ECLI:NL:RBROT:2026:5553

ECLI:NL:RBROT:2026:5553

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 10-220337-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling poging doodslag op zijn moeder, mishandeling en poging zware mishandeling van politieagenten tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden tot een gevangenisstraf van 18 maanden, tbs met voorwaarden en GVM-maatregel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-220337-25

Datum uitspraak: 28 april 2026

Datum zittingen: 7 april 2026 en 28 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] ,

preventief gedetineerd in [detentieadres] .

Advocaat van de verdachte: mr. M.J.R. Roethof

Officier van justitie: mr. drs. D.P.L. Ter Laak

Benadeelde partij: [benadeelde partij 1] , gemachtigde: [naam 1]

Benadeelde partij: [benadeelde partij 2] , gemachtigde: [naam 2]

Benadeelde partij: [benadeelde partij 3] , gemachtigde: [naam 2]

Benadeelde partij: [benadeelde partij 4] , gemachtigde: [naam 2]

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn moeder. Verder heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling en meermalen poging tot zware mishandeling van politieagenten tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden. De verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. Daarnaast wordt tbs met voorwaarden en een GVM-maatregel opgelegd.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van poging tot doodslag op zijn moeder [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en mishandeling en meermaals poging tot zware mishandeling van politieagenten. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:

1.hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkeen ander, te weten [slachtoffer 1] (zijnde verdachtes moeder),van het leven te beroven,althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- die [slachtoffer 1] tegen een verwarming, in elk geval een hard voorwerp, aanheeft geworpen en/of- die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft gestompt en/of- tegen de borst van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of- op de rug en borstkas van die op de grond liggende [slachtoffer 1] is gaan staan/ heeft gestaan en/of- die [slachtoffer 1] met een of meer stokken heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn/haar bediening, te weten [slachtoffer 2] , opsporingsambtenaar van de politieEenheid Rotterdam,opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen(met kracht) een deur van een wasmachine naar, althans in de richting van, die [slachtoffer 2][slachtoffer 2] heeft gegooid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn/haar bediening, te weten [slachtoffer 3] , opsporingsambtenaar van de politie EenheidRotterdamopzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengendie [slachtoffer 3] met een stok, in elk geval een hard voorwerp, op het hoofd geslagen heeft,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn/haar bediening, te weten [slachtoffer 4] , opsporingsambtenaar van de politieEenheid Rotterdamopzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen(met kracht) een grote spiegel naar, althans in de richting van, (het hoofd van) die[slachtoffer 4] heeft gegooid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.hij op of omstreeks 30 juli 2025 te Dordrecht,[slachtoffer 5] , opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Rotterdam,heeft mishandeld, door die [slachtoffer 5] een schoen, in elk geval een hard voorwerp,tegen het hoofd te gooien,terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake vande rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor feit 1 impliciet primair en feiten 2, 3, 4 en 5.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 1 impliciet primair en van de feiten 2, 3 en 4. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair en feit 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden. Daarnaast is bewezen dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat hij S.P.J.B.W. Hesselsmans heeft mishandeld, waarbij deze feiten zijn gepleegd tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden als politieagent. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

Feit 1

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]Ik doe aangifte tegen mijn zoon [verdachte] . Hij kwam onaangekondigd langs bij mij thuis in Dordrecht. Hij kwam steeds op mij af en ik duwde hem steeds weg. Mijn zoon is verantwoordelijk voor mijn verwondingen. Ik heb verwondingen aan mijn hoofd. Ik heb ook letsel aan mijn rug en borstkast. Daar heeft hij bovenop gestaan. Hij heeft zijn linkerarm om mijn nek geslagen in een verwurging. Hij ging los op mij. Hij wierp mij met mijn hoofd tegen de verwarming aan. Ik had ook gekneusde ribben, doordat hij mij daar schopte en hij op mij ging staan. Het letsel in mijn gezicht kwam door met zijn vuist te stoten. Hij droeg ringen.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring politieagenten [agent 1] en [agent 2]Op 30 juli 2025 zagen wij door het keukenraam van de woning aan de [adres 2] de verdachte tevoorschijn komen met stokken in zijn handen. Wij zagen dat de verdachte met de stokken op de vrouw begon in te slaan. Wij zagen dat de vrouw, op wie de verdachte insloeg, roerloos op de grond lag. Zij maakte geen geluid en wij zagen haar niet bewegen. Plotseling zagen wij door het raam in de voordeur een hoofd. Het slachtoffer deed een laatste poging om de deur te openen, zodat zij kon vluchten. Toen dit gebeurde, zagen wij dat de verdachte het slachtoffer van achteren in een wurggreep pakte en naar achteren trok. Wij hoorden het slachtoffer gillen en om hulp roepen. Wij zagen dat de verdachte tijdens het rammen van de deur, met spullen naar ons gooide door het keukenraam heen. Na meerdere klappen tegen de deur kregen wij deze open. Wij zagen de vrouw roerloos op de grond liggen.

3. Schriftelijk stuk, Forensisch Medische Letselrapportage [slachtoffer 1]1. In het gezicht worden zes oppervlakkige (scheur-)verwondingen gezien.2. Op zowel de rechterzijde van het voorhoofd als de linkerzijde van het voorhoofd wordt een donkere huidverkleuring met zwelling gezien.3. Op de linker wang worden twee huidbeschadigingen gezien.4. In het oogwit van het linker oog wordt een vlekkerige rode verkleuring gezien.5. Vlak boven de rechter kaak wordt een ronde paarse huidverkleuring gezien.6. Op de hoofdhuid aan de rechterzijde wordt een huidbeschadiging met grillige wondranden gezien.7. Op het bovenste gedeelte van de voorzijde van de romp aan de rechterzijde worden twee ronde en ovale paars-rode huidverkleuringen gezien.8. Op het bovenste gedeelte van de voorzijde van de romp worden twee streepvormige rode huidverkleuringen met onderbroken huidbeschadigingen gezien.9. Op het bovenste gedeelte van de voorzijde van de romp boven de linker borst wordt een streepvormige huidbeschadiging met grillige wondranden en wisselend in diepte gezien.10. Op het bovenste gedeelte van de voorzijde van de romp boven de linker borst, circa 2,5 cm onder het letsel beschreven bij 9), wordt een lijnvormige onregelmatige huidbeschadiging gezien.11. Op de linker borst wordt een lijnvormige huidbeschadiging gezien.12. Aan de handpalmzijde van de rechter pols wordt een onregelmatige lijnvormige huidbeschadiging gezien in de lengterichting verlopend.13. Op de buigzijde van de rechter onderarm wordt een paars-groene huidverkleuring gezien in de lengterichting verlopend.14. Op de zijkant van de linker schouder wordt een ovale donkere huidverkleuring gezien.15. Op de handrug van de rechter hand wordt een stipvormige huidbeschadiging gezien.16. Op het rechter scheenbeen wordt een lijnvormige huidbeschadiging gezien.17. Op de zijkant van het rechter onderbeen, aan de kleine teenzijde worden twee onregelmatige lijnvormige huidbeschadigingen gezien.18 Op de linker heup wordt een vlekkerige paars-rode huidverkleuring gezien.19. Op de linker bil wordt een vlekkerige paarse huidverkleuring gezien.20. Op de linker bil. tegen het letsel aan beschreven bij 19), wordt een onregelmatige huidbeschadiging gezien.21 Op de binnenzijde van zowel de boven- als de onderlip worden aan weerskanten van de middenlijn van de lippen twee paars-rode huidverkleuringen gezien.22. Er wordt een afgebroken voorste snijtand links gezien.23. Eén voorste onder snijtand is abnormaal beweeglijk.24. [slachtoffer 1] gaf klachten aan welke passend zijn bij kneuzing van de ribben links onder de borst.De letsels beschreven bij 1 zijn meest waarschijnlijk scheurverwonding. Het letsel beschreven bij 6 is passend bij een scheurverwonding. De letsels beschreven bij 2, 5, 7, 13, 14, 18 en 19 zijn passend bij bloeduitstortingen. De letsels beschreven bij 3 en 20 zijn passend bij schaafverwondingen. De letsels beschreven bij 9 t/m 12, 15 en 16 zijn passend bij krasverwondingen. De letsels beschreven bij 8 en 17 zijn passend bij schaaf- dan wel krasverwondingen. Het letsel beschreven bij 4 is passend bij een oogwitbloeding. Het letsel beschreven bij 21 is passend bij tand tegen de lip letsel.Een scheurverwonding ontstaat door kantig, stomp, hoekig of puntig geweld, wanneer de inwerkende kracht de weefselsterkte overtreft, bijvoorbeeld door hard stoten, vallen op of tegen een hard kantig, vlak, hoekig of puntig voorwerp/uitsteeksel of oppervlak. Een scheurverwonding kan ook van binnenuit het lichaam ontstaan, bijvoorbeeld door overrekking of door scherpe botbreukranden. Een bloeduitstorting ontstaat door inwerking van uitwendig stomp, samendrukkend, omsnoerend of botsend geweld, of zuigkracht, bijvoorbeeld door stoten, schoppen, slaan met of tegen een hard voorwerp, krachtig vastpakken of zuigen. Een schaafverwonding ontstaat door een schuivende krachtinwerking of druk op de huid, waarbij de opperhuid over een zekere afstand wordt afgeschraapt, zoals bij schuren over een hard oppervlak of schuiven van een min of meer ruw oppervlak of voorwerp over de huid. Een krasverwonding is lijnvormig letsel dat ontstaat door een schuivende krachtinwerking of druk op de huid, waarbij de opperhuid over een zekere afstand wordt afgeschraapt, zoals bij schuren over een hard oppervlak of schuiven van een min of meer ruw oppervlak of voorwerp over de huid. Een oogwitbloeding is een bloeding direct onder de slijmvliesbekleding van de buitenzijde van de oogbol en de binnenzijde van de oogleden. Een oogwitbloeding ontstaat door onder andere trauma, bloedverdunners of verhoogde druk (zoals hoge bloeddruk, flink hoesten, braken of persen). Tand door/tegen de wang letsel ontstaat door de uitoefening van een stompe kracht op de wang. Door de kracht botst een tand (of meerdere tanden) tegen het slijmvlies van de wang.

Feit 2

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever politieagent [agent 3]

Tijdens mijn werkzaamheden binnen de politie Eenheid Rotterdam, is op 30 juli 2025 aan de [adres 2] tijdens de aanhouding van de verdachte met kracht een deur van een wasmachine naar mij gegooid. De verdachte stond op dat moment op een verdieping boven mij en gooide dit met grote kracht naar beneden.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van politieagent [agent 3]

Ik zag en voelde dat een wasmachinedeur tegen mijn schouder aankwam.

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring van de verdachte

De politiehond kwam en de politie kwam ook dichterbij. Ik heb een wasmachinedeur richting de trap gegooid.

Feit 3

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever politieagent [agent 4] Tijdens mijn werkzaamheden binnen de politie Eenheid Rotterdam ben ik op 30 juli 2025 aan de [adres 2] tijdens de aanhouding van de verdachte met een stok op mijn hoofd geslagen.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van politieagent [agent 5]

Ik zag dat de verdachte de stok met beide handen vast had. Ik zag dat hij deze stok boven zijn hoofd vasthield, waarbij hij deze achter zijn rug hield. Hij sloeg direct hierop met volle kracht bovenop het hoofd van [agent 4] .

Feit 4

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring van politieagent [agent 6]

Op woensdag 30 juli 2025 reed ik, werkzaam bij politie Eenheid Rotterdam, naar de [adres 2] . Ik zag dat de verdachte verder de trap af kwam. Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand een enorme zwaai maakte met de spiegel, die met onvoorstelbare snelheid door de lucht vloog. De spiegel kwam recht op mijn gezicht af. Ik reageerde op zijn zwaai en wendde direct mijn gezicht snel af en bewoog snel naar achteren om niet geraakt te worden. De spiegel ging rakelings langs mijn gezicht en klapte tegen de zijkant van de deurpost kapot. Ik voelde kleine glassplinters langs mijn hoofd vliegen en merkte later op dat ik glas in mijn haren had.

Feit 5

1. Proces-verbaal van de politie, verklaring van politieagent [agent 7]

Op 30 juli 2025 was ik werkzaam voor basisteam Drechtsteden Binnen. Vanuit de woning aan de [adres 2] werd door de verdachte een voorwerp naar buiten gegooid. Ik voelde dat het voorwerp de linkerkant van mijn hoofd ter hoogte van mijn wenkbrauw en neus raakte. Ik voelde hierna een drukkende pijn op de plek waar het voorwerp de linkerzijde van mijn hoofd raakte. Ik keek op de grond en zag dat er een schoen lag.

Bewijsmotivering

Feit 1 impliciet primair (poging tot doodslag [slachtoffer 1] )

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangeefster, want door zijn psychose wist hij niet wat hij deed. De rechtbank volgt dit verweer niet.

De verdachte is onderzocht door de deskundigen [naam 3] (psychiater) en [naam 4] (psycholoog). Deze deskundigen hebben vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de feiten leed aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Tevens zijn bij de verdachte stoornissen in het gebruik van cannabis, ketamine en cocaïne vastgesteld. De deskundigen hebben geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.

De aanwezigheid van een psychische stoornis ten tijde van de ten laste gelegde feiten, brengt niet zonder meer mee dat het opzet ontbreekt. Dit is slechts anders indien wordt aangenomen dat de verdachte ten gevolge van die stoornis geen enkel inzicht had in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet voor, nu uit de bevindingen van de deskundigen niet volgt dat bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak, maar slechts dat de feiten door de stoornis hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Door aangeefster tegen een verwarming te werpen, haar in het gezicht te stompen, tegen de borst te schoppen, op haar te staan en met stokken te slaan, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de aangeefster in het leven geroepen. Dit handelen was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van de dood van de aangeefster, dat het niet anders kan dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde poging tot doodslag heeft gepleegd.

Feiten 2, 3 en 4 (poging tot zware mishandeling politieagenten)

De verdediging heeft voor deze feiten aangevoerd dat de verdachte ten gevolge van zijn psychose zich niet bewust was van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van de politieagenten. Hij had daarom geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de politieagenten.

Dit verweer komt inhoudelijk overeen met het hiervoor gevoerde verweer ten aanzien van feit 1 impliciet primair. Om dezelfde redenen als vermeld in de bewijsmotivering bij feit 1 impliciet primair volgt de rechtbank dit verweer niet. De gedragingen van de verdachte zoals genoemd in de verklaringen van de politieagenten kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van de politieagenten dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde pogingen tot zware mishandeling van de politieagenten heeft gepleegd.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

1.

hij op 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijk[slachtoffer 1] (zijnde verdachtes moeder),van het leven te beroven,

- die [slachtoffer 1] tegen een verwarming aanheeft geworpen en- die [slachtoffer 1] in het gezicht heeft gestompt en- tegen de borst van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en- op de rug en borstkas van die op de grond liggende [slachtoffer 1] heeft gestaan en- die [slachtoffer 1] met stokken heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn bediening, te weten [slachtoffer 2] , opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Rotterdam,opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengenmet kracht een deur van een wasmachine naar die [slachtoffer 2] heeft gegooid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.hij op 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn bediening, te weten [slachtoffer 3] , opsporingsambtenaar van de politie EenheidRotterdamopzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengendie [slachtoffer 3] met een stok op het hoofd geslagen heeft,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.hij op 30 juli 2025 te Dordrechtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanzijn bediening, te weten [slachtoffer 4] , opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Rotterdamopzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengenmet kracht een grote spiegel naar het hoofd van die[slachtoffer 4] heeft gegooid,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.hij op 30 juli 2025 te Dordrecht,[slachtoffer 5] , opsporingsambtenaar van de politie Eenheid Rotterdam,heeft mishandeld, door die [slachtoffer 5] een schoentegen het hoofd te gooien,terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake vande rechtmatige uitoefening van haar bediening.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren het volgende strafbare feiten op:

Feit 1 impliciet primair

poging tot doodslag;

Feit 2

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 3

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 4

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Feit 5

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar. In paragraaf 4.3.2 zal de rechtbank ingaan op de mate van toerekenbaarheid van de verdachte.

4. Straf en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten 1 impliciet primair, 2, 3, 4 en 5 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden worden opgelegd, waarbij de voorwaarden dienen te worden vastgesteld conform het reclasseringsadvies van 11 maart 2026, met dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel. Verder moet de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De hulpverlening moet voorop staan en de verdachte wil meewerken aan de maatregelen. De verdediging verzoekt de rechtbank bij de strafmaat rekening te houden met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. In het geval van een veroordeling zou daarom naast de maatregelen hoogstens een gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest een passende straf zijn, zodat de verdachte snel naar een kliniek kan gaan.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere geweldsfeiten: een poging tot doodslag op zijn moeder, de mishandeling en meermaals de poging tot zware mishandeling van verschillende politieagenten tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden. Zowel zijn moeder als de politieagenten zijn geconfronteerd met het zeer gewelddadige handelen van de verdachte. De verdachte was ten tijde van de huidige feiten psychotisch als gevolg van harddrugsgebruik. Hij heeft in mei 2024 ook al een periode doorgemaakt van heftige psychotische ontregeling na harddrugsgebruik en wist dus dat hij daarvan psychotisch kon worden met gewelddadig gedrag als gevolg. Desondanks is hij toch weer gestart met harddrugs.

Door zijn handelen heeft de verdachte ernstig leed toegebracht aan in de eerste plaats zijn moeder, zoals ook is gebleken uit haar slachtofferverklaring ter zitting. Ondanks dat zij haar zoon kan vergeven voor zijn gedragingen, blijft zij dagelijks geconfronteerd met de gevolgen daarvan en hebben de ernstige geweldsfeiten haar leven blijvend beïnvloed.

Daarnaast heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de politieagenten die slachtoffer zijn geworden van de gedragingen van de verdachte tijdens zijn aanhouding. Van politieagenten mag weliswaar enige weerbaarheid worden verwacht, maar het geweld dat de verdachte met buitensporige kracht en zonder enige terughoudendheid heeft toegepast, heeft de politieagenten ernstig belast. Dusdanig geweld tegen beroepsbeoefenaren is een ernstig probleem wat grote gevolgen heeft voor de samenleving en wat niet kan worden getolereerd. Dit gedrag rekent de rechtbank de verdachte dan ook in hoge mate aan. Daarnaast geldt dat het juist aan het adequate en professionele optreden van de politieagenten is te danken dat de gevolgen voor zijn moeder niet (nog) ernstiger zijn geweest.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder recent onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.

Rapporten van deskundigen en de reclassering

In het rapport van [naam 3] (psychiater) van 23 december 2025 staat het volgende.

De verdachte leed ten tijde van het tenlastegelegde aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, namelijk een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. Tevens zijn er stoornissen in het gebruik van cannabis, ketamine en cocaïne. De ten laste gelegde feiten, mochten deze bewezen worden geacht, zijn in verminderde mate (op een 3-puntsschaal) toe te rekenen. De verdachte heeft in mei 2024 ook een periode doorgemaakt van bijzonder heftige psychotische ontregeling na harddrugsgebruik, waarbij hij werd opgenomen met een crisismaatregel. De verdachte is desondanks weer gestart met harddrugsgebruik.

De verdachte functioneert nu zonder evidente psychotische symptomen, weliswaar met medicatie, binnen de huidige structuur. De verdachte geeft aan nu wel doordrongen te zijn van de relatie tussen problematisch middelengebruik en de risico’s op psychotische ontregeling. De verdachte accepteert de antipsychotische medicatie en geeft aan open te staan voor behandeling. Echter, het functioneren in de tijd, bij het wegvallen van structuur en het optreden van stressoren, zal dienen te worden gemonitord om de diagnostische overwegingen in de psychotische etiologie verder te verduidelijken en daarmee het risico op decompensatie en daarbij delict gedragingen te voorkomen.

De verdachte is echter ook zonder psychotische ontregeling in aanraking gekomen met justitie wegens geweldsdelicten. De verdachte lijkt daarbij in een specifieke samenhang van psychosociale stressoren, zoals confrontaties en teleurstellingen, in verminderde mate in staat om tijdens deze gebeurtenissen zijn emoties, agressie en impulsen te reguleren. Ook hierbij is verdere diagnostische duidelijkheid geboden. Het recidiverisico wordt als matig tot hoog ingeschat buiten de huidige, gecontroleerde omstandigheden. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, waarbij wederom ten tijde van de tenlastelegging sprake was van een grote mate van zorgwekkende ontregeling. Ten opzichte van de huidige ten laste gelegde feiten herkent de verdachte de invloed van de stresserende psychosociale situatie en het middelengebruik op de ontwikkeling van zijn psychotische denkbeelden. Het zich onthouden van middelengebruik, maar ook aanvullend zicht op de ontwikkeling van psychotische symptomatologie wordt dan ook gezien als essentiële factor om probleemgedragingen te voorkomen.

Gezien de complexiteit van de pathologie en het recidiverisico, waarbij de heftigheid van de

escalatie indrukwekkend is geweest, is het van belang dat de behandeling in een stevig kader wordt vormgegeven. Het advies is daarom om de behandeling binnen het kader van een tbs te laten plaatsvinden. Een tbs met voorwaarden wordt op dit moment haalbaar geacht. De verdachte geeft aan zich aan voorwaarden te willen houden rondom plaatsing in een klinische setting en resocialisatie. De verdachte ziet daarbij ook een eventuele plaatsing binnen een tbs met dwangverpleging als belangrijke stok achter de deur, die hij wil voorkomen. Daarbij wordt met name een afdoende duur van begeleiding en controle noodzakelijk geacht, waarbij er aandacht dient te zijn voor een gedegen resocialisatietraject en het zich langdurig onthouden van problematisch middelengebruik. In dit kader wordt geadviseerd om bij de uitspraak van het vonnis een GVM-maatregel op te leggen die na de periode van tbs met voorwaarden getoetst en ten uitvoer gelegd zou kunnen worden.

In het rapport van [naam 4] (psycholoog) van 24 december 2025 staat het volgende.

Bij de verdachte is sprake van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Hierdoor is sprake van een psychotische kwetsbaarheid. De verdachte is gevoelig voor stress en spanningen en onder invloed van drugs kan hij snel ontregelen. Op basis van de beschikbare gegevens kan hij dan manisch-psychotisch ontregelen, waardoor ontremd gedrag en agressief gedrag zich kunnen voordoen. Er zijn meerdere incidenten geweest waarbij sprake was van forse agressie bij de verdachte, waar vermoedelijk een manisch-psychotische ontregeling aan ten grondslag lag. Daarnaast is sprake van stoornissen in het gebruik van middelen. Door het gebruik van deze middelen is er een groter risico op psychotische ontregeling bij de verdachte (ook tijdens het tenlastegelegde).

De ten laste gelegde feiten, indien bewezen geacht, zijn in verminderde mate toe te rekenen. Hoewel de verdachte in de manisch-psychotische toestand waarin hij verkeerde zijn gedrag niet goed kon reguleren en niet goed kon overzien wat de gevolgen waren van de keuzes die hij maakte, valt het hem aan te rekenen dat hij in eerste instantie weer begon met het experimenteren met drugs. Op basis van zijn eerdere psychotische ontregeling en crisisopname na druggebruik had hij kunnen weten dat aan het gebruik van drugs grote risico’s kleven, zoals een psychotische ontregeling.

In het geval de verdachte geen behandeling volgt (zowel therapeutisch als medicamenteus) gericht op de aanwezige problemen zoals zijn psychotische kwetsbaarheid, neiging tot risicovol middelengebruik, ontoereikende emotieregulatie en coping stijl, is de kans op recidive van de manisch-psychotische klachten, gepaard gaande met hevige woede en agressie, matig tot hoog.

Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, adviseert de psycholoog om bovengenoemde behandeling te laten vormgeven in het kader van een tbs met voorwaarden. Ook adviseert de psycholoog om een GVM-maatregel op te leggen, zodat de verdachte na het aflopen van de tbs-maatregel zo nodig voor langere tijd gemonitord kan worden door de reclassering en forensische zorg kan ontvangen.

In het maatregelenadvies van Verslavingsreclassering GGZ van 11 maart 2026 staat het volgende.

Het is een zorgelijke ontwikkeling dat de delicten waarvan de verdachte wordt verdacht, steeds ernstiger worden. De verdachte is gedurende de afgelopen jaren eerder in aanraking gekomen met de politie vanwege verward gedrag. De verdachte lijkt zelf geen goed zicht te hebben op de mate van psychotische ontregeling. De kans op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. De grootste risicofactoren betreffen middelengebruik, het psychosociaal functioneren van de verdachte en zijn houding.

De reclassering adviseert positief over tbs met voorwaarden met de voorwaarden zoals hierna in het dictum omschreven. De reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan deze voorwaarden.

De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. Daarnaast adviseert de reclassering een GVM-maatregel.

Toerekenbaarheid

Op basis van de rapporten van [naam 3] (psychiater) en [naam 4] (psycholoog), stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Oplegging straf en maatregelen

Straf

Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een andere soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen; zij vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd. De rechtbank acht een hogere straf dan door de officier van justitie geëist passend, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, waarbij de rechtbank ook bijzonder gewicht toekent aan het forse geweld tegen de politieagenten.

De verdediging heeft gezien de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte verzocht te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Hoewel de rechtbank rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte in strafmatigende zin, ziet zij, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, geen aanleiding om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden

De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld.

Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis. Tevens zijn er stoornissen in het gebruik van cannabis, ketamine en cocaïne. Daarnaast zijn de feiten misdrijven waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan de voorwaarden, zoals hierna bij de beslissing worden genoemd.

De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven.

Aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, is het noodzakelijk dat de voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. Daarom bepaalt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank legt de terbeschikkingstelling op, omdat de verdachte met de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1 impliciet primair), de poging tot zware mishandeling van politieagenten (feiten 2, 3, en 4) en de mishandeling van een politieagent (feit 5) meerdere misdrijven heeft gepleegd die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. De eventuele terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom langer duren dan vier jaar.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Wetboek van Strafrecht)

Om de algemene veiligheid van personen te beschermen, legt de rechtbank een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op. Het is noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld, omdat langdurig aandacht dient te zijn voor een gedegen resocialisatietraject en het zich langdurig onthouden van problematisch middelengebruik. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 11 maart 2026.

Ook aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. De verdachte wordt namelijk ter beschikking gesteld.

5. Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van de dag waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling in een zorginstelling zal worden opgenomen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs zijn verbonden.

Die schorsing houdt verband met de op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.

6. Vorderingen van de benadeelde partijen

Vordering [benadeelde partij 1]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 4.178,- als vergoeding voor materiële schade en € 8.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering [benadeelde partij 2]

heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 1000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering [benadeelde partij 3]

heeft als benadeelde partij voor feit 4 € 500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vordering [benadeelde partij 4]

heeft als benadeelde partij voor feit 5 € 150,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

Alle vorderingen kunnen integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De hoogte van de vordering van de [benadeelde partij 1] betreffende de immateriële schade dient te worden gematigd, omdat vrijspraak van feit 1 impliciet primair is bepleit. De verdediging refereert zich ten aanzien van het overige – ook met betrekking tot de andere vorderingen – aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vordering [benadeelde partij 1]

6.7.1.1. Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de [benadeelde partij 1] rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 impliciet primair gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 4.178,- als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

6.7.1.2. Immateriële schade

De [benadeelde partij 1] heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 impliciet primair rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor zij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van haar immateriële schade.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 8.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 8.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

6.7.1.3. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij 1] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 juli 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de [benadeelde partij 1] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 88 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 2]

6.7.2.1. Immateriële schade

De [benadeelde partij 2] heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast, waardoor zij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van haar immateriële schade.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

6.7.2.2. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij 2] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 juli 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de [benadeelde partij 2] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 3]

6.7.3.1. Immateriële schade

De [benadeelde partij 3] heeft als gevolg van het strafbare feit onder 4 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in haar persoon aangetast, waardoor zij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van haar immateriële schade.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

6.7.3.2. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij 3] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 juli 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de [benadeelde partij 3] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [benadeelde partij 4]

6.7.4.1. Immateriële schade

De [benadeelde partij 4] heeft als gevolg van het strafbare feit onder 5 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 150,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 150,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

6.7.4.2. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij 4] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 30 juli 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de [benadeelde partij 4] heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57, 287, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 5, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregelen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

tbs-maatregel

beveelt dat de verdachte voor de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

3. als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

4. de verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

5. de verdachte laat zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door FPK Fivoor, of een soortgelijke instelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

6. de verdachte laat zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, behandelen door een nader te bepalen forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De ambulante behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling, welke is gericht op de problematiek zoals door de zorgverlener wordt vastgesteld. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

7. Indien de reclassering het nodig vindt, verblijft de verdachte gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een forensische instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

8. de verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

9. de verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

10. de verdachte zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct noch indirect – contact met de [aangeefster] in onderhavige zaak, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;

11. de verdachte bevindt zich niet op de Merwekade, Bolwerk, Torenstraat en Bleijenhoek te Dordrecht noch in het tussenliggende gebied, conform het aangehechte kaartje in bijlage I;

geeft aan Verslavingsreclassering GGZ opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

Gedragsbeïnvloedende maatregel (art. 38z Sr)

legt de verdachte voor de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

Voorlopige hechtenis

beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de terbeschikkinggestelde zich heeft laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

De rechtbank stelt daarbij dezelfde voorwaarden als die zijn verbonden aan de tbs met voorwaarden, zoals hierboven met nummers 1 tot en met 11 aangeduid.

Vordering [benadeelde partij 1]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 12.678,-, bestaande uit € 4.178,- als vergoeding van materiële schade en € 8.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 12.678,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 88 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

Vordering [benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 1.000,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

Vordering [benadeelde partij 3]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 3] , te betalen een bedrag van € 500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 4 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3] aan de staat € 500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

Vordering [benadeelde partij 4]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 4] , te betalen een bedrag van € 150,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 30 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 5 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 4] aan de staat € 150,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 30 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

en mrs. H.C. van Vuren en J. Langeveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 28 april 2026.

De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I – locatieverbod (bijzondere voorwaarde, nummer 11)

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Joele

Griffier

  • mr. C.M. Turfboer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand