ECLI:NL:RBROT:2026:5739

ECLI:NL:RBROT:2026:5739

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer ROT 26/2695
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Varia, vovo, gebiedsverbod De burgemeester heeft verzoeker een gebiedsverbod opgelegd, nadat hem driemaal een wijkverbod is opgelegd. Verzoeker heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en veroorzaakt stelselmatig overlast in het centrum van Rotterdam. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoeker kan contact opnemen met de gemeente om een looproute naar de daklozenopvang vast te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker

de burgemeester van Rotterdam

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/2695

(gemachtigde: mr. K.T. Kan),

en

(gemachtigden: mr. S.B.H. Fijneman en mr. V. Aziz).

Deze uitspraak gaat over het opleggen van een gebiedsverbod aan verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 16 maart 2026, uitgereikt aan verzoeker in persoon op 24 maart 2026, heeft de burgemeester verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor het gebied ‘Centrum’. Het gebiedsverbod is ingegaan op 24 maart 2026 (datum uitreiking) en geldt voor de duur van drie maanden (tot 24 juni 2026).

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

2. Uit de bestuurlijke politierapportage van 26 december 2025 blijkt dat verzoeker zich ophoudt rond, dan wel deel uitmaakt van een groep dak- en thuislozen die ernstige overlast veroorzaken in het centrum van Rotterdam. Het gaat om een groep die alle zorg weigert, op straat slaapt en daar ook hun behoefte doet, terwijl zij een slaapplek hebben in de daklozenopvang, en in het openbaar drugs gebruikt. Binnen deze groep zijn enkele vaste drugsdealers aan te wijzen, zoals verzoeker. Uit de politiesystemen blijkt dat van verzoeker in de afgelopen vijf jaar meerdere antecedenten bekend zijn. Vanaf 2 september 2023 gaat het daarbij ook, en vooral, om opiumdelicten (bezit van en/of handel in harddrugs) en om ernstige geweldsdelicten. Daarnaast heeft verzoeker in de periode vanaf 30 juli 2025 meerdere politieregistraties op zijn naam staan.

Verzoeker heeft op 14 oktober 2025 een wijkverbod gekregen voor de duur van drie dagen. Op 16 oktober 2025 is hem een wijkverbod opgelegd van 14 dagen, (mede) vanwege het overtreden van het eerdere wijkverbod. Op 16 december 2025 is hem een wijkverbod opgelegd van 30 dagen. De politie heeft de burgemeester thans verzocht om verzoeker een gebiedsverbod op te leggen voor het hele basisteam Centrum. Hiermee wordt volgens de politie het zogeheten ‘waterbed-effect’ tegengegaan. Daarbij kan het overtreden van een gebiedsverbod (een misdrijf) leiden tot het opleggen van een ISD-maatregel en een behandeltraject.

Waar gaat deze zaak om?

3. De burgemeester heeft naar aanleiding van de politierapportage besloten verzoeker een gebiedsverbod voor drie maanden op te leggen voor het gebied ‘Centrum’. Wat betreft de omvang van het gebied wijst de burgemeester op de bij het besluit gevoegde kaartmateriaal. Uit de politierapportage blijkt dat verzoeker al langere tijd overlastgevend gedrag vertoont. Ondanks dat hem meerdere maatregelen zijn opgelegd, waaronder drie keer een wijkverbod, blijft hij het overlastgevende gedrag voortzetten. Daarmee draagt verzoeker in negatieve zin bij aan het veiligheidsgevoel van de bewoners en ondernemers in het centrum van Rotterdam, dat al langere tijd kampt met ernstige en stelselmatige overlast veroorzaakt door dak- en thuislozen. De burgemeester ziet een gebiedsverbod daarom als een proportionele en noodzakelijke maatregel. Zij acht daarbij het belang van verzoeker om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen ondergeschikt aan het belang van de bescherming van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat in het centrum van Rotterdam.

4. Verzoeker is het met dit besluit niet eens en wil met zijn verzoek bereiken dat het gebiedsverbod wordt opgeheven.

Spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.

Verzoeker voert aan dat het gebiedsverbod ook zijn sociale opvanglocaties omvat, zoals de Pauluskerk en de nachtopvang van het Leger des Heils. Deze plekken kan hij nu niet meer bereiken. Hierdoor wordt hij gedwongen op straat te slapen met het risico weer te worden aangehouden. Gelet hierop neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang wel aan.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af

6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Voornemen

7. Verzoeker betwist dat hij het voornemen van 9 februari 2026 tot het opleggen van een gebiedsverbod heeft ontvangen. De voorzieningenrechter kan verzoeker hierin niet volgen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het voornemen op 9 februari 2026 om 17.36 uur aan verzoeker is uitgereikt, maar dat hij niet voor ontvangst heeft willen tekenen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker de inhoud en strekking van het voornemen niet (goed) heeft begrepen.

Mocht de burgemeester verzoeker een gebiedsverbod opleggen?

8. De burgemeester baseert haar besluit op artikel 172a van de Gemeentewet en de mede op dat artikel gebaseerde Beleidsregel overlastgevende personen 2016 (Beleidsregel).

Op grond van artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, voor zover hier aan de orde, kan de burgemeester aan een persoon die individueel de openbare orde ernstig heeft verstoord, dan wel herhaaldelijk individueel de openbare orde heeft verstoord, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een gebiedsverbod opleggen.

De Beleidsregel zegt over het gebiedsverbod, voor zover relevant, het volgende:

“III. Gebiedsverbod

Indien de openbare ordeverstoring van ernstige aard is of herhaaldelijk en voor het merendeel individueel hebben plaatsgevonden zal in beginsel een gebiedsverbod worden opgelegd. (…) Een overlastgever krijgt het bevel van de burgemeester zich niet (al dan niet gedurende bepaalde tijdstippen) te bevinden in (…) een of meer bepaalde delen van de gemeente. Het gebiedsverbod wordt in beginsel opgelegd voor het gebied waar de overlast heeft plaatsgevonden. Indien het, gelet op de druk op de openbare orde in een ander gebied, noodzakelijk wordt geacht, kan ook dat gebied worden aangewezen. Indien noodzakelijk wordt een looproute aangegeven. Het gebiedsverbod wordt opgelegd voor de duur van drie maanden, met de mogelijkheid van drie keer drie maanden verlenging, of voor vast te stellen tijdstippen of perioden, verspreid over ten hoogste negentig dagen binnen een tijdvak van ten hoogste vierentwintig maanden zonder mogelijkheid tot verlenging.”

Uit de politierapportage volgt dat verzoeker de openbare orde in het centrum van Rotterdam ernstig heeft verstoord. Deze ernstige openbare ordeverstoring blijkt onder meer uit het feit dat verzoeker zich als drugsdealer heeft opgehouden binnen een groep van dak- en thuislozen die stelselmatig overlast veroorzaakt. Zij slapen op straat en in portieken, doen hun behoefte op straat, plegen geweldsincidenten en gebruiken harddrugs in het openbaar. Verzoeker is in de afgelopen zes maanden meermalen door de politie aangehouden met harddrugs (gripzakjes met cocaïne) op zak, onder meer op 16 oktober, 21 november, 29 november en 16 december 2025. De burgemeester heeft op grond hiervan mogen aannemen dat verzoeker een belangrijke rol speelde in het in stand houden van die (stelselmatige) overlast. Hieraan doet niet af dat bewoners en ondernemers in het centrum niet specifiek over de persoon van verzoeker hebben geklaagd. De burgemeester was daarom bevoegd verzoeker een gebiedsverbod op te leggen.

Heeft de burgemeester voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan?

9. Verzoeker voert aan dat het onderzoek door de burgemeester niet zorgvuldig is geweest. De antecedenten van 7 november 2023 en 26 oktober 2023 zijn geseponeerd wegens onvoldoende bewijs en het antecedent ‘doodslag/moord’ niet heeft plaatsgevonden. Dit blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie. De burgemeester heeft deze antecedenten daarom ten onrechte als door verzoeker gepleegde strafrechtelijke feiten in de besluitvorming betrokken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester op de zitting heeft verklaard dat het antecedent van 7 november 2023 is afgedaan met een strafbeschikking van het Openbaar Ministerie en dat het antecedent van 26 oktober 2023 inderdaad is geseponeerd. Het antecedent ‘doodslag/moord’ heeft de burgemeester niet aan het gebiedsverbod ten grondslag gelegd. Ook als de voorzieningenrechter deze antecedenten buiten beschouwing laat, blijven nog voldoende recente antecedenten over die verzoeker niet heeft betwist en die de burgemeester aan het gebiedsverbod ten grondslag heeft mogen leggen.

Heeft de burgemeester de belangen van verzoeker voldoende in acht genomen?

10. Verzoeker voert aan dat zijn belangen onvoldoende in de besluitvorming zijn meegewogen. Een gebiedsverbod voor drie maanden is volgens verzoeker niet noodzakelijk en niet proportioneel. Hij wordt hierdoor ernstig in zijn bewegingsvrijheid beperkt en kan zijn vaste opvanglocaties niet bereiken.

De Beleidsregel schrijft voor dat een gebiedsverbod wordt opgelegd voor ten minste drie maanden. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat drie maanden de standaardtermijn is, waarvan in principe niet wordt afgeweken. De voorzieningenrechter acht deze termijn in verzoekers geval niet onredelijk lang. Daarbij laat de voorzieningenrechter zwaar meewegen dat verzoeker tot driemaal toe een wijkverbod heeft gekregen en dat hij zich, bij herhaling, niet aan deze wijkverboden heeft gehouden en in een andere wijk is doorgegaan met het dealen van (hard)drugs. De burgemeester heeft daarom kunnen besluiten verzoeker een gebiedsverbod op te leggen voor een groter gebied (dan alleen de wijken waar verzoeker zich normaliter ophoudt).

11. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het gebiedsverbod in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand