewonnen en verkocht zal FRISOL op basis van de Bill of Lading-hoeveelheid een financieel overzicht verstrekken en aan [medeverdachte rechtspersoon] . de geschatte waarde van de olieslops betalen plus 50% van de winst. In geval van verlies zal [medeverdachte rechtspersoon] . aan FRISOL 50% van dat verlies betalen.

Artikel 5:

Procedures voor het inzamelen van slops die door [medeverdachte rechtspersoon] . in Le Havre zijn vastgelegd:

Schone slops zijn geraffineerde productmengsels die voornamelijk ontstaan tijdens de overdracht tussen tanks, schepen/binnenschepen, voertuigen en pijpleidingen. Deze geraffineerde producten omvatten motorbenzine, nafta, dieselolie, kerosine en vliegtuigbrandstof etc.

Zwarte slops zijn olieproducten die over het algemeen donker van kleur zijn en het resultaat zijn van ontballasten van schepen, reinigen van tanks en andere bronnen.

6. Schriftelijk stuk, verslag bedrijfsbezoek [medeverdachte rechtspersoon]

Verslag bedrijfsbezoek [medeverdachte rechtspersoon] , Le Havre, 28 februari 2017

Uit het onderzoek Partita is gebleken dat er stoffen zijn aangevoerd naar Nederland, waarop de verdenking rust dat het afvalstoffen zijn. Deze stoffen zijn afkomstig uit tanks 175, 179 en 180 van het bedrijf [medeverdachte rechtspersoon] in Le Havre. In hun procescontrolesysteem (22/12/2016) zijn deze tanks te zien. De tanks 175, 179 en 180 hebben in dit schema de aanduiding "SLOPS".

7. Proces-verbaal van de politie, documenten [medeverdachte rechtspersoon]

Bij de van [medeverdachte rechtspersoon] verkregen documentatie bevinden zich dossiers uit 2015. De transporten die hebben plaatsgevonden in 2015 betreffen de transporten tussen [medeverdachte rechtspersoon] en Odfjell.

Bij de van [medeverdachte rechtspersoon] verkregen documentatie werd een contract aangetroffen, d.d. 6 oktober 2008, tussen [medeverdachte rechtspersoon] ( [medeverdachte rechtspersoon] ) en Frisol B.V. Tijdens de uitvoering van het rechtshulpverzoek in het kantoor van [medeverdachte rechtspersoon] werd via de Franse autoriteiten aan [medeverdachte rechtspersoon] gevraagd of er meerdere contracten bestonden. Hierop werd door [medeverdachte rechtspersoon] verklaard dat dit het enige contract betrof wat was afgesloten en dat dit contract ook geldig was voor [naam bedrijf] , waar [medeverdachte rechtspersoon] in 2015 haar stoffen aan heeft verkocht.

Bij de van [medeverdachte rechtspersoon] verkregen documentatie werd een zogenoemd Safety Data Sheet (hierna

SDS) aangetroffen. Het betreft een veiligheidsinformatieblad van "Medium Oils". Leverancier van deze SDS is het bedrijf [medeverdachte rechtspersoon] .

In hoofdstuk 1.2 van deze SDS staat als aanbevolen gebruik beschreven: Mengsel van petroleumproducten voor destillatie.

In hoofdstuk 3.2 staat beschreven dat de samenstelling van de mengsels kan bestaan uit een range van nafta-achtige producten, diesel, benzine, kerosine, stookolie e.a.

8. Schriftelijk stuk, Rapportage Killaars ‘De keten in beeld’

Vanuit [medeverdachte rechtspersoon] in Le Havre wordt een mengsel "Other medium oils" geleverd aan [naam bedrijf] (hierna [naam bedrijf] ) in Rotterdam. De fysieke levering van dit mengsel is aan Odfjell Terminals B.V. (hierna Odfjell) in Rotterdam. In opdracht van [naam bedrijf] wordt dit mengsel door Odfjell gedestilleerd in een top- en een bodemfractie. De topfractie wordt afgezet als Benzine aan [naam bedrijf] en VITOL. De bodemfractie wordt als Fuel oil no. 2 geleverd aan [naam bedrijf] .

In totaal zijn twaalf reizen van [medeverdachte rechtspersoon] Le Havre naar Odfjell gevolgd in de periode 2014-2015. De informatie die beschikbaar is over de "Other medium oils", is de samenstelling zoals deze is weergegeven in rubriek 3 van het veiligheidsinformatieblad (VIB) van [medeverdachte rechtspersoon] . Daarnaast zijn er nog enkele parameters bekend over dit mengsel (watergehalte, zwavelgehalte, mercaptaan zwavel gehalte, begin kookpunt, eindkookpunt en benzeengehalte). Rubriek 3 van een VIB geeft echter alleen aan welke stoffen bijdragen aan de gevaren-indeling van een stof, en niet de exacte samenstelling.

Het betreft een mengsel afkomstig van alle opgeslagen producten uit alle tanks van [medeverdachte rechtspersoon] en bestaat onder andere uit nafta, benzine, kerosine, diesel, huisbrandolie en scheepvaartdiesel. In dit geval staat bij de veertien stoffen die genoemd zijn in rubriek 3 een concentratie-bandbreedte vermeld van 0-100%. De samenstelling van dit mengsel varieert van het volledig bestaan uit een van de veertien stoffen tot een mengsel van gelijke hoeveelheden van alle veertien stoffen en alles daartussenin. In theorie zou dit mengsel uit slechts één stof kunnen bestaan omdat de ondergrens van de concentratiebandbreedte 0% is.

Bij Odfjell wordt het mengsel van [medeverdachte rechtspersoon] gedestilleerd in de zogenoemde PID (Petroleum

lndustrial Distillation), waarbij de fracties gesplitst worden bij 170 graden Celsius. Tijdens

deze destillatie verandert er niets aan de stoffen, chemisch gezien. Het scheiden van stoffen

in de PID is een fysisch proces. Het resultaat van deze scheiding is volgens Odfjell een

benzine (top fractie) en een Fuel oil no. 2 (bodem fractie).

Topfractie

De topfractie die bij Odfjell ontstaat na destillatie is Benzine, met CAS-nummer

86290-81-5. De enige optie om deze stof als een benzine-component op de markt te brengen is om deze te blenden met andere componenten om zo de concentratie benzeen en zwavel omlaag te brengen (verdunnen).

9. Schriftelijk stuk, rapportage Deelen

Topfractie

De topfractie bevat 135 ppm zwavel, 12 ppm mercaptanen en is doctor positief. Benzine EN228 mag maximaal 10 ppm zwavel bevatten, bevat normaal geen mercaptanen en is doctor negatief. Deze zwavelcomponenten zijn dan ook niet afkomstig van de benzine uit de voeding, maar komen uit nafta en kerosine. Het octaangetal van benzine EN228 is minimaal 95; het octaangetal van de topfractie is 76,5. Deze verlaging ten opzichte van de benzine uit de voeding is ook veroorzaakt door nafta, kerosine en gasolie aanwezig in de topfractie. Ook het benzeengehalte (2,8%) van de topfractie is structureel hoger dan 1,0%, wat voor benzine het maximum is.

De topfractie is vanwege het zwavelgehalte niet of nauwelijks bruikbaar als blendingcomponent voor Europese benzine. Het zou met 5 tot 10x verdund moeten worden met goede benzine om een bruikbare blend op te leveren.

Bodemfractie

Dit nieuwe mengsel is een gasolieachtig product, maar voldoet niet aan de Europese norm voor diesel EN 590. Het zwavelgehalte is met 0,123% veel te hoog. Daarnaast is het product zwart van kleur, wat opvallend is omdat de stoffen waaruit het product zou zijn samengesteld geen van alle zwart zijn. Ook de voeding is zwart.

De PID geeft dit product aan met de naam Fuel oil blending component, een stof om stookolie mee te verdunnen. Gezien het zwavelgehalte is deze stof technisch gezien bruikbaar om stookolie voor gebruik buiten de ECA-gebieden mee te blenden.

10. Schriftelijk stuk, overzicht analyses topfracties en bodemfracties

11. Schriftelijk stuk, facturen [medeverdachte rechtspersoon] voor transporten

Invoice [medeverdachte rechtspersoon]

Argos Trading B.V.

BLACK PETROLEUM PRODUCT MIXT.

M/T “LS TROY” - 29/06/2015

Invoice [medeverdachte rechtspersoon]

Argos Trading B.V.

BLACK PETROLEUM PRODUCT MIXT.

M/T “LS JAMIE” - 13/11/2015

12. Schriftelijk stuk, overzicht van transporten

13. Schriftelijk stuk, mail over de Navire Troy

De: [naam 5] [mailto: [e-mailadres] ]

À: cadre exploitation service; [naam 6] ; [naam 7]

Cc: Argos Fuel Trading; [naam 8]

Objet: Amendment Nomination LS Anne -> Troy

Dear Sir/Madam,

Due to change in program owners re-nominate to:

Vessel: Troy (Instead of LS Anne)

Loadport: Le Havre

Laycan: 27-06-15 / 02-07-15 (Current ETA 27-06-15 pm)

Receivers: Argos Trading BV

For Excise, please use: Autres Huiles moyennes

14. Schriftelijk stuk, document d’accompagnement LS Jamie

Date d'expédition 12/11/2015

Nom de l'expéditeur: [medeverdachte rechtspersoon]

Ville: Le Havre

Nom du destinataire: Argos Supply Trading B.V.

Ville: Rotterdam

Transport maritime

LS JAMIE

AUTRES HUILES MOYENNES

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert op het volgende strafbare feit:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Eis van de officier van justitie

[naam bedrijf] moet voor de beschuldiging veroordeeld worden tot het betalen van een geldboete van € 250.000,-.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

[medeverdachte rechtspersoon] heeft samen met Argos Trading twee ladingen met afvalstoffen bestaande uit mengsels van halfzware oliën overgebracht van Frankrijk naar Nederland, terwijl voor die transporten geen kennisgeving was gedaan aan noch toestemming ontvangen was van de betrokken autoriteiten.

De rechtbank kan niet vaststellen of – als [medeverdachte rechtspersoon] of [naam bedrijf] wel een kennisgeving had gedaan aan de bevoegde autoriteiten – deze autoriteiten wel of geen toestemming hadden verleend voor deze transporten. De geschonden bepalingen in de EVOA beogen echter internationale transporten van afvalstoffen te controleren en te reguleren. Doordat de afvalstoffen zijn getransporteerd als ware het producten, heeft toezicht op de herkomst, de samenstelling, de juiste verwerking en toepassing van deze stoffen niet plaats kunnen vinden, waardoor mogelijk risico’s op negatieve gevolgen voor het milieu zijn ontstaan. Hoe groot die risico’s zijn geweest, kan de rechtbank moeilijk inschatten. Het dossier biedt daarover geen informatie en ook de officier van justitie heeft slechts opgemerkt dat ‘de risico’s voor veiligheid, gezondheid en milieu’ onbekend zijn gebleven. Maar dat is nu ook juist het gevolg van het niet doen van een kennisgeving. De transporten vonden ongecontroleerd plaats, buiten het zicht van de autoriteiten. Om de daarmee gepaard gaande risico’s tegen te gaan – of zij zich nu verwezenlijken of niet – zijn de door [naam bedrijf] overtreden bepalingen in de EVOA in het leven geroepen. Als rechtsopvolger van Argos Trading rekent de rechtbank dit [naam bedrijf] aan.

Rechtspersoon en rechtspersoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 14 januari 2026 blijkt dat [naam bedrijf] niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland.

De rechtspersoon

[naam bedrijf] is een grote Europese producent van hernieuwbare brandstoffen en een van Europa’s grootste onafhankelijke raffinaderijen. De jaarcijfers over 2024 laten zien dat [naam bedrijf] een financieel gezond bedrijf betreft met een positief netto resultaat van 95 miljoen USD in 2023 en 43 miljoen USD in 2024. De bestuurder van [naam bedrijf] heeft op de zitting bevestigd dat de financiële situatie ook nu nog steeds goed is.

Redelijke termijn

[naam bedrijf] moet binnen een redelijke termijn worden berecht. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Op basis van de beschikbare stukken zou de redelijke termijn strikt genomen pas zijn aangevangen op het moment van de brief van de officier van justitie van 31 januari 2023, waarin het voornemen om [naam bedrijf] te dagvaarden kenbaar is gemaakt aan de verdediging met daarbij gevoegd een concept tenlastelegging. De rechtbank houdt er echter bij het bepalen van de strafmaat nadrukkelijk rekening mee dat het feit meer dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Oplegging straf

Straf

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van het strafbare feit. De rechtbank heeft daarbij in het voordeel van [naam bedrijf] meegewogen dat niet vast is komen te staan dat de transporten concrete nadelige gevolgen voor het milieu met zich mee hebben gebracht. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de betrokken autoriteiten ook toestemming voor deze transporten hadden gegeven als de kennisgevingsprocedure wel behoorlijk was gevolgd. Ook is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat [naam bedrijf] enkel verantwoordelijk kan worden gehouden voor twee van de twaalf overbrengingen uit de beschuldiging. Daar staat tegenover dat [naam bedrijf] een grote onderneming is in haar vakgebied en dat op haar dus in het bijzonder een grote verantwoordelijkheid rust om zorgvuldig om te gaan met de stoffen die zij transporteert. Zoals eerder benoemd zijn de regels nu juist geformuleerd om mogelijke risico’s te voorkomen. Aan de lidstaten is opgedragen om doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toe te passen in zaken als de onderhavige. De rechtbank weegt deze sanctiedoeleinden mee. Ook weegt zij mee dat de transporten in de regel opbrengsten van honderdduizenden dollars opleverden. Daarnaast is rekening gehouden met de draagkracht van [naam bedrijf] en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

De rechtbank acht een geldboete ter hoogte van € 50.000,- passend en geboden.

De rechtbank wijkt hiermee af van de strafeis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan het Openbaar Ministerie en zij de voornoemde omstandigheden, zoals blijktuit het requisitoir, niet heeft meegewogen en daarnaast diens (hoge) strafeis in het geheel niet heeft onderbouwd.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 10.60 van de Wet milieubeheer en artikel 2 onder 35 van de Europese verordening nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (oud).

7. Beslissingen

De rechtbank:

Voorvragen

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding;

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals hiervoor in hoofdstuk 3 omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 4 gekwalificeerde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Geldboete

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,-.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T.M. Riemens, voorzitter,

en mrs. L. Daum en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.S. Westhof, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 april 2026.

Mr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.M. Riemens

Griffier

  • mr. M.S. Westhof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand