ECLI:NL:RBROT:2026:5618

ECLI:NL:RBROT:2026:5618

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer ROT 25/5100
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,2%.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiseres,

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/5100

(gemachtigde: mr. S. Foullani),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,

(gemachtigde: mr. C. Nobel).

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,2%.

Procesverloop

Met het besluit van 13 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de loonaanvullingsuitkering van eiseres per 1 april 2024 gewijzigd in een vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar.

Met het besluit van 8 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het primaire besluit herroepen en per 1 april 2024 aan eiseres een vervolguitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd en gronden tegen het bestreden besluit ingediend.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiseres heeft op 13 maart 2026 en 17 april 2026 nadere medische stukken ingediend. Het UWV heeft op 28 april 2026 een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres ontvangt sinds 3 juni 2008 een WIA-uitkering nadat zij ziek is uitgevallen voor haar werk als senior begeleider/pedagogisch gezinsbegeleider, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80%. Eiseres werkte naast haar WIA-uitkering als jeugdbeschermer voor 24 uur per week.

Eiseres heeft zich op 3 mei 2023 voor die laatste arbeid ziekgemeld en betreffende haar WIA-uitkering een wijziging in haar gezondheid aan het UWV doorgegeven. In verband hiermee heeft een spreekuurcontact in februari 2024 plaatsgevonden. Hierna is de (arbeidskundige) beoordeling niet afgerond.

Met het primaire besluit heeft het UWV per 1 april 2024 de loonaanvullings- uitkering van eiseres gewijzigd in een vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%, omdat eiseres per 1 mei 2023 niet meer werkte en een uitkering op grond van de Ziektewet ontving. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan.

In het kader van de heroverweging in bezwaar is geconstateerd dat de eerder doorgegeven wijziging in haar gezondheid niet is betrokken bij het primaire besluit. In bezwaar is dit hersteld door afdeling Sociaal Medische Zaken.

De verzekeringsgeneeskundige beoordeling had reeds in februari 2024 plaatsgevonden. De arts van het UWV heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld die geldig is per 13 maart 2023, waarin de beperkingen van eiseres zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens in het rapport van 12 september 2024 met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen geconcludeerd dat eiseres niet meer in staat is het eigen werk te verrichten. Wel heeft hij met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres drie gangbare functies geselecteerd. Het loon dat met de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie geselecteerde functies) verdiend kan worden ligt 78,32% lager dan het maatmaninkomen van eiseres. Eiseres is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, hetgeen zij bij brief van 17 oktober 2024 heeft gedaan.

In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres op het spreekuur van 12 augustus 2025 medisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 augustus 2025 geconcludeerd dat aanleiding bestaat om af te wijken van de door de primaire arts aangegeven beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens een nieuwe FML opgesteld, geldig per 13 maart 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is blijkens het rapport van 2 september 2025 tot een gewijzigde functieduiding en een gewijzigd maatmanloon gekomen. De arbeidsdeskundige heeft de oude functies verworpen en een drietal nieuwe functies geduid, te weten: medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140), administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). Hij heeft op basis van het nieuwe maatmanloon afgezet tegen de nieuwe mediaan het verlies aan verdiencapaciteit van eiseres vastgesteld op 70,2%, dus naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

3. Eiseres voert in beroep aan dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische beperkingen. De beperkingen die voortvloeien uit haar persoonlijkheidsstoornis, die maken dat zij last heeft van een sterk verhoogde prikkelgevoeligheid en vermoeidheidsklachten, zijn niet in voldoende mate verwerkt in de FML. Verder gaat de toegekende urenbeperking niet ver genoeg, omdat zij een verhoogde recuperatiebehoefte heeft met daarbij ernstige vermoeidheidsklachten als gevolg van haar longproblematiek. Zij kan niet meer dan twee of drie keer per week vier uur per dag werken, zoals blijkt uit haar ervaring met vrijwilligerswerk. Verder kan zij vanwege haar fysieke klachten niet tot nauwelijks werken met een toetsenbord en muis en slechts duwen en trekken tot maximaal vier kilo.

Eiseres heeft ter zitting het beroep voor zover dat ziet op het beroep niet tijdig beslissen ingetrokken. Op het verzoek om proceskostenvergoeding beslist de rechtbank in deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht met ingang van 13 maart 2023 heeft vastgesteld naar een mate van 70,2%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan haar voorgehouden functies te verrichten.

5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het gestelde in het bezwaarschrift en op de hoorzitting van 12 augustus 2025, alsmede op medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Het onderzoek heeft daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De stelling ter zitting dat eiseres niet is gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat ten onrechte geen stukken van de longarts zijn opgevraagd, wordt niet gevolgd. Eiseres is op het spreekuur van 12 augustus 2025 medisch onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Verder is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, of als iemand stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat één van beide situaties zich hier voordoet.

Wat eiseres in beroep aanvoert, geeft geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Hierbij is van belang dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiseres als zodanig of om de subjectieve beleving ervan, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres.

In het rapport van 13 augustus 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er onvoldoende grond is om vanwege een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis een beperking voor prikkelgevoeligheid aan te nemen in de FML, omdat dit niet aan de stoornis kan worden toegeschreven, zoals ook blijkt uit de brief van de huisarts van eiseres. De prikkelgevoeligheid waar de huisarts het in de ongedateerde brief over heeft, betreft een luchtwegprikkelgevoeligheid. Hiermee is rekening gehouden in de FML met de aangegeven beperking voor stof, rook, gassen en dampen.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van de urenbeperking waarbij eiseres zes uur per dag en dertig uur per week belastbaar wordt geacht, gemotiveerd toegelicht dat deze is gegeven vanuit preventief oogpunt bij de psychische klachten. Dat eiseres tijdens re-integratieactiviteiten of vrijwilligersactiviteiten niet verder is gekomen dan twee of drie keer per week vier uur per dag te werken, vormt onvoldoende grond voor een verdergaande beperking van de duurbelastbaarheid. Verder is naar het oordeel van de rechtbank door de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat er verder geen sprake is van een stoornis in de energiehuishouding die hier aanleiding toe geeft (bijvoorbeeld een middels fietsproef aangetoonde sterk verminderde hart-of longfunctie) en dat de aangenomen beperkingen op andere FML-items hiertoe volstaan. In de huidige FML wordt al voorkomen dat overbelasting optreedt, omdat eiseres al voor fysieke inspanning en stressfactoren (beperkingen voor deadlines en productiepieken en hoog handelingstempo) al is beperkt.

In de FML van 13 augustus 2025 is eiseres beperkt tot duwen en trekken tot aan vijftien kilo. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapport van 27 april 2026 afdoende gemotiveerd dat de belasting die nodig is om een duw- of trekkracht van 250 N te genereren relatief niet groot is en dat er voor eiseres onvoldoende grond bestaat om een sterkere beperking voor duwen en trekken aan te nemen dan is opgenomen in de FML.

Gelet op de overtuigende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. Er is geen grond voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres niet beperkt is op het gebruik van een toetsenbord en muis en het duwen en trekken binnen de geduide functies de belastbaarheid van eiseres niet overschrijdt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet te volgen in zijn bevindingen. Ook anderszins is van een overschrijding van de belastbaarheid van eiseres in de geduide functies niet gebleken.

7. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de door de arbeidsdeskundig bezwaar en beroep voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen van 70,2%. De slotsom is dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres juist heeft vastgesteld op dat percentage.

Conclusie en gevolgen

8. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven en het beroep ongegrond moet worden verklaard.

9. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding in beroep omdat zij het beroep tegen het niet-tijdig nemen van de beslissing op bezwaar terecht heeft ingesteld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Het UWV moet ook het door haar betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.

De rechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Op grond van artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b, bestaat de WGA-uitkering, indien de duur van de loongerelateerde uitkering van deze uitkering is verstreken of als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan op deze uitkering, uit een vervolguitkering.

Op grond van artikel 62, eerste lid, in verbinding met artikel 61, zesde lid, hangt de hoogte van de WGA-vervolguitkering af van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand