[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. I. Car),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het verzoek hangt samen met het beroep dat verzoekster heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 17 juni 2025. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 26/2152. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag (ROT 26/2152) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat er geen connexe beroepsprocedure meer bij de rechtbank aanhangig is. Het treffen van een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: