ECLI:NL:RBROT:2026:5479

ECLI:NL:RBROT:2026:5479

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer ROT 24/11272
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de hoogte van het vastgestelde dagloon op grond van de Ziektewet (ZW). De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV het ZW-dagloon van eiser juist heeft vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser,

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/11272

(gemachtigde: mr. G.B.A. Bol),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Deze uitspraak gaat over de hoogte van het vastgestelde dagloon op grond van de Ziektewet (ZW). De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV het ZW-dagloon van eiser juist heeft vastgesteld.

Besluitvorming en procesverloop

Eiser was werkzaam bij [bedrijf] en zijn (twee) arbeidsovereenkomsten liepen van 10 april 2023 tot en met 9 juli 2023 en van 10 juli 2023 tot en met 30 november 2023. Eiser is op 15 januari 2024 uitgevallen voor zijn werk als operations manager bij [bedrijf] .

Het UWV heeft met het besluit van 12 juli 2024 (het primaire besluit 1) na afloop van eisers dienstverband per 10 juli 2024 een ZW-uitkering toegekend. De hoogte van de ZW-uitkering is gebaseerd op een dagloon van € 251,95, Het dagloon is daarbij berekend over de periode van 1 april 2023 tot en met 30 november 2023.

Naar aanleiding van eisers bezwaargronden heeft het UWV met het besluit van

5 september 2024 (het primaire besluit 2) de referteperiode gewijzigd naar 10 april 2023 tot en met 30 november 2023 en het ZW-dagloon van eiser per 10 juli 2024 herzien naar een bedrag van € 259,40.

Met het besluit van 14 oktober 2024 (het bestreden besluit 1) heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en beslist dat het ZW-dagloon van € 259,40 juist is vastgesteld.

Eiser heeft op 11 december 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ten aanzien van de overschrijding van de termijn voor het instellen van beroep heeft eiser toegelicht dat hij het bestreden besluit 1 op 3 december 2024 heeft ontvangen. De rechtbank heeft hierop aan het UWV gevraagd wanneer en op welke wijze het bestreden besluit aan eiser bekend is gemaakt en het UWV om een verzendadministratie verzocht. Omdat het UWV geen verzendadministratie heeft kunnen over leggen, gaat de rechtbank in dit geval uit van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Het UWV heeft in de beroepsfase een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Met het besluit van 25 november 2025 (het bestreden besluit 2) heeft het UWV het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard. Het UWV heeft het bestreden besluit 1 ingetrokken en het primaire besluit 2 herroepen voor wat betreft de hoogte van het dagloon. Het UWV heeft aan het bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat eiser twee dienstverbanden had bij [bedrijf] en ziek is geworden tijdens het tweede dienstverband. Op grond van artikel 12c, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het dagloon daarom berekend op basis van het loon dat eiser tijdens het tweede dienstverband in de periode van 10 juli 2023 tot 15 januari 2024 heeft genoten. Het UWV heeft het dagloon daarmee vastgesteld op € 269,00.

Eiser heeft naar aanleiding van dit besluit laten weten dat hij zijn beroep wenst te handhaven en hij heeft op 1 december 2025 aanvullende gronden tegen het bestreden besluit 2 ingediend.

Met het besluit 15 december 2025 (het bestreden besluit 3) heeft het UWV het dagloon geïndexeerd naar € 277,34.

Eiser heeft op 17 december 2025 een nader beroepschrift ingediend tegen de hoogte van het dagloon, zoals vastgesteld in het bestreden besluit 3.

Het UWV heeft op 9 januari 2026 nogmaals een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit 4). Met dit besluit heeft het UWV het bezwaar tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard, de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ingetrokken en het primaire besluit 2 herroepen. Met het bestreden besluit 4 heeft het UWV met toepassing van de artikelen 15 en 16 van de ZW en artikel 23 van het Dagloonbesluit het dagloon van eiser vastgesteld op € 292,07. Het UWV heeft daarbij de periode van 10 juli 2023 tot en met

30 november 2023 als referteperiode gehanteerd.

Eiser heeft op 14 januari 2026 een nader beroepschrift ingediend, met drie dagloonberekeningen. Bij alle drie de berekeningen komt eiser uit op een hoger bedrag aan ZW-dagloon dan het UWV heeft vastgesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. Het UWV is met bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Nu het UWV een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen, laatstelijk op

9 januari 2026, is het beroep op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen deze herziene beslissing op bezwaar. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat er geen belang meer is bij de beoordeling van het beroep voor zover dat was gericht tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 en dat het beroep voor dat deel als ingetrokken kan worden beschouwd.

3. In geschil is of het UWV eisers ZW-dagloon op juiste wijze heeft vastgesteld op € 292,07.

4. Eiser stelt dat hij zich kan vinden in de gehanteerde referteperiode van

10 juli 2023 tot en met 30 november 2023, de berekening van zijn inkomen over de periode en de gehanteerde indexeringspercentages van 3,73% en 3,1%. Hij vindt echter dat zijn ZW-dagloon te laag is vastgesteld. Volgens eiser maakt het UWV ten onrechte een deels feitelijke en deels fictieve berekening voor de maand juli 2023. Het UWV gaat aan de ene kant uit van de feitelijke loondagen in de periode van 10 juli tot en met 31 juli 2023, maar gaat aan de andere kant uit van de fictieve loondagen van 21,75 voor de hele maand juli 2023. Dit terwijl eiser een vast bedrag per maand ontving ongeacht het feitelijk aantal loondagen. Eiser voert aan dat er wat hem betreft drie opties bestaan voor een correcte berekening van zijn dagloon. Bij de eerste optie wordt uitgegaan van een vast SV-loon dat hij verdiende vanaf 10 juli 2023. Bij de tweede optie wordt uitgegaan van de daadwerkelijke SV-dagen in juli en bij de derde optie wordt uitgegaan van het daadwerkelijke aantal SV-dagen in de periode van 10 juli 2023 tot 1 december 2023. De eerste optie ligt volgens eiser het meest in de rede, omdat daarbij wordt uitgegaan van het vaste loon dat hij maandelijks ontving.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV met het bestreden besluit 4 het dagloon van eiser op juiste wijze berekend. In juli 2023 heeft eiser 16 loondagen gehad. Partijen zijn hier in hun berekeningen ook beiden van uitgegaan. Omdat de maand juli 2023 deels binnen en deels buiten de referteperiode valt, is sprake van een gebroken aangiftetijdvak. Uit artikel 12e, tweede lid, van het Dagloonbesluit volgt dat bij een gebroken aangiftetijdvak het ZW-dagloon als volgt wordt berekend:

A x (Y/Z), waarbij A staat voor het loon van juli 2023 (€ 5.557,07), Y staat voor 16 dagen (10 juli tot en met 31 juli 2023) en Z staat voor 21,75 dagen. De berekening is daarmee: € 5.557,07 x (16/21,75) = € 4.087,96, en op een zelfde wijze voor de vakantietoeslag: 440 x (16/21,75) = € 323,68. Het totaalbedrag in juli 2023 komt daarmee uit op een bedrag van € 4.411,64. Voor de maanden augustus tot en met november 2023 is dit € 23.988,28.

6. Het totaalbedrag van de periode juli tot en met november 2023 is dus € 28.399,92 (€ 23.988,28 + € 4.411,64). In de periode van juli 2023 tot en met november 2023 zijn 104 dagloondagen, wat maakt dat het dagloon € 273,10 (€ 28.399,92 / 104) betreft. Omdat de uitkering per 10 juli 2024 wordt toegekend, moeten de voornoemde indexeringen van 3,73% en 3,1% worden meegenomen, wat maakt dat het dagloon per 10 juli 2024 een bedrag van

€ 292,07 betreft. De enkele stelling van eiser dat de berekening geen recht doet aan zijn situatie is onvoldoende voor het oordeel dat toepassing van artikel 12e, tweede lid, van het Dagloonbesluit voor de maand juli 2023 voor eiser tot een onevenredig uitkomst leidt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het bestreden besluit 4 is ongegrond.

8. Omdat het UWV het bestreden besluit 4 pas heeft genomen nadat eiser beroep had ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten die eiser met het instellen van het beroep heeft gemaakt en te bepalen dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. Voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand rekent de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting. Verder rekent de rechtbank 2 x 0,5 punt voor de reacties van eiser op de bestreden besluiten 2 en 3. Hoewel deze reacties niet kunnen worden aangemerkt als schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb of één van de andere categorieën die zijn vermeld in de bijlage van het Bpb, vertonen deze reacties zodanige overeenkomsten met de reactie als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. De waarde per punt bedraagt € 934,- en de wegingsfactor is 1. Het totaalbedrag aan proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep bedraagt hiermee € 2.802,-. De schriftelijke reactie van eiser op het bestreden besluit 4 komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het beroep tegen dat besluit ongegrond wordt verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 9 januari 2026 ongegrond;

- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Ziektewet (ZW)

Artikel 15

1. Voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden, onder meer wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Dagloonbesluit werknemersverzekeringen

Artikel 1

1. gebroken aangiftetijdvak: en aangiftetijdvak dat deels binnen en deels buiten de referteperiode, bedoeld in artikel 12b valt.

Artikel 12b

1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de ZW, is ingetreden of waarin het recht op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b van de Wazo of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan.

Artikel 12c

1. Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in de referteperiode uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden (..)

Artikel 12e

1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW en de Wazo is de uitkomst van de volgende berekening:

(A – B + C) / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij een werkgever;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;

C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en

D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden of waaruit het recht op uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, artikel 4:2b of artikel 6:3 van de Wazo is ontstaan, is aangevangen na aanvang maar voor het einde van de referteperiode, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van de referteperiode.

2. In een gebroken aangiftetijdvak worden de factoren A, B en C berekend door het loon, de bedragen voor opbouw of opname van vakantiebijslag of de bedragen voor opbouw of opname van een arbeidsvoorwaardenbedrag in dat tijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z. Waarbij:

Z staat voor het aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak binnen de dienstbetrekking of de uitkeringsverhouding; en

Y staat voor het aantal dagloondagen van Z dat binnen de referteperiode valt. Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.

(..)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand