ECLI:NL:RBROT:2026:5494

ECLI:NL:RBROT:2026:5494

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 10-222655-24, 10-314002-25 en 10-008474-26 en 10-308085-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor belaging van zijn ex-partner gedurende ongeveer drie maanden. Gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster en dochter en een locatieverbod. Oplegging van een taakstraf van 40 uren. Toewijzing vordering TUL van een taakstraf van 40 uren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10-222655-24, 10-314002-25 en 10-008474-26 (gevoegd ttz)

Parketnummer vordering TUL VV: 10-308085-22

Datum uitspraak: 7 mei 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres], [postcode] [plaatsnaam],

raadsvrouw mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 23 april 2026.

2. Tenlastelegging

De verdachte wordt verdacht van zes strafbare feiten. De volledige omschrijving is opgenomen in bijlage I. De tenlastelegging is opgenomen in drie dagvaardingen, met ieder een eigen parketnummer. Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de verschillende feiten voorzien van een doorlopende nummering op de wijze zoals hieronder vermeld:

- feit 1: primair medeplegen van zware mishandeling, subsidiair medeplegen van een poging tot zware mishandeling op 7 juli 2024 (10-222655-24);

- feit 2: verlaten plaats van het ongeval op 7 juli 2024 (10-222655-24);

- feit 3: bedreiging op 18 april 2025 (10-222655-24);

- feit 4: voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op 18 april 2025 (10-222655-24);

- feit 5: onttrekking aan het wettig gezag van een minderjarige in de periode 2 november 2025 tot en met 4 november 2025 (10-314002-25);

- feit 6: mishandeling op 8 januari 2026 (10-008474-26).

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L. Goudzwaard heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Vrijspraak feit 1 (medeplegen van zware mishandeling)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van zware mishandeling. Volgens getuigen was er een ruzie gaande tussen de aangever (de fietser) en vier jongens op (twee) scooters. De verdachte was de bestuurder van de eerste scooter. De verdachte veroorzaakte, samen met de andere jongens, een bedreigende situatie door om het slachtoffer heen te rijden, te slingeren en expres langzaam te rijden. Terwijl verdachte naast de aangever reed, heeft zijn bijrijder de aangever vastgepakt, waardoor die uiteindelijk hard ten val kwam. Hoewel de verdachte het slachtoffer niet zelf heeft vastgepakt, heeft hij een belangrijke rol gehad en eraan bijgedragen dat de aangever kon worden vastgepakt en is gevallen. De verdachte heeft hiermee het risico aanvaard dat de aangever zou vallen en zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Beoordeling

Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot zware mishandeling, moet

sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar

lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het toebrengen

van zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijk kans

heeft aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de bijrijder van de verdachte (hierna: de medeverdachte) de aangever heeft vastgepakt en duw- en trekbewegingen heeft gemaakt, waarna de aangever van zijn fiets is gevallen. Als gevolg van de val heeft de aangever blijvend letsel opgelopen, waaronder een kneuzing van de zenuw in de rechterarm. In tegenstelling tot het betoog van de raadsvrouw leveren deze gedragingen een strafbaar feit op. De medeverdachte is bij vonnis van 28 oktober 2025 dan ook veroordeeld voor het medeplegen van zware mishandeling.

De vraag die voorligt is of (ook) de verdachte schuldig is aan het medeplegen van de zware mishandeling. De rechtbank dient daarbij te beoordelen of er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte en of de verdachte bij die samenwerking opzet, al die niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de val van de aangever.

De verdachte verklaart dat hij niet door heeft gehad wat er tussen de medeverdachte en de aangever is gebeurd. Hoewel uit de getuigenverklaringen volgt dat er een conflict gaande was en de verdachte langzamer is gaan rijden toen hij voor de aangever reed, blijkt hieruit niet dat de verdachte opzet heeft gehad om de aangever ten val te brengen. Het vastpakken van de arm van de aangever was een handeling van de medeverdachte. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte heeft kunnen weten dat de medeverdachte de aangever zou vastpakken en duw- en trekbewegingen zou maken. Dat de verdachte op een dusdanige wijze bij de aangever bleef rijden waardoor de medeverdachte zijn arm kon pakken, betekent niet dat de verdachte daarmee de kans heeft aanvaard dat de aangever zou worden vastgepakt, ten val zou komen en zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Ook van voorwaardelijke opzet is volgens de rechtbank dus geen sprake. De rechtbank oordeelt op basis hiervan dat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte ten aanzien van de zware mishandeling.

Conclusie

Feit 1 is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Bewijswaardering feit 2 (verlaten plaats van het ongeval)

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2. De verdachte heeft niet doorgehad dat de aangever ten val was gekomen omdat hij Airpods in had en muziek luisterde. Er is ook geen bewijs dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de aangever in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Beoordeling

De rechtbank volgt de verklaring van verdachte niet. Gelet op de getuigenverklaringen en de verklaring van het slachtoffer stelt de rechtbank vast dat de verdachte (bewust) onderdeel was van het conflict tussen de jongens op de scooters en de aangever. Dat de verdachte geen opzet had om de aangever ten val te brengen – zoals eerder is vastgesteld – betekent niet dat hij niet door had wat er tussen de medeverdachte en de aangever gebeurde. De verdachte verklaart zelf dat hij zijn scooter op een bepaald moment voelde wiebelen. Verder heeft een getuige verklaard dat de verdachte en de medeverdachte er na de val van de aangever ‘als een haas’ vandoor gingen. Bovendien heeft de medeverdachte bij de politie verklaard dat de verdachte en de medeverdachte na de val uit angst en schrik zijn doorgereden. De verklaring van de verdachte ter zitting, dat hij dacht dat de medeverdachte zich verplaatste (en de scooter daarom wiebelde) en hij in zijn spiegel niks kon zien omdat die niet goed stond afgesteld, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande onaannemelijk.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte feit 2 heeft begaan.

Beoordeling vormverzuim feit 5 (onttrekking aan het wettig gezag)

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake is van een onrechtmatige aanhouding. De onttrekking aan het gezag vond plaats in de periode 2 tot en met 4 november 2025. De verdachte is pas op 14 november 2025 aangehouden. Op dat moment was er geen sprake meer van een verdenking van het onttrekken uit het gezag door de verdachte en dus geen redelijk vermoeden van schuld. Omdat er sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), heeft de verdediging verzocht om over te gaan tot strafvermindering.

De rechtbank oordeelt dat de aanhouding op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. De verdachte is buiten heterdaad aangehouden op grond van artikel 54 Sv. Het enkele feit dat de verdachte ongeveer anderhalve week na de pleegperiode is aangehouden maakt de aanhouding niet onrechtmatig. Ook op 14 november 2025 bestond er een redelijk vermoeden van schuld. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dan ook geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

De onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend, met dien verstande dat de verdachte ten aanzien van feit 5 heeft verklaard dat hij slechts wilde helpen en zich niet bewust was dat door zo te handelen hij een strafbaar feit beging. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat het feit bewezen kan worden verklaard. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

feit 2 dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Zwijndrecht en/of Dordrecht op de Zwijndrechtsebrug, op of omstreeks 7 juli 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer 1]), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

feit 3 hij op of omstreeks 18 april 2025 te Hendrik-Ido-Ambacht, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] via een Snapchatbericht- een foto te sturen met daarop afgebeeld een pistool en machete en/of- (daarbij) de tekst toe te voegen: "Kies maar";

feit 4 hij op of omstreeks 18 april 2025 te Zwijndrecht, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen een spreken gelijkenis vertoont met een pistool, merk Glock, model 18C, voorhanden heeft gehad;

feit 5

hij in of omstreeks de periode van 2 november 2025 tot en met 4 november 2025 te Zwijndrecht, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 2] 2010, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;

feit 6

hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Hendrik-Ido-Ambacht, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4]- meermalen in het gezicht te slaan en/of- een knietje in de buik te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

feit 5: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag

feit 6: mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich op 17- en 18-jarige leeftijd schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten.

De verdachte is in de nacht van 6 op 7 juli 2024 als bestuurder van een scooter doorgereden nadat het slachtoffer van zijn fiets viel en hard op de straat terechtkwam. Na het ongeval heeft de verdachte zich niet om het slachtoffer bekommerd. De verdachte is na het ongeval weggereden en daarmee heeft de verdachte het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten.

Op 18 april 2025 heeft de verdachte het slachtoffer, een bekende van school, bedreigd door haar een foto te sturen met daarop een pistool en een machete en de tekst "kies maar". Daarmee heeft de verdachte uitingen gedaan waarmee hij het slachtoffer angst heeft aangejaagd en gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt. Ook heeft de verdachte een imitatievuurwapen in bezit gehad. Het bezit en vertoon van dergelijke wapens kan leiden tot escalatie en gevoelens van onveiligheid binnen de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte op 2 tot en met 4 november 2025 een destijds vijftienjarig meisje onttrokken aan het wettig gezag. Dit deed hij door haar van huis op te halen en haar een aantal dagen in zijn huis te laten verblijven. Het was voor de verdachte duidelijk dat de ouders van het slachtoffer dat niet wilden. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij hierdoor heeft verhinderd dat de ouders van het slachtoffer hun gezagstaak konden vervullen. Het handelen van de verdachte heeft een grote impact op het leven van het slachtoffer en haar ouders gehad, zo blijkt onder andere uit de slachtofferverklaring.

Ook heeft de verdachte zich op 8 januari 2026 schuldig gemaakt aan mishandeling van een (destijds) 17-jarige bekende van de verdachte. De verdachte heeft het slachtoffer mee gelokt om te praten, omdat zij een discussie hadden over het terugbetalen van een geldbedrag. In plaats van praten heeft de verdachte geweld gebruikt door het slachtoffer in zijn gezicht te slaan en een knietje in zijn buik te geven. Het moet voor het slachtoffer beangstigend en vernederend zijn geweest om op deze wijze te zijn behandeld. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer.

De rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte zich in deze reeks strafbare feiten enkel heeft laten leiden door zijn eigen emoties en behoeften, zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor de slachtoffers.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportage en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 17 april 2026 een rapport over de verdachte opgemaakt. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Er is sprake van herhaald politiecontact in een relatief korte periode, waarbij de verdachte tijdens lopend toezicht en onder schorsingsvoorwaarden opnieuw in aanraking is gekomen met politie en justitie. Het algemeen recidiverisico wordt ingeschat als midden. Het dynamisch risicoprofiel komt uit op hoog. Er zijn met name zorgen over zijn emotie- en agressieregulatie, zijn houding ten opzichte van regels en autoriteit en zijn sociale netwerk. Ook ervaart hij financiële druk door schulden en geldproblemen. De verdachte bevindt zich op meerdere leefgebieden in een zogenoemd laatste-kans traject, waaronder school, behandeling en het naleven van voorwaarden. De verdachte geeft aan zijn opleiding te willen afronden en een stabiel leven te willen opbouwen. Hij is in staat gebleken om werk vol te houden en is momenteel in behandeling en begeleiding bij De Waag, gericht op gedragsverandering.

De Raad vindt het belangrijk dat wordt ingezet op het versterken van de vaardigheden van de verdachte op het gebied van emotie- en agressieregulatie en het omgaan met spanningsvolle situaties. Voortzetting van de behandeling bij De Waag is noodzakelijk, zodat gericht gewerkt kan worden aan het herkennen van spanningssignalen, het doorbreken van impulsieve reacties en het ontwikkelen van alternatieve gedragsstrategieën. Daarbij is het van belang dat wordt ingezet op abstinentie van middelengebruik en het stoppen met gokken.

De Raad adviseert om een onvoorwaardelijke taakstraf en een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, voortzetting van de ambulante behandeling bij De Waag, meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek, inspannen voor passende dagbesteding, houden aan een avondklok en meewerken aan elektronische monitoring. De verdachte laat zien dat hij onvoldoende in staat is om zelfstandig binnen grenzen te functioneren en dat hij gebaat is bij duidelijke kaders, controle en begeleiding. Het is belangrijk dat de jeugdreclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte te begeleiden.

Ter zitting hebben jeugdreclasseerders [naam 1] en [naam 2], werkzaam bij Jeugdbescherming west, toegelicht dat de verdachte inmiddels zes behandelingen bij De Waag heeft gehad. De eerste maanden is het de verdachte niet gelukt om aan de behandeling mee te werken. De behandelaar heeft aangegeven dat het de afgelopen weken beter gaat en dat hij zich meer inzet. De voorwaarden, waaronder de enkelband, doen de verdachte goed. Zelfstandig functioneren lukt momenteel nog niet, dus er is externe controle nodig. Er zijn nog steeds veel zorgen. De jeugdreclassering vindt het belangrijk dat er een persoonlijkheidsonderzoek wordt uitgevoerd. Een goede inschatting van het recidiverisico kan pas worden gedaan als dat onderzoek heeft plaatsgevonden.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straffen

Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Gelet op de ernst van de strafbare feiten wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke werkstraf opgelegd. Ondanks dat de verdachte wordt vrijgesproken van het eerste feit, ziet de rechtbank geen reden om de vrijspraak te verdisconteren in de eis van de officier van justitie. De rechtbank heeft meegewogen dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in zijn proeftijd heeft gepleegd. Het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen jeugddetentie is gelijk aan de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis.

Omdat de Raad begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk vindt en de verdachte gemotiveerd is om hieraan mee te werken, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden die door de Raad zijn geadviseerd. Ook zal een contactverbod worden opgelegd voor alle betrokken slachtoffers in deze zaken. Gebleken is dat de verdachte hulp en begeleiding nodig heeft om zijn voorzichtig positieve ontwikkeling voort te zetten en te kunnen behouden. De voorwaarden bieden de mogelijkheid dat de verdachte zijn ambulante behandeling bij De Waag kan voortzetten en dat hij ondersteund wordt om een stabiel leven op te bouwen. De voorwaardelijke straf dient er ook toe om te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen.

Alles afwegend wordt opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden, en een werkstraf voor de duur van 60 uur.

Geen vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr)

De officier van justitie heeft gevorderd om een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 4], op te leggen. De rechtbank wijst die vordering af, omdat de rechtbank er geen toegevoegde waarde in ziet om naast een contactverbod via de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke jeugddetentie, ook een contactverbod via de 38v-maatregel op te leggen.

7. Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

Vordering [benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 753,50 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering voldoende is onderbouwd, zodat het materiële en immateriële bedrag geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair is aangevoerd om de kosten voor de fysiotherapie en het eigen risico af te wijzen, omdat deze posten niet geverifieerd kunnen worden. De verdediging heeft verzocht om de immateriële schade te matigen, omdat aangever onder invloed aan het verkeer heeft deelgenomen en er sprake is van enige mate van eigen schuld.

Beoordeling

De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding dus geen inhoudelijke beslissing genomen.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Vordering [benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Beoordeling

Het is onbekend hoeveel de benadeelde partij vordert aan schade, omdat het schadeformulier niet volledig is ingevuld. Er zijn geen schadebedragen ingevuld of stukken bijgevoegd. De benadeelde partij zal daarom – overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie – niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding dus geen inhoudelijke beslissing genomen.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Vordering [benadeelde partij 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij 3], ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.264,92 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De vordering moet voor de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de kosten voor de beveiligingscamera en de reiskosten geen rechtstreekse schade zijn. Het immateriële bedrag is voldoende onderbouwd en kan geheel worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De reiskosten moeten worden afgewezen, omdat onvoldoende is aangetoond dat het verblijf en de therapiesessies hebben plaatsgevonden als gevolg van deze zaak. De immateriële schade moet worden afgewezen, omdat het bedrag onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling

De rechtbank oordeelt dat er geen causaal verband bestaat tussen de geleden materiële schade, inhoudende de kosten voor de beveiligingscamera’s en de reiskosten, en het bewezen verklaarde feit. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen in geval van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand ligt, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 november 2025.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Vordering [benadeelde partij 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij 4], ter zake van het onder 6 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 380,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De vordering is voldoende onderbouwd, zodat het immateriële bedrag geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat het letsel van aangever niet voldoende ernstig is om voor vergoeding in aanmerking te komen. Subsidiair is verzocht om het bedrag te matigen.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Er is sprake van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel. Ook heeft het feit een grote impact op de benadeelde partij gehad, zo blijkt onder andere uit zijn slachtofferverklaring. De benadeelde partij heeft slaapproblemen en ervaart nog steeds een onveilig gevoel op straat. Gezien de impact van het strafbare feit op de benadeelde partij en de hierdoor rechtstreeks ontstane immateriële schade, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk, zodat het bedrag van € 380,00 zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 januari 2026.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 380,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. Vordering tenuitvoerlegging (10-308085-22)

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 19 mei 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging en het bezit van een steekwapen veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van voorwaardelijke bestaande uit een werkstraf van 36 uren, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 3 juni 2023 en eindigt op 17 oktober 2026.

Standpunten officier van justitie en verdediging

D officier van justitie heeft verzocht om de vordering toe te wijzen.De verdediging heeft over de vordering geen opmerkingen.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 36 uren.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 279, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet en artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5, en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 42 (tweeënveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

- verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

- tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

- stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

o [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 3] 1952;

o [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 4] 2008;

o [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 2] 2010;

o [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum 5] 2008;

- geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren;

- beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;

Vordering [benadeelde partij 1]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

Vordering [benadeelde partij 2]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

Vordering [benadeelde partij 3]

- veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 3], te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 500,00 (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

Vordering [benadeelde partij 4]

- veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 4], te betalen een bedrag van € 380,00 (zegge: driehonderdtachtig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 380,00 (hoofdsom, zegge: driehonderdtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

- gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 36 (zesendertig) uren, subsidiair 18 (achttien) dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 19 mei 2023 in de zaak met parketnummer 10-308085-22.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. D.G.J. Roset en S. Putting, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

10-222655-24

feit 1 hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Zwijndrecht en/of Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten- een schaafverwonding op het voorhoofd en/of- een zwelling over het rechter jukbeen en/of- een afwijkende stand van de rechter hand (dropping hand) en/of- zenuwschade aan rechter armzenuw (nervus Radialis) en/of- een ontwrichte schouder aan de rechter zijde,heeft toegebracht, door vanaf een rijdende scooter die [slachtoffer 1] bij de arm vast te pakken en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] van de fiets af te duwen en/of trekken (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Zwijndrecht en/of Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, vanaf een rijdende scooter die [slachtoffer 1] bij de arm heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] van de fiets heeft geduwd en/of getrokken (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] ten val is gekomen),terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Zwijndrecht en/of Dordrecht op de Zwijndrechtsebrug, op of omstreeks 7 juli 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer 1]), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

feit 3 hij op of omstreeks 18 april 2025 te Hendrik-Ido-Ambacht, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] via een Snapchatbericht- een foto te sturen met daarop afgebeeld een pistool en machete en/of- (daarbij) de tekst toe te voegen: "Kies maar";

feit 4 hij op of omstreeks 18 april 2025 te Zwijndrecht, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een vuurwapen, welke door vorm en afmetingen een spreken gelijkenis vertoont met een pistool, merk Glock, model 18C, voorhanden heeft gehad;

10-314002-25

feit 5

hij in of omstreeks de periode van 2 november 2025 tot en met 4 november 2025 te Zwijndrecht, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 2] 2010, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;

10-008474-26

feit 6

hij op of omstreeks 8 januari 2026 te Hendrik-Ido-Ambacht, [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4]- meermalen in het gezicht te slaan en/of- een knietje in de buik te geven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand