Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-007150-22
Datum uitspraak: 30 april 2026
Datum zitting: 16 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],
Advocaat van de verdachte: mr. O.J. Much
Officier van justitie: mr. E.M. Loppé
Benadeelde partij: [benadeelde partij 1]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. J.J.F. Stoffels
Benadeelde partij: [benadeelde partij 2]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.M. Scholten
Kern van het vonnis
De verdachte wordt schuldig bevonden aan het overtreden van artikel 5 WVW door als bestuurder van een personenauto met een aanzienlijk snelheidsverschil een personenauto links in te halen waardoor die auto in de sloot is beland. Hiervoor wordt aan de verdachte een geldboete opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk. De verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde poging doodslag dan wel poging zware mishandeling alsook van bedreiging. De vorderingen van de benadeelde partijen worden niet ontvankelijk verklaard.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling, dan wel bedreiging, dan wel het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg door als bestuurder van een auto met een groot snelheidsverschil in te halen op het moment dat de auto waarin [aangeefster] en [aangever] zich bevonden links af wilde slaan, waardoor die auto in de sloot terecht is gekomen. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van verbale bedreiging van [aangeefster].
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1
primair
zij op of omstreeks 2 januari 2022 te Mookhoek ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] en/ of [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto met kenteken [kenteken 1]) langs een personenauto (met kenteken [kenteken 2]) met daarin voornoemde den [aangeefster] en/of [aangever] heeft gereden en/of (vervolgens) is omgedraaid en/of (vervolgens) achter die auto is aangereden en/of
- ( vervolgens) heeft geprobeerd om kort voor de kruising van de Strijensedijk en/of
de Kooilandsedijk met een aanzienlijk onderling snelheidsverschil die auto links in
te halen en/of
- ( terwijl) die auto doende was op voornoemde kruising linksaf te slaan en/of
- ( vervolgens) tegen die auto is aangebotst en/of aangereden en/of (waardoor) die
auto in een naast het voornoemde kruispunt gelegen sloot terecht is gekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
zij op of omstreeks 2 januari 2022 te Mookhoek [aangeefster] en/of [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met haar auto achter de auto van die den [aangeefster] (met daarin voornoemde den [aangeefster] en/of [aangever]) te rijden en/ of (vervolgens) tegen die auto aan te botsen en/of aan te rijden en/of (waardoor) die auto in een sloot terecht is gekomen;
meer subsidiair
zij op of omstreeks 2 januari 2022 te Mookhoek als bestuurder van een voertuig (een
personenauto met kenteken [kenteken 1]), daarmee rijdende op de weg, (de kruising van) de Strijensedijk en/of de Kooilandsedijk, door
- als bestuurder van voornoemd voertuig langs een personenauto (met kenteken
[kenteken 2]) met daarin [aangeefster] en/of [aangever] te rijden en/of (vervolgens)
om te draaien en/of (vervolgens) achter die auto aan te rijden en/of
- ( vervolgens) te proberen om kort voor de kruising van de Strijensedijk en/of de
Kooilandsedijk met een aanzienlijk onderling snelheidsverschil die auto links in te
halen en/of
- ( daarbij) niet op te merken dat die auto doende was op voornoemde kruising
linksaf te slaan en/of
- ( vervolgens) tegen die auto aan te botsen en/of aan te rijden en/of (waardoor) die
auto in een naast het voornoemde kruispunt gelegen sloot terecht is gekomen, door
welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon
worden veroorzaakt, en/ of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon
worden gehinderd;
2
zij op of omstreeks 2 januari 2022 te Mookhoek [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/ of met zware mishandeling, door die den [aangeefster] meermalen dreigend de woorden toe te voegen: "ik vermoord je" en/of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
2. Bewijsoverweging en gedeeltelijke vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit onder 1. Voor het meer subsidiair tenlastegelegde feit onder 1 en het tenlastegelegde feit onder 2 moet de verdachte volgens de officier van justitie wel worden veroordeeld. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Het primair en subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Ook wordt de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging onder feit 2. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de wisselende verklaringen die in de afgelopen jaren zijn afgelegd en het geheel aan tegenstrijdigheden niet wettig en overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte de ten laste gelegde bedreigingen heeft geuit.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte als bestuurster van een personenauto, een andere personenauto, waar op dat moment [aangeefster] als bestuurster en [aangever] als bijrijder in zaten, heeft ingehaald kort voor de kruising van de Strijensedijk en de Kooilandsedijk waardoor de auto’s in de sloot terecht zijn gekomen en waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer werd gehinderd in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet (WVW).
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik reed op 2 januari 2022 in mijn auto op de Kooilandsedijk in Mookhoek. Ik haalde in. Toen ik naast de auto reed sloeg de auto af naar links. We zijn in de sloot beland. Het was geen handige plek om in te halen. Er kwam ook een bocht naar rechts aan.
2. Proces-verbaal van bevindingen
Op 2 januari 2022 kwamen wij verbalisanten ter plaatse op de Kooilandsedijk in Mookhoek. Wij zagen dat er twee voertuigen in de sloot lagen ter hoogte van de kruising Kooilandsedijk met de Strijensdijk en de Steenplaats in Mookhoek.
3. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster]
Op 2 januari 2022 reed ik in mijn auto. Ik was de bestuurder van de auto en [aangever] zat naast mij op de bijrijdersstoel. (…) Ik reed op de Strijensedijk en ik wilde links afslaan richting de Kooilandsedijk in Strijen. Op het moment dat ik de stuurbeweging naar links maakte zag ik in mijn linkerbuitenspiegel twee koplampen op mij afkomen. (…) Ik hoorde en voelde een grote klap aan de kant van mijn bestuurdersportier.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachteIk ben toen richting [aangever] gereden, toen kwam ik denk ik [aangeefster] onderweg tegen. (…) Ik kwam ze tegen en ben verderop omgedraaid, ik probeerde ze in te halen zodat ze zouden stoppen.
5. Verkeersongevallenanalyse 5 januari 2022
Voertuig 1: personenauto met kenteken [kenteken 1], schade voorzijde gedeukt. Voertuig 2: personenauto met kenteken [kenteken 2], schade linker achterzijde gedeukt. Gezien de schade heeft de aanrijding tussen de betrokken voertuigen met een aanzienlijk onderling snelheidsverschil plaats gevonden.
Bewijsmotivering
Bij de beoordeling of de verdachte gevaarzetting in de zin van het meer subsidiair tenlastegelegde artikel 5 WVW heeft veroorzaakt, moet worden vastgesteld of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd. Voor het oordeel dat door de overtreding gevaar is of kon worden veroorzaakt, is vereist dat sprake was van een reële kans op een ongeval. De omstandigheden van de plaats waar de gedragingen hebben plaatsgevonden en de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers zijn hierbij van belang.
Op basis van de uit de bewijsmiddelen volgende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte met haar personenauto met snelheid op een kruispunt de personenauto heeft ingehaald, terwijl deze auto linksaf wilde slaan. Gelet op de mogelijkheid om linksaf te slaan en de naderende bocht naar rechts is dit een plek die zich niet voor een dergelijke inhaalactie leent. De verdachte heeft op deze wijze gevaar en hinder veroorzaakt dat zich ook heeft verwezenlijkt. De afslaande personenauto met daarin G. en [aangeefster] en [aangever] is – net als de personenauto van de verdachte – in de sloot beland.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het meer subsidiaire tenlastegelegde feit onder 2 heeft begaan.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
meer subsidiair
zij op 2 januari 2022 te Mookhoek als bestuurder van een personenauto (met kenteken [kenteken 1]), daarmee rijdende op de weg, de Strijensedijk en de Kooilandsedijk, door
- als bestuurder van voornoemd voertuig langs een personenauto (met kenteken [kenteken 2]) met daarin [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te rijden en vervolgens om te draaien en vervolgens achter die auto aan te rijden en
- vervolgens te proberen om kort voor de kruising van de Strijensedijk en de Kooilandsedijk met een aanzienlijk onderling snelheidsverschil die auto links in te halen en
- daarbij niet op te merken dat die auto doende was op voornoemde kruising linksaf te slaan en
- vervolgens tegen die auto aan te rijden en waardoor die auto in een naast het voornoemde kruispunt gelegen sloot terecht is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 2
Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het tenlastegelegde feit onder 1 worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, waarvan € 250,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en zich subsidiair – slechts voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen – op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke taakstraf moet worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich op 2 januari 2022 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder. Zij haalde met een aanzienlijk verschil in snelheid in op een plek die zich daar onvoldoende voor leende. Hierdoor is een aanrijding ontstaan waardoor de beide betrokken personenauto’s in de sloot zijn beland.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 12 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van de Reclassering Nederland van 9 december 2025 staat het volgende. De zelfcontrole van de verdachte was mede door de opgebouwde spanning, stress en frustraties dusdanig uit balans dat zij disproportioneel heeft gereageerd op de situatie van destijds. De verdachte heeft inmiddels aandacht voor haar problematiek en krijgt handvatten aangereikt. Het recidiverisico wordt ingeschat op laag.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 3 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van meer dan drie jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf.
Oplegging straf
Straf
Voor overtreding van artikel 5 WVW wordt doorgaans een geldboete al dan niet in combinatie met een kortdurende rijontzegging opgelegd. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de aard en het ernst van het strafbare feit, legt de rechtbank aan de verdachte een geldboete van € 500,- op.
Van de geldboete wordt een bedrag van € 250,- voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
5. Vordering van de benadeelde partijen
Vordering [benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij € 8.025,83 als vergoeding voor materiële schade gevorderd en € 7.500 als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering [benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij € 1.500 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de [benadeelde partij 1] kan worden toegewezen. Voor wat betreft de hoogte van de schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van [benadeelde partij 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de verdachte volgens de officier van justitie moet worden vrijgesproken voor het feit waarvoor de immateriële schadevergoeding is gevraagd.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat vrijspraak is bepleit voor alle feiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit onder 1 en het onder feit 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het bewezenverklaarde meer subsidiaire feit onder 1 kan de rechtbank op dit moment onvoldoende vaststellen in hoeverre de gevorderde schade is ontstaan door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen en hun vorderingen een nader onderzoek en een grondige beoordeling verdienen. De behandeling van de vorderingen levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] dus niet-ontvankelijk in de vorderingen. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vorderingen, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 5 en 177 van de Wegenverkeerswet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde feit onder 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit onder 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Geldboete
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro);
beveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat € 250,- (tweehonderdvijftig euro), van deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vordering benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vorderingen, en begroot deze kosten op nihil.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mrs. H.C. van Vuren en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 april 2026.