RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , verzoekster,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2755
mede namens haar minderjarige zoon [minderjarige] ( [voornaam minderjarige] )
(gemachtigde: mr. U. Karatas),
en
(gemachtigde: mr. A.H. Dellaert).
Het college heeft de aanvraag van verzoekster om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af en volgt het college daarbij in het standpunt dat verzoekster zelfredzaam is en in staat moet worden geacht zelf in onderdak voor haarzelf en haar minderjarige zoon te voorzien.
Procesverloop
1. Verzoekster heeft zich op 18 november 2025 gemeld met het verzoek om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Met het besluit van 20 november 2025 heeft het college de aanvraag afgewezen.
Met het besluit van 27 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep (ROT 26/2754) ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (deze zaak).
Op 31 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter in deze zaak een ordemaatregel getroffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoekster is op 19 augustus 2025 met haar zoon [voornaam minderjarige] (15) vanuit Colombia naar Nederland gekomen om werk te vinden en een betere toekomst voor haar zoon. Tevens hoopt verzoekster hier de alimentatiekwestie met haar Nederlandse ex-partner (en biologische vader van [voornaam minderjarige] ) af te handelen. [voornaam minderjarige] heeft net als zijn biologische vader de Nederlandse nationaliteit.
Direct na aankomst in Nederland heeft verzoekster tien dagen in Amsterdam verbleven, waar zij zich bij het daklozenloket heeft gemeld. De melding werd afgehouden, omdat verzoekster geen ingezetene is en geen Nederlands paspoort heeft. Verzoekster werd doorverwezen naar de gemeente Rotterdam omdat haar ex-partner hier woont.
Op 24 september 2025 heeft verzoekster zich in Rotterdam gemeld bij Centraal Onthaal (CO) voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Haar ex-partner was bij het intakegesprek aanwezig. Bij het gesprek was ook een Loketspecialist Jeugd aanwezig, die de situatie van de zoon van verzoekster heeft beoordeeld. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster volgens het college zelfredzaam is en niet acuut dakloos is (zij verbleef op dat moment nog bij haar ex-partner). Daarnaast vond het college dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar noodzakelijk was om de thuissituatie in Colombia te verlaten en onvoorbereid naar Nederland te komen.
Op 13 oktober 2025 heeft verzoekster zich opnieuw bij CO gemeld, omdat het naar eigen zeggen voor haar niet langer veilig was om in de woning van haar ex-partner te verblijven. Hij zou haar (seksueel) misbruikt hebben en niet met zijn zoon kunnen opschieten. Op 31 oktober 2025 heeft zij zich nogmaals gemeld bij CO, samen met iemand van de kerk. Daarbij gaf zij aan inmiddels opvang te hebben gekregen via het Rode Kruis, in een hotel.
Op 18 november 2025 heeft verzoekster zich opnieuw gemeld bij CO, ditmaal samen met een straatadvocaat van Basisberaad Rotterdam. Bij het intakegesprek was wederom een Loketspecialist Jeugd aanwezig, die de situatie van de zoon van verzoekster opnieuw heeft beoordeeld.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft de aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen omdat het college verzoekster in staat acht zich op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in haar onderdak en dat van haar minderjarige zoon te voorzien. Daarnaast werpt het college verzoekster tegen dat zij onvoorbereid naar Nederland is gekomen en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij Colombia acuut diende te verlaten. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij en haar zoon per direct worden toegelaten tot de maatschappelijke (nood)opvang.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
Op het moment van de zitting verbleven verzoekster en haar zoon in het Homehotel in Rotterdam via Stichting Lekker Geven. Omdat zij deze opvang aanvankelijk al op 31 maart 2026 dienden te verlaten, heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en daarbij bepaald dat het college verzoekster en haar zoon per direct (tijdelijke) opvang dient te verstrekken, in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang wel aanwezig. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Valt verzoekster onder de reikwijdte van de Wmo?
6. Een inwoner van Nederland komt – kort gezegd – in aanmerking voor opvang op grond van de Wmo als hij of zij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn of haar veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit diens sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
Na haar melding bij CO op 18 november 2025 heeft verzoekster een EU-verblijfsaanvraag gedaan op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Op deze aanvraag was op het moment van de zitting nog niet beslist. Hangende de beslissing op deze aanvraag heeft verzoekster verblijfscode 30 (rechtmatig verblijf) en uit hoofde daarvan in beginsel recht op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo.
Zelfredzaamheid
7. Verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft door de problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren.
Uit het dossier, en wat er tijdens de zitting is aangevoerd, komt naar voren dat verzoekster zelfredzaam is. Verzoekster heeft vrijwel haar hele leven in Colombia gewoond en ook tijdelijk in Spanje. Zij heeft in Colombia gewerkt als docent en als schrijfster, maar is in de coronatijd haar baan verloren. Weliswaar woonde verzoekster in de periode voorafgaand aan haar vertrek uit Colombia in bij haar ouders, maar zij zorgde zelf voor haar zoon. Ook heeft zij op eigen kracht de reis naar Nederland geregeld. Voorafgaand aan haar vertrek heeft zij zelfs nog bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) geïnformeerd naar de mogelijkheden om haar verblijf in Nederland te legaliseren. Daarnaast is verzoekster in Colombia een gerechtelijke procedure gestart tot het verkrijgen van het Nederlanderschap en alimentatie voor haar zoon. In 2018 heeft een Colombiaanse rechter uitspraak gedaan in de alimentatiezaak. Deze uitspraak verplicht de ex-partner om alimentatie voor zijn zoon te betalen.
Uit het onderzoek ter vaststelling van de hulpvraag en het intakegesprek van 18 november 2025 komt naar voren dat verzoekster vooral ondersteuning vraagt bij het vinden van huisvesting, een baan en het regelen van praktische zaken voor zichzelf en haar zoon. Verzoekster is hoog opgeleid en digitaal vaardig en heeft op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, een BSN-nummer, briefadres, zorgverzekering, kinderbijslag en een bijstandsuitkering aangevraagd en ervoor gezorgd dat haar zoon in Nederland naar school gaat. Verder heeft zij hulp gekregen van de voedselbank, het Rode Kruis, Basisberaad Rotterdam en Stichting Lekker Geven. Zij heeft zelfstandig de weg naar hulp kunnen vinden en die hulp kunnen inschakelen om haar verder te helpen. Het enkele feit dat verzoekster hulp krijgt van diverse instanties, door haar betiteld als ‘liefdadigheid’, betekent op zichzelf nog niet dat zij niet zelfredzaam is en tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang moet worden gerekend. Die doelgroep bestaat voornamelijk uit mensen met ernstige verslavingsproblematiek of GGZ-problematiek (multi-problematiek). Daarvan is bij verzoekster of haar zoon (gelukkig) geen sprake. De voorzieningenrechter begrijpt dat bij verzoekster sprake is van stress- en somberheidsklachten, met name door de moeilijke situatie waarin zij op dit moment verkeert, en dat zij voor deze klachten is doorverwezen naar de Praktijkondersteuner Huisarts (POH) voor ventilerende gesprekken. Dit betekent echter nog niet dat zij niet zelfredzaam is. Daarbij heeft verzoekster op de zitting verklaard dat haar problemen grotendeels zullen zijn opgelost als zij huisvesting (lees: een woning) heeft gevonden.
Dat verzoekster over voldoende doen- en regievermogen beschikt blijkt ook uit het feit dat zij op 26 januari 2026 (cum laude) haar PhD in de geesteswetenschappen en sociale wetenschappen heeft behaald aan de universiteit van Alicante (Spanje).
Verwijtbaarheid
8. Het college heeft verzoekster ook mogen tegenwerpen dat zij haar komst naar Nederland niet goed heeft voorbereid en zonder een duidelijk plan of zicht op een vaste verblijfsplek vanuit Colombia naar Nederland is gekomen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor haar of haar zoon een acute noodzaak bestond om (vrijwel onvoorbereid) naar Nederland te komen.
9. Uit het voorgaande volgt dat verzoekster vooral een huisvestingsprobleem heeft, enerzijds veroorzaakt door haar onvoorbereide komst naar Nederland en anderzijds door het woningtekort alhier (en met name in de regio Rotterdam). De Wmo is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. Indien verzoekster een baan zou vinden die past bij haar academische kwalificaties zou zij daarmee naar alle waarschijnlijkheid genoeg verdienen om een woning te huren. Verzoekster zou er ook voor kunnen kiezen om, al dan niet tijdelijk, terug te keren naar Colombia en haar komst naar Nederland beter voor te bereiden.
Belangen van het kind
10. Ondanks dat verzoekster niet tot de doelgroep van de maatschappelijke opvang behoort kunnen er toch redenen zijn om het college op te dragen haar tot die opvang toe te laten in verband met de zwaarwegende belangen van verzoekster en [voornaam minderjarige] .
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. Het college is dus niet al op voorhand op die grond verplicht om verzoekster, ondanks haar zelfredzaamheid, opvang te bieden. Wel zal in zaken als deze moeten worden beoordeeld of met het bestreden besluit een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van verzoekster en haar zoon om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang.
Hoewel niet in geschil is dat verzoekster in hele moeilijke omstandigheden verkeert, ziet de voorzieningenrechter niet dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van verzoekster en haar zoon. Verzoekster wordt zelfredzaam geacht, wat het primair haar verantwoordelijkheid maakt om voor de primaire belangen van haar zoon te zorgen. Bij de intake op 18 november 2025 was ook een Loketspecialist Jeugd aanwezig. Deze heeft een uitvraag gedaan over de gezondheid, ontwikkeling, dagbesteding, opvoeding en aanwezige opvoeders van de zoon en geconcludeerd dat er geen zorgen waren over zijn directe veiligheid. Daarbij is van belang dat verzoekster en haar zoon op 18 november 2025 niet meer in de woning van de ex-partner verbleven (maar in een hotel). Verder heeft verzoekster zelf aangegeven dat zij geen (hulp)vragen heeft over de opvoeding van haar zoon, omdat zij dat goed aan kan. De hulpvragen die zij heeft zijn vooral praktisch van aard. Hiervoor kan zij ook terecht bij het Wijkteam of een schoolmaatschappelijk werker. Het college heeft daarom geen positieve verplichting hoeven zien om verzoekster en haar zoon, wegens zwaarwegende belangen, alsnog tot de maatschappelijke opvang toe te laten.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de schorsing van het bestreden besluit (de ordemaatregel) wordt opgeheven en dat het college verzoekster niet hoeft toe te laten tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: