RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11478534 CV EXPL 25-457
datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. L.J. Verheij,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde sub 1,
die zelf procedeert,
2. zij die verblijven in het pand of een gedeelte daarvan, staande en gelegen te [postcode] ) [woonplaats] aan de [straatnaam],
gedaagden sub 2,
die niet zijn verschenen.
Eiseres wordt hierna ‘Hef Wonen’ genoemd en gedaagde sub 1 wordt hierna ‘ [gedaagde sub 1] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 31 december 2024, met bijlagen;
het antwoord, met een bijlage;
de akte van Hef Wonen van 30 januari 2026, met een bijlage;
de akte van Hef Wonen van 19 maart 2026.
Gedaagden sub 2 zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend (artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
2. De beoordeling
In deze procedure vorderde Hef Wonen de ontbinding van de huurovereenkomsten van de woning aan de [straatnaam] in Rotterdam en de garage aan de [adres] in Rotterdam, de ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand. Omdat op basis van afspraken die partijen in een andere procedure hebben gemaakt de huurovereenkomsten zijn geëindigd, het gehuurde is ontruimd en Hef Wonen beschikt over een titel tot betaling van de huurachterstand, heeft zij haar vordering verminderd tot een veroordeling van [gedaagde sub 1] in de proceskosten.
Hef Wonen is deze zaak begonnen omdat volgens haar [gedaagde sub 1] op verschillende punten tekortschoot in zijn verplichtingen als huurder. Vanwege het oplopen van de huurachterstand is Hef Wonen ook een kort geding gestart tegen [gedaagde sub 1] . In die procedure zijn afspraken gemaakt die de noodzaak voor een beslissing in deze zaak heeft weggenomen, zo blijkt uit de eisvermindering. Hef Wonen heeft dus in het kort geding gekregen wat zij wilde hebben. In deze (bodem)zaak zijn de vorderingen van Hef Wonen echter niet inhoudelijk beoordeeld, zodat ook niet kan worden gezegd dat [gedaagde sub 1] als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Omdat dat evenmin van Hef Wonen kan worden gezegd, wordt aanleiding gezien partijen hun eigen proceskosten te laten dragen.
In de vorderingen tegen gedaagden sub 2 wordt Hef Wonen niet ontvankelijk verklaard, omdat zij daarbij geen belang meer heeft. De proceskostenveroordeling die na eisvermindering is gevorderd, was namelijk alleen gericht tegen [gedaagde sub 1] .
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart Hef Wonen niet ontvankelijk in haar vorderingen tegen gedaagden sub 2;
compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954