ECLI:NL:RBROT:2026:5503

ECLI:NL:RBROT:2026:5503

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 12-05-2026
Zaaknummer 10-012217-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewezen is dat de verdachte als bestuurder van een bestelbus door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor het slachtoffer is overleden (artikel 6 WVW). De verdachte heeft met een hogere snelheid dan de toegestane snelheid van 100 km/u gereden en heeft op zeer korte afstand van de voertuigen voor hem gereden. Daarnaast heeft hij een voertuig rechts ingehaald en vervolgens abrupt en zonder noodzaak geremd. Hierdoor is een kop-staartbotsing ontstaan met zeven andere voertuigen. De bestuurster van een motorfiets is als gevolg van het verkeersongeval overleden. Het verweer van de verdediging dat de dood van het slachtoffer door verkeersfouten van andere betrokkenen niet redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend, wordt verworpen. Het rijgedrag van de verdachte wordt als roekeloos gekwalificeerd. Verder is bewezen dat de verdachte door de hiervoor benoemde gedragingen en door in de rit voorafgaand aan het verkeersongeval meermalen de maximumsnelheid fors te overschrijden in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden (artikel 5a WVW). De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-012217-25

Datum uitspraak: 30 april 2026

Datum zitting: 16 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),

ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. M.A. Oosterveen

Officier van justitie: mr. S.S.S. Heinerman

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

Advocaat van de benadeelde partijen Rotgans: mr. A.C. Zonneveld

Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte als bestuurder van een bestelbus door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor het [slachtoffer] is overleden (artikel 6 WVW). De verdachte heeft met een hogere snelheid dan de toegestane snelheid van 100 km/u gereden en heeft op zeer korte afstand van de voertuigen voor hem gereden. Daarnaast heeft hij een voertuig rechts ingehaald en vervolgens abrupt en zonder noodzaak geremd. Hierdoor is een kop-staartbotsing ontstaan met zeven andere voertuigen. De bestuurster van een motorfiets is als gevolg van het verkeersongeval overleden. Het verweer van de verdediging dat de dood van het slachtoffer door verkeersfouten van andere betrokkenen niet redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend, wordt verworpen. Het rijgedrag van de verdachte wordt als roekeloos gekwalificeerd. Verder is bewezen dat de verdachte door de hiervoor benoemde gedragingen en door in de rit voorafgaand aan het verkeersongeval meermalen de maximumsnelheid fors te overschrijden in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden (artikel 5a WVW). De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor de bestuurster van een motorfiets is overleden en dat hij in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden. Subsidiair zijn beide feiten ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de onder 1 primair (in de gradatie van roekeloosheid) en onder 2 primair ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde overschrijden van de maximumsnelheid van 100 km/u heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hierbij is wel verzocht de verdachte in dat geval niet tweemaal voor hetzelfde feit te veroordelen. Met betrekking tot de overige ten laste gelegde gedragingen heeft de verdediging ook vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor de bestuurster van een motorfiets is overleden en dat hij in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Ik was op 11 maart 2024 op de A16 in Rotterdam rond 06:45 uur als bestuurder van een bestelbus, een Ford met kenteken [kenteken 1], betrokken bij een kop-staartbotsing. Ik heb te hard gereden. Ik heb naar de Audi die voor mij reed geseind met mijn licht.

2. Proces-verbaal van de politie, verkeersongevallenanalyse

Op 11 maart 2024 omstreeks 06.45 uur heeft een kop-staartbotsing plaatsgevonden op westelijke rijbaan van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de rijksweg A16 te Rotterdam. De rijbaan bestaat uit drie rijstroken en een vluchtstrook. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 100 km/u voor motorvoertuigen.

Betrokken voertuigen:

Ford Transit, blauw, kenteken [kenteken 1], bedrijfsauto;

Audi Q3, wit, kenteken [kenteken 2], personenauto;

Volkswagen Polo, blauw, kenteken [kenteken 3], personenauto;

Volkswagen Caddy, bruin, kenteken [kenteken 4], bedrijfsauto;

Anssems PSX, grijs, kenteken [kenteken 5], aanhangwagen;

Opel Vivaro, wit, kenteken [kenteken 6], bedrijfsauto;

Tesla model 3, grijs, kenteken [kenteken 7], personenauto;

Honda NC750XA, zwart/grijs, kenteken [kenteken 8], motorfiets;

Mercedes-Benz Sprinter, wit, kenteken [kenteken 9], bedrijfsauto.

De bestuurder van de Ford heeft op rijstrook 1 een volremming uitgevoerd waarbij diens initiële snelheid van 115 km/u in circa één seconde afnam naar 90 km/u. Een fractie van een seconde daaropvolgend is de Audi met diens linkervoorzijde tegen de rechterachterzijde van de Ford gebotst. De Audi wisselde op dat moment van rijstrook 1 naar rijstrook 2 en haalde de sterk afremmende Ford noodzakelijkerwijs rechts in. De Volkswagen Polo, rijdend op rijstrook 1 achter de Audi, is gewisseld naar rijstrook 2 en is bij deze manoeuvre met de rechterflank tegen de linkerflank van de Volkswagen Caddy, rijdend op rijstrook 2, gebotst. De Volkswagen Polo en de Volkswagen Caddy hebben de sterk afremmende Ford noodzakelijkerwijs rechts ingehaald. De Volkswagen Caddy-Anssems combinatie is als gevolg van de botsing gaan scharen waarbij de Anssems aanhangwagen is gekanteld en losgebroken van de Volkswagen Caddy en zijdelings tegen het wegdek is geslagen. De Volkswagen Caddy is op rijstrook 1 tot stilstand gekomen en de Anssems aanhangwagen is op rijstrook 2 tot stilstand gekomen. De inmiddels achteropkomende bestuurder van de Ford heeft zijn voertuig noodzakelijkerwijs op rijstrook 1 tot stilstand gebracht. In de daaropvolgende afremfase van het achteropkomende verkeer is de Opel met diens voorzijde tegen de achterzijde van de Ford gebotst en is de Mercedes-Benz met diens voorzijde tegen de achtereenvolgens de achterzijde van de Honda motorfiets en de achterzijde van de Tesla gebotst. De bestuurder van de Honda Motorfiets is als gevolg hiervan levensbedreigend gewond geraakt. Er zijn geen indicaties dat de bestuurder van de Mercedes-Benz kort voorafgaand aan deze botsingen met een hogere snelheid heeft gereden dan de voor hem geldende maximumsnelheid van 100km/u. De bestuurder van de Mercedes-Benz heeft kort voorafgaand aan deze botsingen een noodremming uitgevoerd.

Het navigatiesysteem van de Ford is onderzocht. De bestuurder van de Ford heeft gedurende de rit structureel en soms fors de maximumsnelheid heeft overschreden. De eerste vijftien minuten van de rit hebben binnen de bebouwde kom van Den Haag plaatsgevonden. Op dat traject gold grotendeels een maximumsnelheid van 50 km/u en incidenteel 30 km/u, terwijl het snelheidsverloop van de Ford over dit traject circa veertien pieken vertoont met waarden variërend van 60 km/u tot 93 km/u. Gedurende het resterende deel van de rit, vanaf de Binckhorstlaan in Den Haag tot aan de plaats van het ongeval, vertoont het snelheidsverloop van de Ford eveneens meerdere pieken waarvan de waarden variëren van 125 km/u tot 146 km/u.

Gedurende de laatste minuut van de rit voorafgaand aan het moment dat de Ford op de ongevalslocatie besloegen de snelheidsregistraties het bereik van 104 tot en met 141 km/u. Vervolgens is de Ford rijdend met een snelheid van circa 115 km/u binnen een tijdsbestek van 7 seconden tot stilstand gebracht door te remmen. Voorafgaand aan de remming heeft de bestuurder zijn snelheid verhoogd van 107 km/u naar 115 km/u. Na die snelheidstoename daalt de snelheid in geringe mate, van 115 km/u naar 112 km/u. Dit is het moment dat de bestuurder van de Ford zijn gaspedaal loslaat voordat hij zijn rempedaal intrapt. Er wordt vervolgens kortstondig en fors geremd. Binnen een tijdsbestek van een deel van een seconde daalt de snelheid van de Ford van 112 km/u naar 90 km/u. De bestuurder van de Ford laat al na 0,84 seconde zijn rem los. Gelet daarop is de stelling gerechtvaardigd dat de bestuurder van de Ford bij de uitvoering van dezer remming niet reflexmatig heeft gehandeld als een response op het optreden van acuut gevaar, maar reeds op voorhand een forse remming van zeer korte duur voor ogen had. Vervolgens gaat de snelheid van de Ford na een korte periode van gelijkblijvende snelheid in één tiende deel van een seconde van 89 km/u naar 93 km/u. Dit is het moment dat de Audi tegen de achterzijde van de Ford botst. Na deze botsing wordt er wederom fors door de bestuurder van de Ford geremd. Dit is vermoedelijk als reflexmatige response op deze botsing. In tegenstelling tot de eerste volremming wordt deze tweede remming vervolgens wel gecontinueerd tot stilstand.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 1]

Op 11 maart 2024 reed ik met een witte Audi Q3 met kenteken [kenteken 2]. Ik reed op de A16 op rijstrook één. Ik zag een Ford Transit die met zeer hoge snelheid dichterbij kwam en daarna op een korte afstand volgde. Hij zat zo dicht op mij dat ik geen verlichting zag. Ik werd rechts ingehaald door de Ford. Na het inhalen schoof de Ford gelijk van rijstrook twee naar rijstrook één. Hij kwam heel direct voor mij. Er reden voor de Ford geen andere voertuigen op rijstrook één. Ik zag dat de remlichten van de Ford aangingen en dat hij hard afremde. Hierdoor moest ik ook hard remmen en uitwijken naar rijstrook twee. Desondanks raakte ik de Ford met de rechtervoorkant van mijn auto.

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [benadeelde partij 3]

Op 11 maart 2024 reed ik met een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 3]. Ik reed op de A16 op rijstrook één. Voor mij reed een witte Audi. Ik zag een Ford Transit zeer snel dichterbij komen in mijn achteruitkijkspiegel. De Ford reed uiteindelijk zo dichtbij dat ik beide koplampen niet meer volledig in mijn achteruitkijkspiegel zag. Ik voelde mij opgejaagd. Hierdoor schoof ik van rijstrook één naar rijstrook twee. Toen de bus mij voorbij was gaf hij gas en ging hij de auto voor mij opdrukken. Ik denk dat de bus 130 of 140 km/u reed. Zijn rijgedrag was agressief. Hij wilde er gewoon langs. De bestuurder van de Ford gaf naar mijn idee een teken dat hij erlangs wilde. Het rijgedrag van een aso. Ik zag dat de Ford voor mij kwam rijden om de witte Audi in te halen. Hierop wisselde ik van rijstrook twee naar rijstrook één. Toen zag ik dat dat de Ford hard remde net als de Audi die daarachter reed. Om alles te ontwijken ging ik van rijstrook één naar rijstrook twee waar ik in botsing kwam met een aanhanger. Het rijgedrag van de Audi was heel normaal. Hij is mij pas opgevallen toen de bus ging drukken.

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 2]

Op 11 maart 2024 reed ik met een Volkswagen Caddy voorzien van kenteken [kenteken 4]. Ik reed rond 06:40 uur op de middelste baan van de A16. Ik reed ongeveer 90 km/u. Het was druk op de weg. Uit het niets kwam de Ford bus mij links voorbij. Hij reed harder dan het overige verkeer. Op de linker rijstrook reed een witte auto. Ik zag dat de bus hard naar rechts stuurde. Ik zag dat hij de witte auto voorbij reed en voordat hij er volledig voorbij was alweer naar links stuurde. Hij reed als een dolle. Ik heb het idee dat hij de witte auto wilde laten schrikken. Hij kwam voor de witte auto en trapte hard op zijn rem. Dat was een gerichte actie. De bus slipte van de linkerbaan opzij naar rechts. Dit zag er ongecontroleerd uit. De Audi week uit en ging achter de bus weg. Voor de vrachtwagen die rechts van mij reed ontstond ruimte. Ik wilde naar rechts. Toen ik half voor de vrachtwagen reed zag ik een Volkswagen Polo naar rechts sturen om de bus te ontwijken. Daarop kwam ik in botsing met de blauwe Volkswagen Polo. Door de botsing is mijn wagen gaan scharen en is mijn aanhanger meerdere keren over de kop geslagen. Hij koppelde daardoor los en kwam achter mijn auto tot stilstand. Het rijgedrag van de Audi is me niet opgevallen. Iedereen reed gewoon normaal.

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 3]

Ik zag dat er voor de bestelbus met het kenteken [kenteken 1] een personenauto reed. Ik zag dat de bestelbus een meter of drie achter de personenauto echt aan het kleven was. Dat standaard opgefokte rijgedrag. Ik zag dat dezelfde bestelbus vervolgens de personenauto rechts inhaalde. Ik zag dat de bestelbus direct weer voor die personenauto schoot. Ik zag dat de bestelbus daarna hard op de rem drukte vlak voor de personenauto. Dit moet expres gedaan zijn. Volgens mij week de personenauto toen uit. Dit alles, ging met een gang van ongeveer 120 kilometer per uur. Ik zag dat de bestelbus vervolgens ging slingeren. Ik denk dat de bestuurder van de bestelbus de macht over het stuur verloor. Ik zag dat de bestelbus daarbij ook remde. Ik remde met man en macht om mijn bus tot stilstand te brengen. Ik probeerde nog uit te wijken, maar dacht mocht niet meer baten. Ik botste vervolgens op de bestelbus. Ik ben vervolgens uitgestapt. Ik zag dat er een motorrijder op de grond lang waar ik mij ernstige zorgen over maakte. Ik zag dat de motorrijder levenloos op de grond lag.

7. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 4]

Op 11 maart 2024 reed ik op de A16. Ik reed in mijn Tesla voorzien van kenteken [kenteken 7]. Ik zag dat er voor mij 3 auto’s erg aan het slingeren waren. Er reed een witte bus voor mij. Ik kon gelukkig op tijd remmen. Vervolgens keek ik achter mij om te kijken of ik een aanrijding moest verwachten. Ik moest namelijk erg hard remmen. Ik zag dat er een motorrijder achter mij reed. Ongeveer 2 seconden later voelde ik dat er een auto achter in mijn auto reed.

8. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 5]

Ik reed met een Mercedes. Ik zag dat de auto voor mij ineens stopte. Ik moest toen ook ineens hard remmen. De auto begon te slippen en toen gebeurde het ongeluk. Ik botste tegen de motor en tegen de auto voor mij.

9. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 6]

Ik zat achterin het voertuig met kenteken [kenteken 1]. [verdachte] was de bestuurder.

10. Proces-verbaal van de politie, verklaring [getuige 7]

Op 11 maart 2024 ben ik opgehaald in Den Haag. We reden richting Dordrecht. [verdachte] bestuurde de auto.

11. Proces-verbaal van de politie, camerabeelden

De beelden zijn afkomstig van de camera die aan de voorzijde van de Tesla is bevestigd. Datum 11 maart 2024, begintijd 06:40:08 uur. De video begint ter hoogte van hectometerpaal 16.0 op de A16. De Tesla rijdt op rijstrook 1.

Na 23 seconden is te zien dat een blauwe Ford Transit met kenteken [kenteken 1] (de rechtbank begrijpt: [kenteken 1]) en een donkerkleurige Volkswagen Polo van rijstrook 2 naar rijstrook 1 wisselen. Van 27 seconden tot 45 seconden is te zien dat de Ford Transit zeer kort achter de Volkswagen Polo rijdt. Dit is goed te zien door de aanwezige belijning op de snelweg en de verlichting van zowel de Ford Transit en de Volkswagen Polo die op het wegdek uitstralen. Na 53 seconden wisselt de Volkswagen Polo van rijstrook 1 naar rijstrook 2. Vervolgens verhoogt de Ford Transit zijn snelheid en nadert een witte Audi Q3.

12. Proces-verbaal van de politie, schouw

Het [slachtoffer] is op 18 maart 2024 omstreeks 15:55 uur aan het navolgende letsel overleden:

Hersenletsel;

Halsslagader;

Cel versterving.

Het letsel kan worden gerelateerd aan het ongeval dat heeft plaatsgevonden op 11 maart 2024 op de rijksweg A16 19.6 te Rotterdam.

Bewijsmotivering feit 1 primair (artikel 6 WVW)

De rechtbank stelt vast dat op 11 maart 2024 omstreeks 06:45 uur op de rijksweg A16 een kop-staartbotsing heeft plaatsgevonden waarbij verschillende voertuigen betrokken waren. De verdachte bestuurde een Ford en reed op enig moment op de linkerrijstrook achter een Volkswagen Polo. De Volkswagen Polo is gewisseld naar de middelste rijstrook waardoor de Ford achter een Audi kwam te rijden. De Ford is vervolgens over de middelste rijstrook langs de Audi gereden en is voor de Audi gaan rijden op de linkerrijstrook. Door het remmen van de Ford is de Audi daarna uitgeweken naar de middelste rijstrook. De Audi is hierbij nog in botsing gekomen met de Ford waarna de Ford tot stilstand is gekomen. Op dat moment reed achter de Ford de eerder genoemde Volkswagen Polo die vervolgens is uitgeweken naar de middelste rijstrook en daar in botsing is gekomen met een Volkswagen Caddy met aanhanger. Achter de Volkswagen Polo reed een Opel die op de Ford is gebotst omdat hij niet meer tijdig kon remmen. Daarachter reden een Tesla en een Honda motorfiets die nog wel op tijd tot stilstand konden komen. Achter de motorfiets reed een Mercedes. De Mercedes heeft niet meer tijdig kunnen remmen en is eerst op de motorfiets en vervolgens op de Tesla gebotst. De bestuurster van de motorfiets, [slachtoffer], is als gevolg van het ongeval later in het ziekenhuis komen te overlijden.

Toedracht ongeval

De verdachte verklaart over de toedracht van het ongeval dat hij op de linkerrijstrook reed waar hij weliswaar te hard reed, maar niet heeft gebumperkleefd. De Audi die voor hem reed wisselde volgens hem steeds van snelheid waardoor de verdachte steeds moest afremmen. De verdachte heeft hierop geseind en vervolgens heeft de Audi een zogenaamde ‘brake check’, het opzettelijk en onverwachts remmen, uitgevoerd. De verdachte moest remmen en uitwijken naar de middelste rijstrook. Hij raakte hierbij de controle kwijt en kwam bijna tegen een vrachtauto op de rechterrijstrook waardoor hij weer naar links moest sturen. Op dat moment heeft de Audi hem aangereden.

Verschillende getuigen schetsen een ander beeld. Zij verklaren dat de verdachte heel dicht op de Volkswagen Polo en de Audi heeft gereden en hen heeft opgejaagd. Dit wordt ondersteund door de camerabeelden van de Tesla waarop dit ook te zien is. De getuigen verklaren verder dat de verdachte de Audi vervolgens rechts heeft ingehaald waarna hij abrupt weer naar de linkerbaan is gegaan en zonder reden hard heeft geremd. De Audi moest hierdoor uitwijken naar de middelste rijbaan en is hierbij tegen de Ford gebotst. De getuigen omschrijven het rijgedrag van de verdachte als agressief, asociaal en dol. Zij verklaren dat er voor de verdachte geen enkele reden was om de Audi via rijstrook 2 in te halen en weer in te voegen op rijstrook 1 en vervolgens plotseling voor de Audi te remmen en dat het leek alsof hij dat expres deed, alsof hij de bestuurder van de Audi wilde laten schrikken. Geen van de getuigen heeft waargenomen dat de Audi steeds van snelheid wisselde en vervolgens een ‘brake check’ zou hebben uitgevoerd. Zij omschrijven het rijgedrag van de Audi juist als heel normaal. Het door de getuigen geschetste beeld wordt bovendien ondersteund door de verkeersongevallenanalyse. Uit onderzoek volgt dat de Ford eerst zijn snelheid verhoogt van 107 km/u naar 115 km/u, zijn gas loslaat waardoor de snelheid daalt naar 112 km/u en vervolgens kortstondig (0,84 seconden) hard remt waardoor de snelheid daalt naar 90 km/u. Daarop botst de Audi tegen de Ford waardoor de snelheid kort stijgt naar 93 km/u en vervolgens komt de Ford tot stilstand. Uit de korte duur van de eerste remming kan worden afgeleid dat de bestuurder niet reflexmatig heeft gehandeld, maar reeds op voorhand een forse remming van zeer korte duur voor ogen had. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. Het plotselinge en onverhoedse remmen door verdachte was niet geboden door de omstandigheden op de weg en kan ook anderszins niet worden gezien als normaal verkeersgedrag waarmee de Audi rekening had kunnen en moeten houden. In het licht van het daaraan voorafgaande bumperkleven en seinen met zijn licht, alsmede het afsnijden van de Audi, kan het onverhoedse sterk remmen niet anders worden geduid dan als een opzettelijke en doelbewuste poging om de bestuurder van de Audi te intimideren en in de problemen te brengen door een gevaarlijke situatie in het leven te roepen. De rechtbank gaat dan ook uit van de toedracht van het ongeval zoals die is beschreven door de getuigen en de verkeersongevallenanalyse en acht bewezen dat het rijgedrag van de verdachte ten grondslag ligt aan de ontstane kop-staartbotsing.

Gradatie van schuld

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het rijgedrag van de verdachte gekwalificeerd kan worden als roekeloos. Hierbij wordt vooropgesteld dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als sprake is van een overtreding van artikel 5a WVW. Voor een bewezenverklaring van artikel 5a WVW moet beoordeeld worden of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij anderen te duchten was.

Op grond van hetgeen hiervoor reeds is overwogen, wordt vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere van de in artikel 5a WVW (niet limitatief) genoemde gedragingen, te weten het overschrijden van de maximumsnelheid, zeer dicht achter een ander voertuig rijden en gevaarlijk inhalen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het zonder noodzaak bewust remmen van zijn voertuig hetgeen de rechtbank schaart onder het overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang. Door meerdere voor de verkeersveiligheid genoemde belangrijke verkeersregels te overtreden, is de rechtbank van oordeel dat ook sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Gelet op alle feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, mede gelet op zijn uit zijn verkeersgedrag blijkende algehele instelling waar het zijn deelname aan het verkeer betreft, opzettelijk de verkeersregels heeft overtreden, dat hij ook het opzet had dit in ernstige mate te doen en dat hij zich met zijn handelen buiten de orde van het normale verkeer heeft geplaatst. Door in een drukke ochtendspits op de snelweg hard te rijden, gevaarlijk in te halen en vervolgens zonder reden hard te remmen heeft de verdachte bewust onaanvaardbare risico’s genomen. Het is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat hierdoor gevaar voor lichamelijk letsel en levensgevaar ontstaat. Dit wordt onderstreept door het gegeven dat er daadwerkelijk een verkeersongeval heeft plaats gevonden waarbij zeven voertuigen betrokken zijn geraakt en als gevolg waarvan iemand is komen te overlijden. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank een overtreding van artikel 5a WVW bewezen en wordt het rijgedrag van de verdachte gekwalificeerd als roekeloos.

Causaal verband

De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of er sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank stelt voorop dat de causaliteit dient te worden beoordeeld aan de hand van de leer van de redelijke toerekening. Als ondergrens wordt aangenomen dat sprake moet zijn van een ‘conditio sine qua non’. Het gaat daarbij om de vraag of het gedrag van de verdachte daadwerkelijk aan het gevolg heeft bijgedragen in die zin dat de handeling niet kan worden weggedacht zonder dat het gevolg wegvalt. De rechtbank acht het, net als de officier van justitie en de verdediging, bewezen dat hier in het onderhavige geval sprake van is. Als de botsing tussen de Audi en de Ford niet had plaatsgevonden dan was de botsing tussen de Mercedes en de motorfiets ook niet gebeurd. De verdediging heeft echter aangevoerd dat het niet redelijk is om de dood van het slachtoffer toe te rekenen aan de verdachte. Volgens de verdediging heeft de Mercedes onvoldoende afstand gehouden van de motorfiets en bovendien werkten de remmen waarschijnlijk niet goed. Wanneer deze bestuurder net als de Tesla en de motorfiets op tijd tot stilstand was gekomen, dan had de botsing met de motorfiets niet plaatsgevonden. De vraag of het redelijk is om het gevolg, het overlijden van het slachtoffer, aan de verdachte toe te rekenen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Slechts in uitzonderlijke situaties staan verkeersfouten van andere weggebruikers als zodanig in de weg aan het aannemen van een causaal verband. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat het ABS (antiblokkeersysteem) van de Mercedes niet heeft gewerkt. Niet is vast te stellen wat de invloed hiervan is geweest op de botsing met de motorfiets, maar aangenomen kan worden dat die invloed zeer gering is geweest. Verder is niet gebleken dat de bestuurder van de Mercedes verkeersfouten heeft gemaakt. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat de Mercedes niet te hard heeft gereden en uit de remsporen volgt dat hij heeft geremd en dus heeft geprobeerd tot stilstand te komen. Het is niet onbegrijpelijk dat dit hem niet is gelukt. Het gedrag van de verdachte, waardoor de verschillende voertuigen op de snelweg tot stilstand zijn gekomen, was voor de andere achteropkomende verkeersdeelnemers totaal onvoorzienbaar. De verschillende botsingen hebben heel kort op elkaar, in enkele secondes, plaatsgevonden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het overlijden van de bestuurster van de motorfiets, als gevolg van de botsing tussen de Mercedes en de motorfiets, redelijkerwijs is toe te rekenen aan het gedrag van de verdachte. Het enkele feit dat een aantal van de bij de kettingbotsing betrokken voertuigen wel tijdig tot stilstand konden komen, doet daar niets aan af.

Conclusie feit 1

Bewezen is dat door het roekeloze rijgedrag van de verdachte een verkeersongeval is ontstaan als gevolg waarvan de bestuurster van een motorfiets is overleden.

Bewijsmotivering feit 2 primair (artikel 5a WVW)

De beschuldiging onder feit 2 primair omvat dezelfde gedragingen als waarvan de verdachte onder feit 1 primair is beschuldigd. Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank deze gedragingen bewezen en leveren deze gedragingen reeds een overtreding van artikel 5a WVW op. De beschuldiging onder feit 2 primair omvat daarnaast nog het meermalen overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom in Den Haag in de rit voorafgaand aan het verkeersongeval. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij op dat moment niet de bestuurder van de Ford was, niet geloofwaardig. De inzittenden van de Ford hebben verklaard dat de verdachte de auto bestuurde en geen van hen heeft verklaard dat er gewisseld is van bestuurder. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze snelheidsovertredingen en dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1 primair

hij op 11 maart 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- met hogere snelheden heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 km/u en

- op rijstrook 1 zeer kort achter een personenauto (Volkswagen Polo) heeft gereden en de bestuurder van dat voertuig heeft opgeduwd en opgejaagd waardoor die bestuurder zich genoodzaakt voelde om naar rijstrook 2 te gaan en

- ( vervolgens) op zeer korte afstand achter de bestuurder van een personenauto (Audi) is gaan rijden en

- die Audi rechts is gaan inhalen en direct zeer kort vóór die personenauto op rijstrook 1 is gaan invoegen, terwijl daarvoor weinig of onvoldoende ruimte was en

- ( vervolgens) terwijl hij, verdachte, reed met een snelheid van ongeveer 115 km/u, abrupt en zonder noodzaak krachtig en voluit heeft geremd, waardoor die achter hem rijdende bestuurder van die Audi moest uitwijken en een aanrijding met de (rechter) achterzijde van het door verdachte bestuurde voertuig niet kon voorkomen en

-hij, verdachte, zijn voertuig niet onder controle kon houden en in een slip is

geraakt en op de rijbaan tot stilstand is gekomen;

waarna vervolgens (op rijstrook 1 en 2) kop-/staartbotsingen zijn ontstaan waarbij 7 voertuigen waren betrokken, als gevolg waarvan de bestuurster van een motorfiets, genaamd [slachtoffer], werd gedood;

Feit 2 primair

hij op 11 maart 2024 te Rotterdam en/ 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welke verkeersgedragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-binnen de bebouwde kom van de gemeente Den Haag meermalen de maximumsnelheid heeft overschreden (pieken variërend van 60 tot 93 km/u) en

-op het traject gelegen tussen de Binckhorstlaan te Den Haag tot aan de locatie op de Rijksweg A16 te Rotterdam, alwaar het voertuig van verdachte betrokken was bij diverse aanrijdingen meermalen de maximumsnelheid heeft overschreden (pieken variërend van 125 tot 146 km/u) en

-zeer dicht achter andere voertuigen heeft gereden ("kleven") en de bestuurder van die voertuigen heeft opgejaagd of opgeduwd en

-abrupt van rijstroken heeft gewisseld en

-voertuigen rechts heeft ingehaald en gevaarlijk heeft ingehaald en

-zonder noodzaak zeer krachtig heeft geremd, waardoor een achter hem, verdachte, rijdende bestuurder een aanrijding niet kon voorkomen en moest uitwijken en

-hij, verdachte, zijn voertuig niet onder controle kon houden en in een slip is geraakt en op de rijbaan tot stilstand is gekomen;

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte (op rijstrook 1 en 2) kop- /staartbotsingen zijn ontstaan waarbij 7 voertuigen waren betrokken en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

Feit 2 primair

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straffen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf grote consequenties heeft voor de verdachte. Verder heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft door roekeloos te rijden een verkeersongeval veroorzaakt waardoor een slachtoffer is overleden. Hij heeft op de snelweg in de ochtendspits te hard gereden, voertuigen opgejaagd, rechts ingehaald en abrupt en zonder noodzaak geremd, een zogenaamde ‘brake check’. Hierdoor is een kop-staartbotsing ontstaan met zeven andere voertuigen, waaronder een motorfiets. De bestuurster van de motorfiets is als gevolg van het verkeersongeval overleden. Het rijgedrag van de verdachte was volstrekt onverantwoord. Hij heeft enorme risico’s genomen en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. De nabestaanden van het slachtoffer moeten met de consequenties hiervan leven. De verdachte heeft door zijn handelen bij hen onherstelbaar leed teweeg gebracht, zoals ook is gebleken uit de op zitting afgelegde verklaringen van de echtgenoot en de dochter van het slachtoffer. De verdachte heeft door een andere verkeersdeelnemer als schuldige aan te wijzen bovendien geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 12 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Wel heeft de verdachte op 23 februari 2025, nog geen jaar na het ongeval, opnieuw de verkeersregels overtreden door de maximumsnelheid fors te overschrijden.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 11 maart 2024, omdat de verdachte toen voor het eerst is verhoord. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en één maand verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is zeer beperkt. Daarom volstaat de rechtbank met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

Oplegging straffen

Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank is alles afwegend van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van tien maanden met daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaar passend en geboden is. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5. Vordering van de benadeelde partijen

Benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

Vorderingen

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben als benadeelde partijen voor feit 1 beiden € 2.500,= aan affectieschade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Er zijn geen stukken bijgevoegd met betrekking tot de eerder toegekende vergoeding aan affectieschade door de verzekeraar waardoor niet vastgesteld kan worden welk bedrag precies is toegekend.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde partij 1] als echtgenoot van slachtoffer en [benadeelde partij 2] als dochter van het slachtoffer op grond van artikel 6:108 BW recht hebben op vergoeding van affectieschade. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade hebben zij beiden recht op een bedrag van € 20.000,=. De benadeelde partijen hebben inmiddels van de WAM-verzekeraar beiden een bedrag van € 17.500,= ontvangen. De rechtbank acht de vorderingen van het restant van het totale bedrag dan ook toewijsbaar. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,= als vergoeding van affectieschade aan de benadeelde partijen moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 11 maart 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,=.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

[benadeelde partij 3]

Vordering

[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 570,= als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 457,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in het resterende deel van de vordering, omdat de onderbouwing daarvan ontbreekt.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Niet duidelijk is of sprake is van een causaal verband tussen het feit en de geleden schade en eveneens is onduidelijk waarom geen reguliere therapie is gevolgd die wordt vergoed.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het verkeersongeval materiële schade heeft geleden. Door de klap zijn er schouder- en nekklachten ontstaan waarvoor de benadeelde partij kosten heeft gemaakt bij de chiropractor. Deze kosten zijn tot een bedrag van € 362,50 onderbouwd met facturen. Dat gedeelte van de vordering is toewijsbaar. Voor het overige deel van de vordering ontbreekt een onderbouwing met facturen. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 11 maart 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,=.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 3 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden;

Ontzegging van de rijbevoegdheid

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 (drie) jaar;

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 1] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan affectieschade, en de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 maart 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 2] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan affectieschade, en de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 maart 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde partij 3]

veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 3] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 362,50 (driehonderdtweeënzestig euro en vijftig cent) als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2024 tot de dag van volledige betaling.

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3] aan de staat € 362,50 (driehonderdtweeënzestig euro en vijftig cent) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 11 maart 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 3 (drie) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,

en mrs. H.C. van Vuren en E.M. Moison, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 april 2026.

Bijlage 1 – volledige tenlastelegging

1. primair

hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelbus), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/ of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- met hogere snelheden heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 km/u en/of

- op rijstrook 1 zeer kort achter een personenauto (Volkswagen Polo) heeft gereden en / of de bestuurder van dat voertuig heeft opgeduwd en/ of opgejaagd waardoor die bestuurder zich genoodzaakt voelde om naar rijstrook 2 te gaan en/of

- ( vervolgens) op zeer korte afstand achter de bestuurder van een personenauto (Audi) is gaan rijden en/ of

- die Audi rechts is gaan inhalen en/of direct zeer kort vóór die personenauto op rijstrook 1 is gaan invoegen, terwijl daarvoor weinig of onvoldoende ruimte was en/of

- ( vervolgens) terwijl hij, verdachte, reed met een snelheid van ongeveer 115 km/u, abrupt en zonder noodzaak krachtig en/of voluit heeft geremd, waardoor die achter hem rijdende bestuurder van die Audi moest uitwijken en/of een aanrijding of botsing of aanraking met de (rechter) achterzijde van het door verdachte bestuurde voertuig niet kon voorkomen en/of

-hij, verdachte, zijn voertuig niet onder controle kon houden en/of in een slip is

geraakt en/of op de rijbaan tot stilstand is gekomen;

waarna vervolgens (op rijstrook 1 en 2) kop-/staartbotsingen en/ of aanrijdingen zijn

ontstaan waarbij 7 voertuigen waren betrokken,

als gevolg waarvan de bestuurster van een motorfiets, genaamd [slachtoffer],

werd gedood;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto). daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-met hogere snelheden heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 100 km/u en/of

-op rijstrook 1 zeer kort achter een personenauto (Volkswagen Polo) heeft gereden en/ of de bestuurder van dat voertuig heeft opgeduwd en/ of opgejaagd waardoor die bestuurder zich genoodzaakt voelde om naar rijstrook 2 te gaan en/of

-(vervolgens) op zeer korte afstand achter de bestuurder van een personenauto (Audi) is gaan rijden en/ of

-die Audi rechts is gaan inhalen en/of direct zeer kort vóór die personenauto op rijstrook 1 is gaan invoegen, terwijl daarvoor weinig of onvoldoende ruimte was en/of

-(vervolgens) terwijl hij, verdachte, reed met een snelheid van ongeveer 115 km/u abrupt en zonder noodzaak krachtig en/of voluit heeft geremd, waardoor die achter hem, verdachte, rijdende bestuurder van die Audi moest uitwijken maar een aanrijding of botsing of aanraking met de (rechter) achterzijde van het door verdachte bestuurde voertuig niet kon voorkomen en/of

-hij, verdachte, zijn voertuig niet onder controle kon houden en/of in een slip is geraakt en/of op de rijbaan tot stilstand is gekomen; waarna vervolgens (op rijstrook 1 en 2) kop-/staartbotsingen en/ of aanrijdingen zijn ontstaan waarbij 7 voertuigen waren betrokken;

2 primair

hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Rotterdam en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welk(e) verkeersgedraging(en) hierin heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-binnen de bebouwde kom van de gemeente Den Haag meermalen de maximumsnelheid heeft overschreden (pieken variërend van 60 tot 93 km/u) en/of

-op het traject gelegen tussen de Binckhorstlaan te Den Haag tot aan de locatie op de Rijksweg A16 te Rotterdam, alwaar het voertuig van verdachte betrokken was bij diverse aanrijdingen meermalen de maximumsnelheid heeft overschreden (pieken variërend van 125 tot 146 km/u) en/of

-zeer dicht achter andere voertuigen heeft gereden ("kleven") en/of de bestuurder van die voertuigen heeft opgejaagd of opgeduwd en/of

-abrupt van rijstroken heeft gewisseld en/of

-voertuigen rechts heeft ingehaald en/of gevaarlijk heeft ingehaald en/of

-zonder noodzaak zeer krachtig heeft geremd, waardoor een achter hem, verdachte, rijdende bestuurder een aanrijding niet kon voorkomen en moest uitwijken en/of

-hij, verdachte, zijn voertuig niet onder controle kon houden en/of in een slip is geraakt en/of op de rijbaan tot stilstand is gekomen;

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte (op rijstrook 1 en 2) kop- /staartbotsingen en/of aanrijdingen zijn ontstaan waarbij 7 voertuigen waren betrokken en/ of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

2 subsidiair

hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Rotterdam en/ of Den Haag, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/ of het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-binnen de bebouwde kom van de gemeente Den Haag meermalen de maximumsnelheid heeft overschreden (pieken variërend van 60 tot 93 km/u) en/of

-op het traject gelegen tussen de Binckhorstlaan te Den Haag tot aan de locatie op de Rijksweg A16 te Rotterdam (alwaar het voertuig van verdachte betrokken was bij diverse aanrijdingen) meermalen de maximumsnelheid heeft overschreden (pieken variërend van 125 tot 146 km/u) en/of

-zeer dicht achter andere voertuigen heeft gereden ("kleven") en/of de bestuurders van die voertuigen heeft opgejaagd en/of opgeduwd en/of

-abrupt van rijstroken heeft gewisseld en/of zigzaggend heeft gereden en/of

-voertuigen rechts heeft ingehaald en/of gevaarlijk heeft ingehaald en/of

-zonder noodzaak zeer krachtig heeft geremd, waardoor een achter hem, verdachte, rijdende bestuurder een aanrijding niet kon voorkomen en moest uitwijken en/of

-hij, verdachte, zijn voertuig niet onder controle kon houden en/of in een slip is geraakt en/of op de rijbaan tot stilstand is gekomen;

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte (op rijstrook 1 en 2) kop-/ staartbotsingen en/of aanrijdingen zijn ontstaan waarbij 7 voertuigen waren betrokken en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand