RECHTBANK ROTTERDAM
Locatie Rotterdam
Zaaknummer: 12228635 \ VV EXPL 26-278
Verkort vonnis in kort geding van 15 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] , handelend onder de naam [eiseres] ,
wonend in [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigden: mrs. K.Chr. Spee en R.C.A. Raspoort,
tegen
[naam bedrijf] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.C.S. de Boer.
Partijen worden hierna [eiseres] en [de B.V.] genoemd.
Gelet op de spoedeisendheid van de zaak wordt een verkort vonnis gewezen. Dit verkorte vonnis houdt alleen de beslissing en de kern van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in. Indien partijen daar binnen veertien dagen na vandaag schriftelijk om verzoeken, ontvangen zij een uitgewerkt vonnis.
1. De beoordeling
Het spoedeisend belang van [eiseres] bij het doorgaan van het evenement op 17 mei 2026 is evident en behoeft geen nadere toelichting.
De kantonrechter volgt [de B.V.] niet in haar stelling dat [eiseres] het recht op nakoming van de huurovereenkomst heeft verwerkt. Na de eenzijdige beslissing van [de B.V.] op 13 mei 2026 heeft [eiseres] op 13 en 14 mei 2026 alternatieven onderzocht en haar geld teruggevraagd, maar zij heeft [de B.V.] niet laten weten dat zij erin is geslaagd om een andere locatie voor het evenement te vinden of dat zij afstand doet van het recht op nakoming van de overeenkomst. Die nakoming kan zij dus nog steeds vorderen.
[de B.V.] stelt zich met een beroep op artikel 7.2 van haar algemene voorwaarden op het standpunt dat zij het recht heeft om te bepalen dat het evenement niet doorgaat, omdat de melding aan de politie dat iemand tijdens het evenement een explosief wil laten afgaan maakt dat het evenement een gevaar voor de openbare orde zal opleveren.
Het door [de B.V.] gestelde gevaar voor de openbare orde acht de kantonrechter op zichzelf aanwezig, net als de burgemeester van Gorinchem blijkens het besluit van 13 mei 2026. Echter, de burgemeester heeft na ontvangst van de melding over het explosief en op grond van een bestuurlijke rapportage, waarover partijen en de kantonrechter niet beschikken, geoordeeld dat het evenement op een verantwoorde manier kan doorgaan, mits aan een aantal aanvullende voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden zijn neergelegd in het besluit van 13 mei 2026 tot tijdelijke wijziging van de exploitatievergunning van [de B.V.] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft een vertegenwoordiger van het door [eiseres] ingeschakelde beveiligingsbedrijf gesteld dat aan al deze voorwaarden kan worden voldaan. Weliswaar heeft [de B.V.] gemeld dat de burgemeester de gestelde eisen aanscherpt als blijkt dat er meer bezoekers komen, maar [eiseres] heeft vervolgens toegezegd het aantal bezoekers te zullen beperken tot het aantal waarvan de burgemeester in het besluit van 13 mei 2026 is uitgegaan. Dat aantal is (anders dan ter zitting besproken) ruim 3.000, voor de duidelijkheid af te ronden op 3.000. Gelet op deze toezegging van [eiseres] mag worden aangenomen dat het besluit van 13 mei 2026 nog geldt. Het tegendeel blijkt ook niet uit de formulering van het bericht van 15 mei 2026 vanuit de gemeente waarop [de B.V.] ter zitting een beroep heeft gedaan. Dat door [de B.V.] geraadpleegde bedrijven volgens haar van mening zijn dat het niet goed mogelijk is om op deze korte termijn aan de door de burgemeester gestelde voorwaarden te voldoen, laat de mogelijkheid open dat dit voor het door [eiseres] ingeschakelde bedrijf wel mogelijk is.
[de B.V.] benadrukt dat niet [eiseres] , maar zijzelf verantwoordelijk is voor het voldoen aan alle voorwaarden. Dat is op zich juist. Echter, [eiseres] heeft gesteld dat zij in staat en bereid is om op eigen kosten en met vrijwaring van [de B.V.] aan alle door de burgemeester gestelde voorwaarden te voldoen. Dit betekent ook dat [eiseres] vandaag (op 15 mei 2026) een veiligheidsplan bij de burgemeester zal indienen, dat vervolgens door de burgemeester zal worden beoordeeld. [eiseres] wijst er terecht op dat de burgemeester vervolgens het laatste woord heeft. In dit kort geding stelt [eiseres] vorderingen in tegen [de B.V.] , wat onverlet laat dat de burgemeester de bevoegdheid heeft en behoudt om het evenement te verbieden of aanvullende voorwaarden te stellen als de burgemeester dat noodzakelijk en passend acht. Dit past bij het gegeven dat de burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde, dat de burgemeester met de bestuurlijke rapportage over meer informatie beschikt dan partijen en de kantonrechter om hierin een afweging te kunnen maken en dat de burgemeester ook het bevoegd gezag is als het gaat om een eventuele wijziging van de exploitatievergunning. Dat partijen mogelijk nog bezwaar gaan maken tegen het besluit van 13 mei 2026 neemt niet weg dat dit besluit van de burgemeester thans als uitgangspunt bij de beoordeling heeft te gelden.
[de B.V.] benadrukt verder dat zij op grond van haar algemene voorwaarden een eigen afweging mag maken. Ook als de burgemeester meer informatie heeft en het evenement onder voorwaarden verantwoord acht, wil dat nog niet zeggen dat [de B.V.] zich daaraan moet conformeren. Hier heeft [de B.V.] op zich een punt. Echter, [de B.V.] heeft niet met concrete argumenten onderbouwd waarom het niet verantwoord is om het evenement door te laten gaan als aan alle door de burgemeester gestelde (aanvullende) voorwaarden wordt voldaan en de burgemeester geen aanleiding ziet om het evenement alsnog te verbieden. Daarbij komt dat de belangen van [eiseres] en de standhouders bij het doorgaan van het evenement aanzienlijk zijn. [de B.V.] wil het veiligheidsrisico niet nemen en dat is op zich niet onbegrijpelijk, maar als de burgemeester dit risico verantwoord acht, weegt dat ook zwaar.
De conclusie is dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [de B.V.] zich, ondanks het besluit van 13 mei 2026 van de burgemeester en de belangen van [eiseres] , op artikel 7.2 van haar algemene voorwaarden beroept, mede gegeven het feit dat [de B.V.] dit besluit eenzijdig heeft genomen en dat volgens dit artikel iedere aanspraak op schadevergoeding van [eiseres] is uitgesloten als dit beroep hierop aanvaardbaar zou worden geacht. De vorderingen 1 en 2 worden gelet op het voorgaande toegewezen.
[eiseres] heeft niet concreet gesteld dat [de B.V.] zich tegenover derden publiekelijk heeft uitgelaten over het niet doorgaan van het evenement of dat zij dit zal doen. Vordering 3 van [eiseres] wordt daarom afgewezen wegens het ontbreken van belang.
De gevorderde dwangsom wordt toegekend. De kantonrechter matigt deze tot € 100.000,00 per overtreding en ziet geen reden voor een aanvullende dwangsom van € 50.000,00 per dag dat een overtreding voortduurt, omdat van de op te leggen dwangsom naar verwachting een voldoende prikkel uitgaat en de gevorderde dwangsom op een zeer korte periode betrekking heeft.
[de B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. De proceskosten worden begroot op:
- kosten dagvaarding
€
129,54
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
1.231,54
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [de B.V.] tot nakoming van de tussen partijen op 23 maart 2026 gesloten huurovereenkomst, in het bijzonder door [eiseres] op zaterdag 16 mei 2026 en zondag 17 mei 2026 het overeengekomen gebruik van de Evenementenhal [naam 2] aan de [adres] in [plaats] te verschaffen voor [naam 1] Event, conform de tussen partijen gesloten huurovereenkomst,
veroordeelt [de B.V.] om alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de uitvoering van de door de burgemeester van de gemeente Gorinchem opgelegde veiligheidsvoorwaarden, waaronder de schouw door de gemeente en de politie, de inzet van explosievenhonden en de toegang van het door [eiseres] ingeschakelde gecertificeerde beveiligingsbedrijf gedurende het volledige door de gemeente voorgeschreven tijdvak (vanaf vrijdag 15 mei 2026 23:00 uur tot en met zondag 17 mei 2026 20:00 uur), dit alles onder de voorwaarden dat (a) [eiseres] het aantal bezoekers van het evenement maximeert tot 3.000 en (b) [eiseres] op eigen kosten en met vrijwaring van [de B.V.] voldoet aan alle door de burgemeester van Gorinchem in het besluit van 13 mei 2026 gestelde voorwaarden, wat niet afdoet aan de bevoegdheid van de burgemeester om het evenement te verbieden als de burgemeester dat noodzakelijk en passend acht,
veroordeelt [de B.V.] om aan [eiseres] na betekening van dit vonnis een dwangsom te betalen van € 100.000,00 per overtreding van de veroordelingen in 2.1 en 2.2,
veroordeelt [de B.V.] in de proceskosten van € 1.231,54, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de B.V.] niet aan de veroordelingen voldoet en het vonnis wordt betekend,
veroordeelt [de B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
35850/50949