Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10-012432-25
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
gedetineerd in de [detentieadres],
raadsvrouw mr. E.A. Blok.
1. Inleiding
Bij vonnis van deze rechtbank van 17 april 2025 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.
2. Procesverloop
Op 3 maart 2026 heeft de griffie van de rechtbank een verzoek als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv ontvangen. Het verzoek is namens de veroordeelde gedaan en strekt tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.
De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 9 april 2026. De officier van justitie mr. H.H. Balk en mr. B. E.M. van Andel, de waarnemer van de raadsvrouw van de veroordeelde, zijn gehoord. Ook is als deskundige gehoord [naam], als casemanager ISD verbonden aan de inrichting waar de veroordeelde verblijft.
3. Standpunten van partijen
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.
De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen de voortzetting van de ISD-maatregel. Zij heeft op de zitting toegelicht dat zij pas gisteren heeft gehoord dat de veroordeelde een plek heeft voor een klinische behandeling bij Fivoor. Hij wordt op zeer korte termijn opgehaald om naar de kliniek te gaan.
Op 25 maart 2026 heeft de casemanager een rapport ten behoeve van de toetsing van de ISD-maatregel opgemaakt. Daaruit blijkt – kort samengevat – dat het goed gaat met de veroordeelde. Het contact met zijn psycholoog en casemanager verloopt goed en de veroordeelde is akkoord gegaan met zijn trajectplan. Hij is gemotiveerd om klinisch behandeld te worden en wil aansluitend in aanmerking komen voor een passende woonvorm.
Ter zitting heeft de deskundige aangevuld dat de veroordeelde op een wachtlijst stond bij Fivoor, maar sneller dan verwacht een plek heeft gekregen in een kliniek met een laag beveiligingsniveau. Na deze behandeling wordt gekeken welke woonvorm hij nodig heeft.
4. Beoordeling
De rechtbank moet beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. Daarbij moet de rechtbank:
De rechtbank is op grond van het rapport van de casemanager en hetgeen op de zitting is besproken van oordeel dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog steeds noodzakelijk is. De veroordeelde wordt opgenomen voor een klinische behandeling bij Fivoor. Als de maatregel voortijdig wordt beëindigd zal deze behandeling, en aansluitend het vinden van een passende woonvorm, ook beëindigd moeten worden. In dat geval zal de veroordeelde onbehandeld terugkeren in de maatschappij en dit zal naar verwachting leiden tot onveiligheid en overlast. Voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is daarom nog altijd vereist. Er is geen grond om tot beëindiging van de maatregel over te gaan.
5. Beslissing
De rechtbank:
beslist dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wordt voortgezet.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. T.M. Riemens en E.H.N. van Hees, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.