RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 in de zaak tussen
de burgemeester van de gemeente Hoeksche Waard
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3002
[naam verzoeker] , verzoeker, en [naam verzoekster], verzoekster, uit [plaats] ,
samen te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. E.J.H. van Lith),
en
(gemachtigden: mr. F.M. van Jaarsveld, mr. A. Meijer en mr. M. van Zuuren).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam vastgoedbedrijf] in [vestigingsplaats] (pandeigenaar).
De burgemeester heeft besloten de woning van verzoekers voor de duur van drie maanden te sluiten, omdat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Zij volgt de burgemeester daarmee in het standpunt dat een sluiting voor drie maanden in dit geval noodzakelijk en evenwichtig is.
Procesverloop
1. Met de bestreden besluiten van 3 april 2026 heeft de burgemeester de sluiting bevolen van de woning op het adres [adres] in Oud-Beijerland voor de duur van drie maanden. Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 8 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het bestreden besluit geschorst.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Uit de bestuurlijke politierapportage van 12 februari 2026 blijkt dat de districtsrecherche in 2025 een strafrechtelijk onderzoek is gestart naar een criminele organisatie die zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen en witwassen in Tilburg en omgeving. Inmiddels zijn zeven verdachten aangehouden, waaronder verzoeker. Verzoeker wordt ervan verdacht binnen deze criminele organisatie een aansturende rol te spelen. Hij zou hiermee een financieel vermogen hebben opgebouwd van meer dan geringe betekenis. Het politieonderzoek loopt nog.
Verzoekers zijn begin januari 2026 vanuit de regio Tilburg naar de woning aan de [adres] in Oud-Beijerland (de woning) verhuisd. Verzoekers zijn huurders van deze woning. De woning is eigendom van [naam vastgoedbedrijf] in Rotterdam.
Op 10 februari 2026 heeft de politie diverse verdachten uit het strafrechtelijk onderzoek aangehouden, waaronder verzoeker. Verzoeker is aangehouden in de woning. Na de aanhouding heeft de politie de woning doorzocht. In de woning werden de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:
een contant geldbedrag van € 8.185,-;
drie mobiele telefoons en 14 prepaid simkaarten;
30 pillen 2CB;
30 pillen XTC;
12,61 gram MDMA.
Uit de politiesystemen blijkt dat verzoeker de afgelopen vijf jaar meerdere antecedenten op zijn naam heeft staan. In 2021 is een hennepkwekerij met 167 planten in zijn woning aangetroffen.
Waar gaat deze zaak om?
3. De burgemeester heeft op basis van de politierapportage besloten om de woning voor drie maanden te sluiten. De sluiting is gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid gemeente Hoeksche Waard 2026 (Damoclesbeleid). Een sluiting van drie maanden is volgens de burgemeester een geschikt en noodzakelijk middel om de daarmee beoogde doelen te bereiken en voldoende evenwichtig, gelet op de belangen die met de sluiting zijn gediend.
4. Verzoekers zijn het met de sluiting niet eens en willen met hun verzoek bereiken dat de woning open mag blijven, totdat op het bezwaar is beslist.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
De voorzieningenrechter neemt in deze zaak het spoedeisend belang aan. De sluiting heeft tot gevolg dat verzoekers drie maanden lang geen toegang hebben tot de woning en, al dan niet tijdelijk, dakloos zullen zijn. Daarbij heeft een sluiting mogelijk ook gevolgen voor de huurovereenkomst. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Bevoegdheid
7. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen, indien in een lokaal (waaronder begrepen: een woning) een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van 0,5 gram harddrugs (of minder) de aangetroffen hoeveelheid nog als een gebruikershoeveelheid kan worden gezien.
In de woning zijn 30 2CB pillen, 30 XTC pillen en 12,61 gram MDMA aangetroffen. XTC, 2CB en MDMA komen voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. De burgemeester is daarom in beginsel bevoegd om de woning te sluiten. Dit wordt door verzoekers ook niet betwist.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan?
8. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de eerder genoemde Damoclesbeleid vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester dan in alle gevallen zonder meer tot sluiting kan overgaan. Steeds zal hij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn om de met de sluiting gediende doelen te bereiken.
Geschiktheid
9. De sluiting van de woning is op zichzelf een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel van de openbare orde en het verder voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning. Een sluiting is tevens een geschikt middel om een signaal af te geven aan de omgeving en aan drugscriminelen, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
Het enkele tijdsverloop sinds 10 februari 2026 maakt de sluiting op zichzelf nog niet ongeschikt. De burgemeester heeft voldoende voortvarend gehandeld. Na ontvangst van de politierapportage heeft de burgemeester op 4 maart 2026 een voornemen tot sluiting aan verzoekers bekend gemaakt. Verzoekers hebben (eerst) op 24 maart 2026 een zienswijze ingediend. Op 3 april 2026 heeft de burgemeester de bestreden besluiten genomen.
Aan de geschiktheid van de sluiting doet verder niet af dat de politie de drugs op 10 februari 2026 al in beslag heeft genomen. In beginsel was de kans op herhaling op dat moment nog steeds aanwezig.
Noodzaak
10. Indien de sluiting geschikt is dient de burgemeester nog wel de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (een waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
De burgemeester hanteert bij het toepassen van haar bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet het eerdergenoemde Damoclesbeleid. Volgens dit Damoclesbeleid gaat de burgemeester bij het aantreffen van meer dan 5 gram harddrugs in een woning, bij een 1e constatering, in beginsel over tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden. Omdat verzoekers nog maar kort in de woning wonen, heeft de burgemeester besloten de sluiting te verkorten naar drie maanden.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Het gaat bovendien om drie verschillende soorten harddrugs. De burgemeester mocht er daarom vanuit gaan dat deze drugs in beginsel bestemd waren voor de verkoop, aflevering en/of verstrekking in of vanuit de woning en dat de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel. De voorzieningenrechter acht het gezien de hoeveelheid pillen (60 stuks) niet aannemelijk dat de drugs puur voor eigen gebruik (met vrienden) waren bedoeld. Bovendien geldt het verstrekken van harddrugs aan vrienden voor eigen gebruik ook als verstrekken als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet.
Daarnaast zijn in de woning ook een groot geldbedrag, meerdere simkaarten en drie mobiele telefoons aangetroffen. Voor de herkomst van het geldbedrag hebben verzoekers een verklaring gegeven. Daarbij heeft verzoekster verklaard dat zij het geld heeft teruggekregen. Uit de brief van het Openbaar Ministerie (OM) van 8 april 2026 blijkt dat het OM de zaak tegen verzoekster heeft geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Hoewel uit deze brief niet blijkt dat het OM ervan uitgaat dan verzoekster het geld op rechtmatige wijze heeft verkregen, heeft de voorzieningenrechter evenmin aanwijzingen dat het geldbedrag eenduidig in verband is te brengen met de vermeende criminele activiteiten van verzoeker. De drie telefoons behoorden volgens verzoekers toe aan verzoeker. Het zou gaan om zijn werktelefoon, zijn privételefoon en een kapotte telefoon. De politie heeft onderzoek gedaan aan de privételefoon van verzoeker. Daarbij is geen informatie aangetroffen waaruit blijkt dat verzoeker zich bezig houdt of heeft gehouden met handel in harddrugs of witwassen. Dit neemt echter niet weg dat in de woning ook een aanzienlijke hoeveelheid simkaarten is aangetroffen, waarvoor verzoekers geen verklaring hebben gegeven. Een dergelijke hoeveelheid (prepaid) simkaarten heeft, in combinatie met de aangetroffen hoeveelheid drugs, voor de burgemeester eens te meer reden kunnen zijn om handel in (hard)drugs in of vanuit de woning aan te nemen. Daarbij is van belang dat verzoeker tevens wordt verdacht van het aansturen van een criminele organisatie die zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen en witwassen.
De burgemeester spreekt daarom terecht van een ernstige situatie die een sluiting van drie maanden rechtvaardigt. De burgemeester heeft geen aanleiding hoeven zien om met een lichter middel, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom, te volstaan. Hieraan kan niet afdoen dat er geen sprake is (geweest) van (drugsgerelateerde) overlast of loop op de woning. Overigens kan de voorzieningenrechter uit de petitie van omwonenden en de meldingen van 6 februari, 26 februari en 26 maart 2026 niet zonder meer afleiden dat die loop er wel was.
Is de sluiting evenwichtig?
11. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor verzoekers afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is echter niet per definitie onevenwichtig. Daarbij kijkt de voorzieningenrechter onder meer naar de mate waarin verzoekers van de situatie op 10 februari 2026 een verwijt kan worden gemaakt.
Inherent aan de sluiting is dat de bewoners de woning moeten verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de sluitingsmaatregel per definitie onevenredig is. Dat zou mogelijk anders zijn als verzoekers van de overtreding in de woning geen enkel verwijt valt te maken. Verzoekers zijn als hoofdbewoners in beginsel verantwoordelijk voor wat er in de woning gebeurt. Gezien de verdenkingen aan het adres van verzoeker is voor de voorzieningenrechter duidelijk dat de situatie in de woning hem kan worden verweten. Wat betreft verzoekster zijn er onvoldoende aanknopingspunten dat zij wist, of had kunnen weten, van de verdovende middelen en andere zaken die in de woning zijn aangetroffen en door de politie in beslag zijn genomen. Daarbij is van belang dat de drugs zijn aangetroffen in een jas die in de kledingkast van verzoeker hing. Tevens is van belang dat het OM naar aanleiding van verzoeksters verklaringen heeft besloten om verzoekster niet verder te vervolgen.
De voorzieningenrechter weegt in het voordeel van verzoekers mee dat de verhuurder en pandeigenaar heeft gedreigd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden als de woning wordt gesloten. Dit is echter van onvoldoende gewicht om de sluiting al daarom niet evenwichtig te achten. Verzoekers hebben niet onderbouwd dat zij niet over voldoende financiële middelen beschikken om andere woonruimte te kunnen betalen. Daarbij heeft de burgemeester verklaard dat verzoekers, als zij echt geen vervangende woonruimte kunnen vinden, zich bij de gemeente kunnen melden voor hulp bij het vinden van onderdak.
12. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en heft daarbij de ordemaatregel van 8 april 2026 op. Dat betekent dat de burgemeester de woning mag sluiten. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: