ECLI:NL:RBROT:2026:5531

ECLI:NL:RBROT:2026:5531

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 10/204432-25 en 10/227668-25 (gevoegd ttz) en TUL VV: 10/183551-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Jeugd MK. De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag, maar wel twee keer veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie en legt een jeugddetentie op van 150 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk. De duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10/204432-25 en 10/227668-25 (gevoegd ttz)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/183551-22

Datum uitspraak: 12 maart 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2009,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

raadsvrouw mr. T. Sandrk , advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 26 februari 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. A.H.A. de Bruijne, heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Parketnummer 10/204432-25

Vrijspraak zonder nadere motivering (poging doodslag)

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Bewijswaardering (poging tot zware mishandeling)

De rechtbank acht op basis van de inhoud van de uitgewerkte bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die heeft geprobeerd het slachtoffer, [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem te steken met een mes in zijn rug.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Parketnummer 10/227668-25

Vrijspraak zonder nadere motivering (poging doodslag)

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Bewijswaardering (poging tot zware mishandeling)

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de poging tot zware mishandeling, omdat onduidelijk is welk letsel het slachtoffer heeft opgelopen en hoe dit letsel dient te worden gekwalificeerd.

Beoordeling

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte met een machete naar het hoofd van het slachtoffer heeft uitgehaald en hem ook heeft geraakt. Het slachtoffer heeft hierdoor een snijwond op zijn hoofd opgelopen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een bijzonder kwetsbaar en vitaal deel van het menselijk lichaam is. Door met een machete op het hoofd van het slachtoffer te slaan, is er sprake van een aanmerkelijke kans op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Deze gedraging kan bovendien naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen daarvan heeft aanvaard.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) onder parketnummer 10/204432-25 ten last gelegde en het impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) onder parketnummer 10/227668-25 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/204432-25

hij, op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 1]

van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal, met een mes in de rug van die [slachtoffer 1] heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Parketnummer 10/227668-25

hij, op of omstreeks 23 augustus 2025 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 2] ,

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op (de richting

van) het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/204432-25

Poging tot zware mishandeling.

Parketnummer 10/227668-25

Poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd in een korte periode schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten.

De verdachte heeft op 27 juni 2025, terwijl hij in een schorsingstoezicht liep, getracht om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in zijn rug te steken. Kort daarna, op 23 augustus 2025, heeft hij wederom geprobeerd om een andere jongen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een machete op het hoofd van het slachtoffer te slaan. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van slachtoffers. Dat het uiteindelijke letsel bij de slachtoffers relatief beperkt is gebleven, is niet aan de verdachte te danken

Er waren daarbij veel omstanders getuige van de steekpartijen. De rechtbank kan zich voorstellen dat het handelen van verdachte daarom niet alleen bij de slachtoffers, maar ook voor de omstanders grote onrust en gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 februari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Over de situatie rondom de verdenkingen is voldoende informatie bekend om te kunnen constateren dat denkfouten en vaardigheidstekorten van de verdachte een rol hebben gespeeld. De verdachte kan moeilijk reflecteren op zijn eigen handelen en heeft moeite met het (h)erkennen en uiten van emoties. Dit lijkt (deels) samen te hangen met kindeigen problematiek, die bij de verdachte is vastgesteld in een recent afgerond psychologisch onderzoek Pro Justitia. Het voorgaande maakt dat er vooral op de domeinen geestelijke gezondheid, houding en vaardigheden een hoog risico wordt gezien voor de kans op herhaling van strafbaar gedrag. Daarnaast ziet de Raad een verhoogd risico op recidive op de domeinen relaties en agressie. De Raad ziet ook beschermende factoren, vooral op de domeinen gezin en werk/vrije tijd/financiën. De verdachte werkt goed mee aan de bijzondere voorwaarden die hem bij zijn laatste schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd. Uit zowel het recent afgeronde psychologisch onderzoek als uit het contact met de jeugdreclassering komt naar voren dat de verdachte behoefte heeft aan strakke kaders en duidelijke afspraken. Het huidige verscherpt toezicht in de vorm van een gps-enkelband is daarbij helpend. Dit helpt niet alleen om de kans op recidive te verlagen, maar beschermt de verdachte evenzeer, gelet op zijn kwetsbaarheid.

De Raad vindt het van belang om nu alles op alles te zetten om de kans op recidive te verlagen. De door de jeugdreclassering ingezette coaching vanuit Totaalaanpak is een goede stap. Daarnaast denkt de Raad dat voorlopige handhaving en uitbreiding van verscherpt toezicht, in de vorm van de Harde Kern Aanpak, naast elektronische monitoring passend is.

De Raad adviseert dan ook een jeugddetentie op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. De Raad vindt het niet in het belang van de verdachte dat hij weer terug zou moeten naar de jeugdgevangenis. De verdachte is een kwetsbare en beïnvloedbare jongen, die in de jeugdgevangenis een groot risico loopt op verdere schade in zijn ontwikkeling. Binnen de kaders van de bijzondere voorwaarden kan de verdachte aan zijn verdere ontwikkeling toekomen. De Raad vindt het daarbij verder van belang dat de verdachte zich ervoor inspant om zo snel mogelijk een nieuwe school te vinden, en dat hij vervolgens ook conform rooster naar school en/of stage gaat. Tot slot is van belang dat hij meewerkt aan het behouden van een positieve vrijetijdsbesteding. De Raad adviseert de rechtbank verder om te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Voorkomen moet worden dat het intensieve toezicht en het strakke kader wegvallen als de verdachte via zijn advocaat hoger beroep instelt. Tot slot is de Raad van mening dat, bij een veroordeling, een onvoorwaardelijke werkstraf aanvullend gepast is omdat de verdachte dan meer direct de consequenties ervaart van zijn gedrag.

Psycholoog [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 november 2025. Dit rapport houdt – kort samengevat – het volgende in:

Bij de verdachte is sprake van een psychische stoornis in de vorm van autistiforme trekken (andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis) en een verstandelijke handicap in de vorm van een licht verstandelijke beperking. Er zijn voorzichtig enkele verbanden tussen de diagnoses en het ten laste gelegde te leggen. De licht verstandelijke beperking heeft tijdens de beide ten laste gelegde feiten er mede voor gezorgd dat de verdachte de gevolgen van zijn handelen niet kon overzien en dit impulsief gedrag stimuleerde. Eveneens leidt de licht verstandelijke beperking ertoe dat er minder adequate oplossingsvaardigheden zijn en vergroot dit de kans voor de verdachte om terug te vallen in bekend gedrag. Vanuit de autistiforme trekken is het voor de verdachte uiterst lastig om zich in te leven in de gevoelens van het slachtoffer en remt dit zijn gedrag niet. Daarnaast is er sprake geweest van een rigide overtuiging dat anderen zich zullen bewapenen en dit wapen ook zullen gebruiken, naast de moeite die de verdachte heeft met veranderende (of onverwachte) omstandigheden. Ook dit kan ervoor zorgdragen dat de verdachte in oud gedrag vervalt. Gezien bovenstaande wordt geadviseerd om het ten laste gelegde de verdachte, indien bewezen verklaard, in een verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op agressief grensoverschrijdend gedrag wordt ingeschat als matig tot hoog. Om het recidiverisico te verlagen, is een intensief traject met betrokkenheid van de familie van de verdachte en hulpverlening nodig. Er dient sprake te zijn van externe begrenzing en toezicht op onder meer de vrijetijdsbesteding en sociale contacten. In onderlinge afstemming met alle betrokkenen dient een plan opgesteld te worden waarin de verdachte met kleine stappen kan toewerken naar het verkrijgen van meer vrijheden. Dit is mogelijk binnen een deels voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden. Als bijzondere voorwaarden kan gedacht worden aan een avondklok en een gebiedsverbod al dan niet met elektronische controlemiddelen. Eveneens is de inzet van een jeugdreclasseringswerker vanuit de William Schrikker Groep aangewezen alsmede een begeleidende organisatie die de verdachte en de familie kan ondersteunen.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door haar bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een psychische stoornis en een verstandelijke handicap in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en op de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte.

De rechtbank volgt de eis van de Officier van Justitie en legt een jeugddetentie op van 150 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk. De duur van het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Een terugkeer naar de jeugdgevangenis is, zoals de Raad ook heeft geadviseerd, niet in het belang van de ontwikkeling van de verdachte, en daarmee ook niet in dat van de samenleving.

Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden, overeenkomstig het advies van de Raad. De rechtbank acht deze voorwaarden noodzakelijk om verdachte te begeleiden en het risico op recidive te beperken.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de slachtoffers. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de psycholoog en de Raad, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 28 november 2023 van de kinderrechter van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 60 uren, waarvan een gedeelte groot 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 13 december 2023 en liep tot 23 januari 2026.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de Raad waaruit volgt dat het voor de verdachte goed is als hij een taakstraf moet uitvoeren.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair (poging doodslag) ten laste gelegde onder parketnummer 10/204432-25 en het impliciet primair (poging doodslag) onder parketnummer 10/227668-25 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling)

onder parketnummer 10/204432-25 ten last gelegde en het impliciet subsidiair (poging tot

zware mishandeling) onder parketnummer 10/227668-25 ten laste gelegde, zoals hiervoor

omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 100 (honderd dagen), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op de bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissingen geschorst;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 28 november 2023 in de zaak met parketnummer 10/183551-22.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J. Groot en L.W.M. Hendriks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2026.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/204432-25

hij, op of omstreeks 27 juni 2025 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 1]

van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal, met een mes in de rug van die [slachtoffer 1] heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Parketnummer 10/227668-25

hij, op of omstreeks 23 augustus 2025 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 2] ,

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met een machete, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op (de richting

van) het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand