ECLI:NL:RBROT:2026:5558

ECLI:NL:RBROT:2026:5558

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 15-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer ROT 25/1121
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wijziging brp. Beroep gegrond. Eiser wenst zijn persoonsgegevens (geboorteplaats, geboorteland en nationaliteit) in de basisregistratie personen (brp) te wijzigen. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het college paspoort ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten terwijl aan een paspoort grote bewijswaarde toekomt. Stukken moeten opnieuw worden beoordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1121

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het verzoek van eiser om gegevens over zijn burgerlijke staat en nationaliteit te wijzigen in de basisregistratie personen (brp). Het college weigert de wijziging omdat wordt getwijfeld aan de juistheid van de nieuwe gegevens. Eiser is het niet eens met de weigering van het verzoek. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte het paspoort niet heeft betrokken bij de beoordeling van het verzoek van eiser, terwijl in het internationale rechtsverkeer aan een paspoort grote bewijswaarde toekomt. De rechtbank oordeelt dat het college een nieuw besluit moet nemen waarbij het paspoort en de andere ingebrachte documenten moeten worden betrokken. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft verzocht gegevens over zijn burgerlijke staat en nationaliteit te wijzigen in de brp. Het college heeft het verzoek met het besluit van 18 juni 2024 geweigerd. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, V. Emchte als tolk en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en heeft bij de IND een verzoek ingediend tot naturalisatie. In het kader van dat verzoek is vastgesteld dat zijn opgegeven persoonsgegevens niet overeenkomen met de gegevens in de brp. Daarom heeft eiser het college op 7 november 2023 verzocht om wijziging van zijn gegevens in de brp. Het gaat daarbij om zijn geboorteplaats, geboorteland en zijn nationaliteit. Uit de aanvraag volgt verder dat de namen van zijn ouders worden toegevoegd omdat die eerder ontbraken. Met het verzoek zijn de volgende documenten meegestuurd:

o een sworn affidavit van 4 mei 2023 met een verklaring van zijn halfbroer over (onder meer) de leeftijd, de geboorteplaats en het geboorteland van eiser bekrachtigd door het Nigeriaanse High Court; en

o een attestation of birth van 4 mei 2023 met onder andere de namen van zijn ouders opgesteld door de National Population Commission (NPC).

Met het besluit van 18 juni 2024 wijst het college het verzoek om wijziging van de gegevens in de brp af. Het college geeft onder meer aan dat het Bureau Documenten van de IND heeft vastgesteld dat de sworn affidavit niet is ondertekend door de verklaarder (de halfbroer van eiser). Daarmee voldoet de sworn affidavit volgens het college niet aan de eisen van een brondocument zoals volgt uit artikel 2.8, tweede lid, en 2.10 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Dat later alsnog een later ondertekende sworn affidavit is toegestuurd, leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat daaruit niet blijkt dat de afgevende instantie in Nigeria behoorlijk onderzoek heeft gedaan naar de identiteit van eiser. Omdat de attestation of birth wordt opgesteld aan de hand van de sworn affidavit, is die volgens het college eveneens geen brondocument. Het paspoort is niet in de beoordeling meegenomen.

Met het bestreden besluit van 17 december 2024 blijft het college bij de afwijzing. Het college verwijst voor de motivering van het besluit naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie. Daaruit volgt dat eiser onvoldoende informatie heeft verstrekt over de onjuistheid van het geregistreerde land van herkomst in de brp en het dus niet buiten twijfel is dat de geregistreerde nationaliteit van eiser niet juist is. Opnieuw is niet gekeken naar het paspoort.

Toetsingskader

4. Op verzoek van een betrokkene kan het college van burgemeester en wethouders gegevens in de brp wijzigen. Die wijziging kan onder andere zien op gegevens over de burgerlijke staat of de nationaliteit van de betrokkene. Gegevens in de brp kunnen worden gewijzigd indien deze volgen uit brondocumenten. In de Wet brp zijn regels opgenomen die zien op de bewijswaarde van deze documenten.

Het wettelijke kader van deze uitspraak is opgenomen in de bijlage.

Overzichtsuitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025

5. In de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025 bevestigt de Afdeling het belang van de brp in het Nederlandse rechtssysteem. Veel organisaties gebruiken de gegevens die daarin zijn opgenomen. Een betrouwbare brp waarborgt de rechtszekerheid en draagt bij aan efficiënt rechtsverkeer tussen personen en instanties. Het is dus belangrijk dat de gegevens in de brp juist zijn en invoer en wijzigingen van die gegevens alleen weloverwogen plaatsvindt. Tegelijkertijd onderkent de Afdeling dat de gevolgen van het afwijzen van een rectificatieverzoek voor burgers ingrijpend kunnen zijn. De kern van de juridische geschillen over rectificatieverzoeken ziet meestal op de betrouwbaarheid van buitenlandse (bron)documenten die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd. Met de overzichtsuitspraak heeft de Afdeling – vanuit het belang van een betrouwbare brp – een werkbaar juridisch kader gegeven dat oog heeft voor de moeilijke situatie waarin burgers zich kunnen bevinden wanneer zij een rectificatieverzoek doen. Daarbij komt de Afdeling deels terug van eerdere rechtspraak of nuanceert deze.

De Afdeling bepaalt dat bij een rectificatieverzoek moet worden beoordeeld of uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, buiten redelijke twijfel volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument is van gelijke of hogere orde dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, dan wordt het gegeven of worden de gegevens waar het in dat geval om gaat, in de brp gewijzigd.

Het begrip brondocument is als zodanig niet gedefinieerd in de Wet brp. Uit de memorie van toelichting bij de Wet brp volgt echter dat op grond van de bronregels, die zijn opgenomen in de artikelen 2.8 tot en met 2.25 van de Wet brp, nauwkeurig is bepaald van welke brondocumenten de gegevens kunnen worden opgenomen. Welke bronregels van toepassing zijn, hangt af van de gegevens die moeten worden gewijzigd.

Specifiek voor paspoorten geldt dat daaraan in het internationale rechtsverkeer een belangrijke bewijsfunctie wordt toegekend. Daarom is de bewijslastverdeling bij paspoorten anders dan bij andere brondocumenten. Als het college betwist dat het paspoort overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt, draagt het college daarvoor de bewijslast. In de regel zal het dan een deskundigenadvies moeten overleggen. Dit kan een advies zijn over de echtheidskenmerken van het paspoort. Het college moet zich er op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat het deskundigenadvies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. De aanvrager kan bij een negatief advies een contra-expertise overleggen. Uit het hierboven genoemde kader volgt dat het college, als het de gegevens uit een echt bevonden paspoort niet wil volgen, aannemelijk zal moeten maken dat er kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden of de gegevens onjuist zijn. De bewijslast ligt op dit punt (opnieuw) bij het college. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk met betrekking tot paspoorten in de afgevende staat, bijvoorbeeld door te wijzen op frauduleuze praktijken die zich hebben voorgedaan, is hiervoor onvoldoende. Tevens geldt dat niet elke daadwerkelijke of veronderstelde administratieve tekortkoming in het afgifteproces van de afgevende instantie volstaat om in het geval van een echt bevonden paspoort strijd met de openbare orde aan te nemen. Aan de individuele aanvraag te relateren omstandigheden kunnen echter, eventueel in samenhang met kennis over de algemene afgiftepraktijk, wel voldoende zijn om aannemelijk te maken dat geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

Heeft het college het verzoek tot wijziging van de gegevens in de brp terecht afgewezen?

6. Eiser heeft aangevoerd dat het college de gevraagde wijziging in de brp, gelet op de door hem overgelegde documenten waaronder een geldig Nigeriaans paspoort, ten onrechte heeft geweigerd.

Het college stelt pas in het verweerschrift dat aan het paspoort geen betekenis toekomt omdat deze is afgegeven aan de hand van een ongeldige geboorteverklaring, zodat de openbare orde zich ertegen verzet om de gegevens uit het paspoort over te nemen.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn gegevens over de burgerlijke staat (geboorteplaats, geboorteland, gegevens ouders) en de nationaliteit wil aanpassen. De bronregels hiervoor zijn opgenomen in artikel 2.8 en 2.10 van de Wet brp respectievelijk artikel 2.15 van de Wet brp. Voor de vraag of persoonsgegevens gewijzigd moeten worden, is het niet nodig dat alle documenten voldoen aan de eisen van de Wet brp. Het is voldoende als een of enkele van die documenten, waar de gegevens die moeten worden gewijzigd op staan vermeld, voldoen. Eiser heeft in het kader van het verzoek tot wijziging van zijn gegevens in de brp onder meer een paspoort ingediend. De rechtbank stelt voorop dat een paspoort een brondocument is als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder d van de Wet brp (d-document) en artikel 2.15 van de Wet brp. Dat betekent – ook bij paspoorten – niet dat de gegevens zonder meer moeten worden verwerkt. Wel draagt het college de bewijslast als het college twijfelt aan de echtheid van het paspoort of aan de daarin opgenomen gegevens.

De rechtbank is gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader van oordeel dat het college het paspoort ten onrechte buiten de beoordeling van de aanvraag heeft gelaten. Daarbij is van belang dat aan het paspoort grote bewijswaarde toekomt als niet is gebleken dat het paspoort niet echt is. Om dat aan te tonen, zal het college in de regel een deskundigenadvies moeten overleggen met betrekking tot de echtheidskenmerken. Het standpunt van het college dat het Bureau Documenten het paspoort niet op echtheid heeft gecontroleerd, is daarvoor niet voldoende. De rechtbank volgt het college ook niet in het standpunt dat ook als ervan moet worden uitgegaan dat het paspoort echt is, dit niet de door eiser gewenste bewijswaarde heeft omdat moet worden getwijfeld aan het afgifteproces. In het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023 (Ambtsbericht 2023) staat geen bijzondere informatie opgenomen over het afgifteproces. Dat het college twijfels heeft over de overgelegde geboorteverklaringen, maakt zonder nadere onderbouwing niet dat zonder meer getwijfeld moet worden aan het afgifteproces van het paspoort. Daarbij weegt de rechtbank mee dat bij paspoorten uitgangspunt is dat het land van afgifte behoorlijk onderzoek doet. Ter zitting heeft eiser daarover verklaard dat hij voor de afgifte van het paspoort naar de ambassade in Den Haag is gegaan voor een interview. Naar aanleiding van dat interview is vastgesteld dat eiser – zo heeft hij ter zitting verklaard – de Nigeriaanse taal spreekt. Verder heeft eiser aangegeven dat hij de geboorteverklaring van 4 mei 2023 heeft overlegd. Vervolgens is aan eiser een paspoort verstrekt. Waarom dit afwijkt van het normale afgifteproces, maakt het college niet inzichtelijk. Het college heeft ook nagelaten hier verder onderzoek of navraag naar te doen. De enkele stelling van het college dat het paspoort is afgegeven op geboorteverklaringen die volgens het college niet in lijn met het afgifteproces zijn opgesteld, biedt onvoldoende steun voor het standpunt dat kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. In dat kader wijst de rechtbank op het feit dat ook in het kader van de afgifte van eisers verblijfsvergunning twijfel was over zijn Sudanese identiteit vanwege het feit dat uit taalonderzoek bleek dat aannemelijk was dat eiser uit Nigeria afkomstig was. Hieruit leidt de rechtbank af dat er op zijn minst twijfel is over de juistheid van de huidige gegevens in de brp. Onder die omstandigheden ligt het op de weg van het college om bij twijfel aan de overgelegde gegevensnader te onderzoeken of het paspoort echt is en de daarin opgenomen gegevens juist zijn.

Gelet op het feit dat aan een paspoort in algemene zin grote bewijswaarde toekomt, betekent het voorgaande dat het college ten onrechte het paspoort niet in de beoordeling heeft betrokken en in zoverre de gevraagde wijziging van de gegevens in de brp op onjuiste gronden heeft afgewezen. Het standpunt van het college in beroep dat aan het paspoort geen bewijswaarde toekomt, omdat moet worden getwijfeld aan het afgifteproces is onvoldoende gemotiveerd.

Deze beroepsgrond slaagt.

Omdat het paspoort de belangrijkste gegevens bevat die eiser wilt wijzigen (geboorteplaats, geboorteland en nationaliteit), bepaalt de rechtbank dat het college het paspoort moet betrekken en als zij twijfelt aan de echtheid daar onderzoek naar moet. Als het college bij het standpunt blijft dat vanwege gebreken in het afgifteproces aan het paspoort geen bewijswaarde toekomt en uitgaan van de gegevens strijd met de openbare orde oplevert, zal het college dit nader moeten motiveren. Daarbij dient het college dan tevens de in beroep ingebrachte nadere bewijsstukken (geboorteverklaringen) te betrekken. In dat kader geeft de rechtbank mee dat – anders dan het college stelt – de eisen uit eerdere ambtsberichten niet onverminderd van toepassing blijven, tenzij dat expliciet is opgenomen in het nieuwere ambtsbericht. De rechtbank leidt dat onder meer af uit het feit dat in de inleiding van het Ambtsbericht 2023 wordt gesproken van een actualisering van de situatie. De bewijswaarde van het paspoort en de overgelegde geboorteverklaringen moeten tegen die achtergrond worden beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb (onderzoeksplicht) en artikel 3:46 van de Awb (motiveringsbeginsel). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de opneming van de gegevens in het paspoort op te nemen, omdat het college de echtheid van het paspoort en de omstandigheden waaronder het paspoort is afgegeven moet beoordelen. Dat geldt ook voor de in beroep ingebrachte geboorteverklaringen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor drie maanden.

Omdat het beroep gegrond is moet de het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van het college van 17 december 2024;

- draagt het college op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 juni 2024 met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: het voor deze uitspraak relevante wettelijke kader

Wet brp

Artikel 2.7

1. In de basisregistratie worden over de ingeschrevene uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:

a. algemene gegevens:

1. gegevens over de burgerlijke staat waar het betreft de naam, de geboorte, het geslacht, de ouders, het huwelijk, dan wel geregistreerd partnerschap en eerdere huwelijken of eerder geregistreerde partnerschappen, de echtgenoot dan wel geregistreerd partner en eerdere echtgenoten of geregistreerde partners, de kinderen en het overlijden;

(…)

5. gegevens over de nationaliteit, met dien verstande dat geen gegevens over een vreemde nationaliteit worden opgenomen naast gegevens over het Nederlanderschap of het feit dat de betrokkene als Nederlander wordt behandeld;

Artikel 2.8

2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

(…)

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

Artikel 2.10

1. Indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over de familierechtelijke betrekkingen tot de ouders of de kinderen, over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, over het geregistreerd partnerschap en de eerdere geregistreerde partnerschappen of over de geregistreerde partner en de eerdere geregistreerde partners een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, mogen deze gegevens niet worden ontleend aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e.

2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

3. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

Artikel 2.15

1. Gegevens over een vreemde nationaliteit worden ontleend aan een beschikking of uitspraak van een daartoe volgens het ter plaatse geldend recht bevoegde administratieve of rechterlijke instantie, die tot doel heeft tot bewijs te dienen van de betreffende nationaliteit, dan wel opgenomen met toepassing van het betreffende nationaliteitsrecht.

2. Indien gegevens over een vreemde nationaliteit niet overeenkomstig het eerste lid kunnen worden verkregen, kunnen deze gegevens worden ontleend aan een geschrift van een volgens het ter plaatse geldend recht bevoegde autoriteit, dat gegevens vermeldt over die nationaliteit.

Artikel 2.58

1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand