RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2396
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een Nederlands paspoort voor de minderjarige zoon van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister geen inzage heeft hoeven geven in het referentie- en vergelijkingsmateriaal. Ook mocht de minister afgaan op de inhoud van het onderzoek. De minister heeft de hoorplicht niet geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een paspoort voor zijn minderjarige zoon [naam 1] (de zoon). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 augustus 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van de minister.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Eiser heeft de rechtbank op 10 september 2025 laten weten hiervan geen gebruik te willen maken. De minister heeft op 29 oktober 2025 nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft op 18 november 2025 aan partijen laten weten voldoende te zijn voorgelicht om een uitspraak te doen en dat zij geen nadere zitting nodig acht. Partijen hebben laten weten geen nadere zitting te wensen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.
Op 5 maart 2024 heeft eiser namens de zoon een aanvraag gedaan voor een Nederlands paspoort. Bij deze aanvraag heeft hij een geboorteakte van de zoon, een identiteitsbewijs van de zoon en een huwelijksakte van eiser en zijn partner overgelegd. De documenten zijn door Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (Bureau Documenten) onderzocht. Bureau Documenten heeft op 19 juli 2024 gerapporteerd dat de geboorteakte en het identiteitsbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Ten aanzien van het identiteitsbewijs wordt overwogen dat na onderzoek is gebleken dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Ten aanzien van de geboorteakte wordt overwogen dat een geboorteakte en identiteitsbewijs gelijktijdig zijn opgemaakt en afgegeven en aangezien het identiteitsbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven geldt dit dus ook voor de geboorteakte. De minister heeft naar aanleiding van deze bevindingen besloten de aanvraag voor een Nederlands paspoort af te wijzen met het primaire besluit.
Met het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en is hij, zonder eiser in bezwaar te horen, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister legt hieraan ten grondslag dat Somalische geboorte- en huwelijksakten eerst op de echtheid worden onderzocht door Bureau Documenten. In het geval dat de geboorte- en huwelijksakte daarbij positief worden beoordeeld, dient een rechtsgeldig DNA-onderzoek te worden uitgevoerd tussen het kind en de gestelde ouders. Als een van de gestelde ouders woonachtig is in Nederland dient het huwelijk ook te worden in geschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Bij een positieve uitslag van het DNA-onderzoek en na de inschrijving van het huwelijk in de BRP kan vervolgens een Nederlands paspoort aan het kind worden verstrekt. In het geval van eiser is geen positief beoordeelde Somalische geboorteakte overgelegd.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Had de minister het door Bureau Documenten gebruikte referentie- en vergelijkingsmateriaal moeten overleggen?
5. Eiser voert aan dat op grond van de informatieplicht de minister het gebruikte referentie- en vergelijkingsmateriaal had moeten overleggen. Zonder dit materiaal is het voor eiser onmogelijk om de onderzoeksbevindingen van Bureau Documenten te controleren. Volgens eiser dient dit materiaal op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden overgelegd als zijnde ‘alle op de zaak betrekking hebbende stukken’.
De minister stelt zich op het standpunt dat volgens vaste rechtspraak een door Bureau Documenten opgestelde Verklaring van Onderzoek een deskundigenadvies is waar de minister in beginsel vanuit mag gaan. Bureau documenten heeft zwaarwegende belangen bij het niet vrijgeven van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal en bij een beperkte motivering van de Verklaring van Onderzoek. Het prijsgeven van de methoden van onderzoek en de vastgestelde afwijkingen van de documenten zou (toekomstige) onderzoeksprocessen schade kunnen toebrengen. De minister is van mening dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid en zorgvuldige totstandkoming van het advies.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is, waarvan een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan. Indien een bestuursorgaan een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt en de belanghebbende geen eigen deskundigenadvies overlegt, is de toetsing van de rechtbank beperkt tot de vraag of, gelet op wat is aangevoerd, het bestuursorgaan zich ervan heeft vergewist dat het deskundigenadvies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het gebruikte referentie- en vergelijkingsmateriaal niet als op de zaak betrekking hebbende stukken heeft hoeven overleggen. De vergewisplicht strekt in dit geval niet zover dat de minister tot in detail inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister niet het beschikbare vergelijkings- of referentiemateriaal hoefde te overleggen en tot in detail inzichtelijk hoefde te maken hoe Bureau Documenten dit materiaal heeft gebruikt of kenbaar hoefde te maken van wanneer dit materiaal dateert om te voldoen aan de vergewisplicht.
Tijdens de zitting heeft eiser aangegeven dat de documenten eerder door Bureau Documenten zijn onderzocht en dat Bureau Documenten toen tot de conclusie isgekomen dat de documenten echt zijn. De minister heeft na het schorsen van het onderzoek navraag gedaan en op 29 oktober 2025 de rechtbank ingelicht over deze bevindingen. Uit navraag bij de gemeente Schagen blijkt dat in een eerdere procedure de stukken inderdaad zijn opgestuurd naar Bureau Documenten. Bureau Documenten heeft in een Verklaring van Onderzoek van 11 augustus 2023 dezelfde conclusie getrokken ten aanzien van de echtheid, opmaak en afgifte van de documenten als in de Verklaring van Onderzoek van 19 juli 2024. Eiser heeft niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een contra-expertise, waarom deze conclusies onjuist zijn en de minister daar niet vanuit kon gaan. De enkele stelling dat eiser zich niet kan verweren omdat hij niet over het referentie- en vergelijkingsmateriaal bezit is daartoe onvoldoende.
Had de minister eiser in bezwaar moeten horen?
6. Eiser voert aan dat de minister hem in bezwaar had moeten horen. Volgens eiser is de beslissing onzorgvuldig tot stand gekomen omdat eiser de mogelijkheid is ontnomen om de minister op fouten en misverstanden te wijzen. Eiser verwijst hierbij naar onder andere een uitspraak van de Afdeling.
Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan pas op het bezwaar beslist nadat een belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. In sommige gevallen kan daarvan echter worden afgezien, bijvoorbeeld wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een bezwaar kennelijk ongegrond is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om een belanghebbende al dan niet te horen in bezwaar dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval heeft mogen afzien van het horen van eiser in bezwaar. Het bezwaar van eiser bevat twee gronden. Eiser voert ten eerste aan dat uit het onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat de geboorteakte en het identiteitsbewijs op dezelfde datum zijn afgegeven. De conclusie van de minister dat het referentie- en vergelijkingsmateriaal niet gelijktijdig is opgemaakt en afgegeven is volgens eiser dan ook evident onjuist. Zoals hiervoor onder 3.1. weergegeven heeft de minister deze conclusie niet getrokken in zijn besluit. Hoewel de rechtbank erkent dat de tekst van het primaire besluit wat verwarrend is, is dit onvoldoende om eiser te moeten horen in bezwaar. De minister heeft de verwarring verholpen met het bestreden besluit. De minister heeft in het verweerschrift nogmaals geprobeerd om uit te leggen hoe de conclusie gelezen moet worden. Ten tweede voert eiser in het bezwaarschrift aan dat de conclusie niet is onderbouwd door middel van het onderliggende referentie- en vergelijkingsmateriaal. Volgens eiser had de minister dit materiaal aan hem beschikbaar moeten stellen. Zoals in deze uitspraak is overwogen onder 5.3. had de minister het materiaal niet aan eiser beschikbaar hoeven stellen. Wat eiser daarover heeft aangevoerd had niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De minister heeft daarom mogen afzien van het horen van eiser in bezwaar.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Artikel 8:42
1. Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.
2. De bestuursrechter kan de in het eerste lid bedoelde termijnen verlengen.