ECLI:NL:RBROT:2026:5741

ECLI:NL:RBROT:2026:5741

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer 71/287799-34
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Mega StLouis. Veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet (artikel 11b), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne, het medeplegen van de invoer van een grote partij cocaïne (7.700 kilogram), het medeplegen van witwassen en het medeplegen van het zonder handelsvergunning voorhanden hebben van (een grote hoeveelheid) Tramadol-pillen, tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest. Beperkte overschrijding redelijke termijn. Beslissing op beslag. Toepassing artikel 63 Wetboek van Strafrecht. Wijziging voorwaarden voorlopige hechtenis.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 71/287799-34

Datum uitspraak: 6 mei 2026

Datum zitting: 18, 20, 30 en 31 maart 2026 en 6 mei 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats],

thans uit andere hoofde gedetineerd in [detentieadres].

Advocaat van de verdachte: mr. E.M. Steller, advocaat in Amsterdam.

Officieren van justitie: mrs. S. Kubicz en J.J. Arends (hierna: de officier van justitie).

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet (artikel 11b), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne, het medeplegen van de invoer van een grote partij cocaïne, het medeplegen van witwassen en het medeplegen van het voorhanden hebben van (een grote hoeveelheid) Tramadol-pillen. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest. De schorsing van de voorlopige hechtenis blijft doorlopen.

Leeswijzer

De rechtbank acht de aan de verdachte ten laste gelegde feiten (vermeld in bijlage 1) voor het overgrote deel bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren staan in hoofdstuk 2.

De uitgewerkte bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage 2.

De bewezen feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 3.

In hoofdstuk 4 wordt de aan de verdachte opgelegde straf nader toegelicht.

In hoofdstuk 5 staat de beslissing over de inbeslaggenomen goederen, in hoofdstuk 6 de beslissing over de voorlopige hechtenis en in hoofdstuk 8 worden alle beslissingen in het kort opgesomd.

1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) is opgenomen in bijlage 1.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten onder 1, 2, 3, 4 primair en 5.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2, 3 (gedeeltelijk), 4 primair en 5 vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van feit 4 primair is aangevoerd dat er geen bewijs is voor de stelling dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de ten laste gelegde invoer van cocaïne, ook niet in de zin van medeplegen. De verdachte beschikte niet over de ‘[telefoon 1] en was niet de gebruiker daarvan. Ook heeft hij de ‘[telefoon 2] niet overgedragen aan een ander. Het dossier bevat wel aanwijzingen voor betrokkenheid hierbij van andere verdachten. Eventueel schakelbewijs, zoals aangevoerd door de officier van justitie, ontbreekt. Verder wijst de verdediging op de bevindingen uit het onderzoek Akimo, waaruit valt af te leiden dat een andere groep – waar de verdachte evenmin onderdeel van is – mogelijk bezig was met de invoer van de ten laste gelegde partij cocaïne.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat de verdachte slechts hand- en spandiensten heeft verricht ten aanzien van – voor zover hij kon weten – het transport en de opslag van een partij bananen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte wist dat een transport van cocaïne werd voorbereid of dat de verdachte daartoe het (voorwaardelijk) opzet had. Dat [medeverdachte 1] volgens zijn verklaring vermoedde dat het om cocaïne zou gaan, maakt dit niet anders. De verklaring van [medeverdachte 1] kan niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat de verdediging geen reële ondervragingsmogelijkheid heeft gehad en de verklaring als ‘sole and decisive’ is aan te merken. Ook overigens is niet zonder meer vast te stellen dat het om een transport van cocaïne zou gaan, temeer nu elders in het onderzoek een grote hoeveelheid Tramadol-pillen is aangetroffen. Het voorbereiden van een dergelijk transport is niet strafbaar.

Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat de ten laste gelegde bedragen van 10.000 euro (eerste gedachtestreepje, minus 2.300 euro behorende aan de dochter en partner) en 18.050 euro (tweede gedachtestreepje) zijn verkregen uit eigen, eerder bestraft misdrijf. De verdachte heeft dit geld deels opgeborgen en begraven. Dat deed hij echter niet om de herkomst daarvan te verhullen, zodat hij van dit onderdeel moet worden vrijgesproken. Subsidiair is niet vast te stellen wanneer hij het geld heeft begraven, waardoor niet kan worden bewezen dat dit in de ten laste gelegde periode is gebeurd. Voor wat betreft het overdragen van een geldbedrag van 14.000 euro heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 5 is aangevoerd dat het dossier geen bewijs bevat voor betrokkenheid bij of het medeplegen hiervan door de verdachte. De foto’s op de telefoon van de verdachte zeggen niets over het eigendom of de beschikkingsmacht van de verdachte of over het in voorraad hebben van de Tramadol-pillen. Verder kan evenmin bewezen worden dat de verdachte op de ten laste gelegde datum (10 januari 2024) beschikkingsmacht had over de pillen, aangezien hij toen al in voorarrest verbleef.

Gelet op het vorengaande kan niet worden bewezen dat de verdachte met een of meer medeverdachten heeft deelgenomen aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarvan het oogmerk het plegen van drugsfeiten was. Om die reden dient volgens de verdediging (ook) voor feit 1 vrijspraak te volgen.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

De bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 4 primair en 5 is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

Bewijsmotivering

De rechtbank zal bij de bewijsoverweging de feiten 1, 2, en 4 primair gezamenlijk en de feiten 3 en 5 apart bespreken. Zij stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Feiten 1, 2 en 4 primair

De rechtbank bespreekt hieronder de belangrijkste bevindingen bij het onderzoek 26Rouen en 26StLouis en zal daarna ingaan op de rol daarbij van de verschillende verdachten in relatie tot de hen ten laste gelegde feiten.

Onderzoek 26Rouen

In de periode van 14 tot en met 16 oktober 2023 is een container met ruim 7.700 kilogram cocaïne, verstopt in een lading bananen, vanuit Ecuador via de Westerschelde de haven van Antwerpen ingevoerd. De container was bestemd voor het bedrijf [bedrijf 1] in Lelystad. De partij cocaïne is onderschept door de autoriteiten in België en is op 15 oktober 2023 in beslag genomen. Een klein deel van de cocaïne is in de container teruggeplaatst en daarna doorgelaten voor verder transport. De container is opgehaald uit het havengebied en op 16 oktober 2023 via de weg naar Nederland vervoerd naar het bedrijf [bedrijf 2] in Bleiswijk (hierna ook: [bedrijf 2]). Eenmaal daar aangekomen heeft een inval plaatsgevonden in de loods en zijn de chauffeur van de vrachtwagen met container (verdachte Liberda) en enkele andere aanwezige personen aangehouden.

Onder [medeverdachte 2] zijn twee telefoons in beslag genomen, waaronder een Samsung Galaxy A14. Aan deze telefoon was de gebruikersnaam ‘[gebruikersnaam]’ gekoppeld. Het enige opgeslagen tegencontact had als naam ‘Desperado’. Uit de communicatie tussen deze accounts valt af te leiden dat [medeverdachte 2] van Desperado opdrachten kreeg met betrekking tot het transport op 16 oktober 2023. Uit onderzoek is gebleken dat de [telefoon 2], samen met de [telefoon 1], op 14 oktober 2023 in Ede is aangeschaft en dat beide telefoons diezelfde dag zijn geactiveerd. De kassabon bij de aankoop van de telefoons bevond zich in de laptoptas van de [medeverdachte 3], die op 26 oktober 2023 in beslag werd genomen bij zijn aanhouding in het kader van het onderzoek 26StLouis.

De verdachten [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] wordt ten laste gelegd dat zij betrokken waren bij de invoer in Nederland van de partij cocaïne in de zaak 26Rouen.

Betrokkenheid 26Rouen op basis van het dossier en de verklaringen van de verdachten

Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen rondom het transport van de drugscontainer voorafgaand aan de inval in de loods in Bleiswijk en de communicatie die plaatsvond rondom dit transport. Uit onderzoek naar de bewegingen van de [telefoon 2]- en de [telefoon 1] volgt dat beide telefoons op 15 oktober 2023 aanstralen in het NH Hotel Jan Tabak in Bussum. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de [telefoon 2] die dag op deze locatie heeft gekregen.

Op camerabeelden van Jan Tabak is te zien dat [verdachte] daar die dag aanwezig was. [verdachte] heeft dit op de zitting bevestigd. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] ook de persoon was die de [telefoon 1] in gebruik had. De rechtbank wijst in dit verband op de bevinding dat de telefoon gelijktijdig aanstraalt met andere telefoons die aan [verdachte] te koppelen zijn, op adressen waar hij op die momenten aanwezig was. De communicatie die vanaf de [telefoon 1] wordt gevoerd past ook bij de aansturende rol, die blijkens het verdere dossier aan [verdachte] kan worden toegeschreven.

De [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij – samen met [medeverdachte 5] – in de dagen voor de inval aanwezig is geweest bij [bedrijf 2]. Hij was daar naar eigen zeggen om klusjes te doen en op die manier wat (zwart) geld bij te verdienen. Ook heeft hij bevestigd dat hij op de ochtend van de inval een betonschaar naar de loods heeft gebracht. Hij heeft daarnaast administratieve werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] en via de in beslag genomen OPPO-telefoon uit naam van dit bedrijf gecommuniceerd. Volgens zijn verklaring is hij op 15 oktober 2023 samen met [medeverdachte 5] bij Jan Tabak in Bussum geweest en heeft hij daar twee telefoons gebracht, die zij een dag eerder in Ede hadden gekocht en die door hem waren geactiveerd. Uit onderzoek aan de [telefoon 2] volgt dat dit een van de twee door de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] afgeleverde telefoons was. Gelet op de gelijktijdige aanschaf en activatie stelt de rechtbank vast dat de andere door de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] gebrachte telefoon de [telefoon 1] moet zijn geweest, die door [verdachte] daarna is gebruikt om [medeverdachte 2] instructies te geven.

[medeverdachte 5] heeft bevestigd dat hij meermalen, deels samen met [medeverdachte 3], bij [bedrijf 2] is geweest. Op 3 oktober 2023 was hij daar alleen in een Volkswagen Crafter die was geregeld door de [medeverdachte 3]. De Volkswagen Crafter is op naam van [bedrijf 1] gehuurd. Over zijn bezoek op 11 oktober 2023 heeft [medeverdachte 5] verklaard dat hij die dag bij [bedrijf 2] in de loods dozen heeft verplaatst. Hij was die dag met een ander voertuig, dat eveneens te relateren is aan [bedrijf 1] Verder heeft hij verklaard dat hij 5500 euro aan de [medeverdachte 3] had geleend. Uit de in beslag genomen notities in de woning van de moeder van [verdachte] blijkt dat dit bedrag bedoeld was voor de huur van pompwagens, die zijn gebruikt in de loods. [medeverdachte 5] was op 15 oktober 2023 bij Jan Tabak in Bussum, samen met de [medeverdachte 3], om de [telefoon 2] en [telefoon 1] af te leveren.

[medeverdachte 4] heeft geen verklaring willen afleggen. Uit camerabeelden van [bedrijf 2] leidt de rechtbank af dat ook hij meermalen aanwezig is geweest in de loods in Bleiswijk, in elk geval op 5, 9, 11 en 16 oktober 2023. Te zien is dat hij op 11 oktober 2023 samen met meerdere personen, onder wie [medeverdachte 5], in de loods ladingen lost en daarbij een coördinerende rol lijkt te hebben. Ook op 16 oktober 2023, de dag van de inval, was hij in de loods aanwezig, waar hij onder meer met een heftruck bananendozen verplaatste. Hij verliet de loods na enige tijd en keerde kort daarna terug samen met de medeverdachten [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8]. Kort voordat het arrestatieteam binnenviel, stapte [medeverdachte 4] in de auto van de [medeverdachte 9], waarmee hij ongezien vertrok. In zijn telefoon zijn (verwijderde) notities aangetroffen over onder meer deze ‘ontsnapping’ en over zijn betrokkenheid bij de activiteiten in de loods. Hij communiceert in meerdere chats met medeverdachten over deze gebeurtenissen. De [medeverdachte 9] heeft [medeverdachte 4] aangewezen als werknemer van [bedrijf 1]

Onderzoek 26Stlouis

Op 25 oktober 2023 werd [medeverdachte 1] door de politie met zijn vrachtwagen gecontroleerd in de buurt van Amersfoort. De oplegger was leeg, wat niet overeenkwam met de informatie op de vrachtbrief.

[medeverdachte 1] verklaarde ter plaatse tegenover de politie dat hij zojuist 20 pallets met fruit had afgeleverd op de [adres 1], dat door anderen zou worden bewerkt en dat hij enkele dagen later weer moest ophalen. Hij verklaarde dat hij wist dat de politie op zoek was naar verdovende middelen, maar dat dit niet het juiste moment was en dat hij de politie kon helpen door met hen samen te werken. Het zou gaan om grote hoeveelheden, 5.000 of 10.000 kilogram wit per keer, waarbij hij zei te vermoeden dat ‘ze’ daarmee cocaïne bedoelden. Hij refereerde hierbij aan een nieuwbericht dat de eigenaren van een partij van 7.000 kg cocaïne waren gepakt bij een fruithandel in Rotterdam of Ridderkerk. [medeverdachte 1] verklaarde ook dat hij voor de twee afgesproken ritten een vergoeding zou krijgen van ongeveer 80.000 euro.

Naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 1] heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de loods van [bedrijf 3] in Tynaarlo. Daarbij werd waargenomen dat er drie voertuigen wegreden bij de loods, waarin zich later de verdachten [medeverdachte 10], [medeverdachte 5], [medeverdachte 11], [medeverdachte 4], [medeverdachte 12] en [medeverdachte 3] bleken te bevinden. In de loods werd een grote hoeveelheid bananen aangetroffen op pallets buiten de aanwezige koelcel. Verder werden drie bakwagens en een vrachtauto aangetroffen, alle zonder kentekenplaten en voorzien van een verborgen ruimte. In een van de verborgen ruimtes lag een tas met containerzegels en een vuurwapen. Deze bevindingen vormden de aanleiding voor het onderzoek 26StLouis.

Door verschillende raadslieden zijn opmerkingen gemaakt met betrekking tot de inhoud en betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] op 25 oktober 2023, nu hij later heeft aangegeven dat hij door de politie verkeerd is begrepen en heeft geweigerd hierover inhoudelijk nader te verklaren. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal bij zijn staandehouding blijkt dat [medeverdachte 1] anoniem een verklaring wilde afleggen. Nadat hij er door de politie meermalen op was gewezen dat dit niet mogelijk was, heeft hij toch een verklaring afgelegd. [medeverdachte 1] is gehoord met telefonische bijstand door een beëdigde tolk in de Turkse taal. Deze verklaring is door de politie nader onderzocht en op belangrijke onderdelen bevestigd. Mede in het licht van de door [medeverdachte 1] genoemde vergoeding voor zijn werkzaamheden, wijst dit onderzoek evident in de richting van verdovende middelen. De rechtbank ziet op kernonderdelen geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vertaalde inhoud van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring. Zij is daarbij voorts van oordeel dat deze verklaring in samenhang met andere onderzoeksresultaten moet worden beoordeeld en tegen die achtergrond niet als ‘sole and decisive evidence’ kan worden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het verweer tot bewijsuitsluiting wordt daarom verworpen. De verklaring van [medeverdachte 1] is voldoende betrouwbaar en kan als bewijs worden gebruikt.

Verdere onderzoeksresultaten

Naast de genoemde goederen werd in een verborgen ruimte in één van de voertuigen in de loods een handleiding gevonden voor een LionLaser graveermachine. Verder werden in een cabine een geldtelmachine en een sealapparaat aangetroffen. Een dag na de inval werd bij de loods nog een vierde bakwagen gebracht, opnieuw zonder kentekenplaten, waarin eveneens een verborgen ruimte was ingebouwd. In elk van de cabines van de in beslag genomen voertuigen werd een set Belgische kentekenplaten gevonden. In de kantoorruimte bij de loods stond een Boni-boodschappentas met daarin een OPPO-telefoon en bankpasjes op naam van [bedrijf 1]

Het onderzoek wijst uit dat de in beslag genomen voertuigen met de verborgen ruimtes opgehaald waren bij een loods aan de [adres 2]. Deze loods is op 31 oktober 2023 eveneens doorzocht, waarbij diverse grondstoffen, chemicaliën en goederen werden aangetroffen die geschikt zijn voor het vervaardigen en/of bewerken van (meth)amfetamine. Ook bevonden zich meerdere slaapcabines in de loods in Lelystad.

(Meth)amfetamine

Ten aanzien van het nog niet in werking zijnde (meth)amfetaminelab in de loods in Lelystad overweegt de rechtbank dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat de verdachten in de onderhavige strafzaak bij de inrichting hiervan betrokken zijn geweest. De rechtbank baseert dit oordeel onder meer op de omstandigheid dat de betreffende goederen zijn aangetroffen in een afgesloten deel van de loods (deel C) waarvan de verdachten blijkens het dossier geen gebruik maakten. Hun communicatie via de in beslag genomen telefoons duidt evenmin op betrokkenheid hierbij. Immers, uit deze communicatie blijkt juist dat de verdachten hun activiteiten wilden verplaatsen naar Tynaarlo en hun werkzaamheden in Lelystad wilden stoppen vanwege de verhoogde kans op ontdekking na door de autoriteiten aangekondigde maatregelen bij een milieucontrole. Om die reden moesten de aanvankelijk beoogde delen van de loods (delen A en B) worden opgeruimd, kennelijk om geen sporen achter te laten. Dit past bij de bevindingen ten tijde van de doorzoeking. De rechtbank zal de verdachten vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het aangetroffen (meth)amfetaminelab.

Frisdranktelefoons en overige telefoonaccounts

In de auto waarin de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] reden (de Volkswagen Polo, kenteken [kenteken 1]) is een laptoptas aangetroffen. In deze tas bevonden zich de kassabonnen van de aankoop van de [telefoon 2] en [telefoon 1] op 14 oktober 2023 (zie hiervoor onder 26Rouen) en van een viertal Samsung A14 telefoons op 16 oktober 2023. Deze laatste telefoons zijn – kort na de inval in Bleiswijk – respectievelijk op 16 en 17 oktober 2023 geactiveerd. De WhatsApp-accountnamen [accountnaam 1], [accountnaam 2], [accountnaam 3] en [accountnaam 4] zijn toen in gebruik genomen.

Bij aanhouding van de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] zijn Samsung A14-telefoons aangetroffen, waaraan frisdranknamen waren gekoppeld. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 5]. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 2]. [medeverdachte 4] heeft geen verklaring afgelegd. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat hij de persoon is die gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 1].

Bij aanhouding van [medeverdachte 1] is een iPhone 6s-telefoon in beslag genomen. Op deze telefoon is op 15 oktober 2023 een Signal-account met de naam [naam 1] geactiveerd. Deze telefoon bevat een tegencontact onder de naam [naam 2], die screenshots van berichten heeft toegestuurd van iemand met de bijnaam [accountnaam 4]. Deze berichten zien op het ophalen en brengen van pallets naar Tynaarlo. Uit het onderzoek volgt dat [verdachte] de gebruiker was van de telefoon met het account [accountnaam 4].

Het frisdrankaccount [accountnaam 3] is in het onderzoek toegeschreven aan [medeverdachte 14]. Hoewel hij het gebruik van dit account heeft ontkend, ziet de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen bij het identificatieonderzoek.

In het onderzoek is verder communicatie aangetroffen afkomstig van de accounts ‘[accountnaam 6]’ en ‘[accountnaam 7]’. Hoewel beide verdachten dit ontkennen, leidt de rechtbank uit de bevindingen bij het onderzoek af dat deze accounts zijn te koppelen aan respectievelijk [medeverdachte 13] en [medeverdachte 10].

Betrokkenheid op basis van het dossier en de verklaringen van de verdachten

Uit het onderzoek aan de (frisdrank)telefoons is de verdenking ontstaan dat de verdachten [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], [medeverdachte 13], [medeverdachte 10], [medeverdachte 14] en [medeverdachte 1] betrokken waren bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. Voor zover zij hebben willen verklaren, wordt deze verdenking door alle verdachten weersproken. De rechtbank bespreekt in dit verband per verdachte de bevindingen bij het onderzoek.

[verdachte] communiceerde met het account [accountnaam 4] onder meer met de verdachten [medeverdachte 3] ([accountnaam 5]) en [medeverdachte 4] ([accountnaam 1]). Deze communicatie wijst op betrokkenheid bij drugsgerelateerde voorbereidingshandelingen. De rechtbank wijst onder meer op een chatsessie met [accountnaam 5] (proces-verbaal [proces-verbaalnummer 1]) waarin [accountnaam 4] hem instructies geeft. In gesprek met [medeverdachte 4] ([accountnaam 1]) over het zoeken van een nieuwe locatie zegt [accountnaam 4]: ‘Denk dat ik toch noorden kies als die Postduif niet doorgaat’. Uit andere chats blijkt [verdachte] ook verantwoordelijk voor de financiële zaken. Zo vraagt [accountnaam 5] of [verdachte] hem nog “17.5 k” wil betalen voor een oude klus en of hij ook het restant wil meenemen voor [accountnaam 2] (verdachte [medeverdachte 5]). In de woning van de moeder van [verdachte] is (handgeschreven) financiële administratie aangetroffen die gerelateerd kan worden aan de hem ten laste gelegde feiten, alsmede diverse stortingsbewijzen van contante stortingen aan [bedrijf 1] vanaf 16 juli 2023. In een notitie wordt ‘2x electrische pompwagens 5.600’ vermeld, wat blijkens het verdere onderzoek lijkt te zien op een voorschot dat [medeverdachte 5] aan de [medeverdachte 3] heeft geleend. Ten slotte heeft [verdachte] in de ten laste gelegde periode verschillende ontmoetingen gehad met andere verdachten uit het onderzoek, onder meer bij Jan Tabak in Bussum.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 5] op 16 oktober 2023 de frisdrank-telefoons heeft gekocht. Ze deden samen klusjes en hebben in Lelystad opruimwerkzaamheden verricht, toen de werkzaamheden naar Tynaarlo werden verplaatst vanwege problemen met een milieuvergunning. Volgens zijn verklaring had hij online toegang tot de beveiligingscamera’s rondom de loods in Lelystad en keek hij die beelden ook uit. De [medeverdachte 3] heeft bevestigd dat hij meermalen aanwezig is geweest op plaatsen waar op dat moment ook de verdachten [medeverdachte 4] en [verdachte] waren. Met [verdachte] ([accountnaam 4]) en met anderen communiceerde hij via het account [accountnaam 5] met de frisdranktelefoon. Hij had het beheer over [bedrijf 1], ondernam activiteiten namens die onderneming en gebruikte ook de OPPO-telefoon, die in Tynaarlo werd aangetroffen en gekoppeld was aan [bedrijf 1] Hij is de eigenaar van de laptoptas die in de auto is aangetroffen met daarin een laptop en de kassabonnetjes. Op de laptop zijn facturen aangetroffen van [bedrijf 1] ten behoeve van [bedrijf 4] Over het betalen van facturen aan dit bedrijf is via de frisdranktelefoons gesproken door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3]. Bij de doorzoeking van de woning van de moeder van [verdachte] zijn stortingsbewijzen aangetroffen van contante stortingen aan [bedrijf 1] vanaf 16 juli 2023. In de laptoptas werden notities aangetroffen met betrekking tot [bedrijf 5], waaronder inloggegevens van online-accounts en uittreksels van de Kamer van Koophandel, waarover eveneens door de verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] in de chat wordt gecommuniceerd. Zij spreken daarin over de ‘[telefoon 3]’ en over het in beheer hebben van deze B.V.

[medeverdachte 5] heeft bevestigd dat hij de [medeverdachte 3] op 25 oktober 2023 naar Tynaarlo heeft gebracht, waar de [medeverdachte 3] in het kantoor achter de computer ging zitten. Eerder die dag heeft hij de [medeverdachte 3] naar Lelystad vervoerd. Er stonden daar bakwagens die later naar Tynaarlo werden gebracht. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij de Samsung-telefoon met het [accountnaam 2] van de [medeverdachte 3] heeft gekregen. In deze telefoon stonden ook de andere frisdrank-contacten. Verder heeft [medeverdachte 5] erkend dat hij op verschillende momenten (samen met de [medeverdachte 3]) in het gezelschap van andere verdachten is geweest, onder andere met de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] bij Jan Tabak in Bussum.

Uit onderzoek aan de privé-telefoon van [medeverdachte 5] valt af te leiden dat hij enkele dagen voor de inval samen met andere verdachten in Wernhout is geweest om (lege) bananendozen te halen. Ook geeft het onderzoek naar de reisbewegingen van de telefoon aanwijzingen dat [medeverdachte 5] betrokken is geweest bij de contante stortingen op de rekening van [bedrijf 1]

[medeverdachte 4] is op 25 oktober 2023 in Tynaarlo aangehouden en heeft geen verklaring willen afleggen. Hij wordt gekoppeld aan het account [accountnaam 1], dat is aangetroffen op de telefoon die bij zijn aanhouding onder hem in beslag is genomen. Op de [telefoon 4] zijn verwijderde notities aangetroffen uit de periode van 17 tot en met 23 oktober 2023. In de notities wordt onder meer gesproken over een pand dat niet doorgaat, over een ander gevonden pand dat beter lijkt, over Belgische bussen die worden weggebracht en over dozen die op de terugweg worden opgehaald. In een notitie van 17 oktober 2023 (de dag na de inval in de loods in Bleiswijk) wordt gezegd dat ze een groot probleem hebben en blijkt dat er totale paniek is. [medeverdachte 4] zegt dat hij denkt dat hij vandaag of morgen ook wordt opgehaald en van de weg wordt gereden door een arrestatieteam. Vanaf de [telefoon 4] wordt gecommuniceerd met andere frisdranktelefoons, waarbij met [verdachte] onder andere wordt besproken welke loods uiteindelijk zal worden gebruikt. [medeverdachte 4] heeft daarnaast contact met de verdachten [medeverdachte 14] ([accountnaam 3]) en [medeverdachte 10] ([accountnaam 7]). Hij is op cruciale momenten aanwezig in Tynaarlo, bij Jan Tabak in Bussum en in Wernhout, telkens in gezelschap van andere verdachten.

[medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij is benaderd met de vraag of hij de loods in Tynaarlo wilde verhuren en dat hij hierin heeft toegestemd. Hoewel hij enige wetenschap van drugsgerelateerde strafbare feiten ontkent, blijkt uit het dossier dat zijn betrokkenheid verder ging dan alleen het verhuren van de loods. Op de dag van zijn aanhouding is bij hem een telefoon aangetroffen met daarop het account [accountnaam 7]. Op basis van het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat dit toestel door andere personen werd gebruikt dan [medeverdachte 10]. Vanaf dit account communiceert hij onder andere met [verdachte] over de levering van containers en over het regelen van hotelkamers omstreeks 25 oktober 2023. Ook is er op het [accountnaam 1] account contact met [medeverdachte 4]. Op de telefoon van [medeverdachte 10] wordt een afbeelding gevonden van een factuur van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] met betrekking tot het transport van twee containers calciumcarbonaat vanuit Zuid-Amerika. De verdachte heeft deze transactie bevestigd en heeft verklaard dat hij de lading wilde verkopen aan de vleesindustrie. Dit is echter onwaarschijnlijk, zo blijkt uit het onderzoek. Het bestelde calciumcarbonaat blijkt niet geschikt voor menselijke consumptie en is vanuit Zuid-Amerika voor een (veel) hogere prijs aangekocht dan gangbaar is bij aankoop binnen Europa. De rechtbank acht daarom, net als de politie, aannemelijk dit een testzending betrof en dat dit transport verband hield met de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten.

[medeverdachte 13] is op 10 januari 2024 aangehouden en heeft geen verklaring willen afleggen. Bij zijn aanhouding is een huurcontract van een loods in Naarden gevonden, waar bij een doorzoeking later een partij van 3,8 miljoen Tramadol-pillen werd aangetroffen. In die loods zijn ook rollen stickers met het opschrift Dole en Rainforest Alliance in beslag genomen, die blijkens het onderzoek aan de frisdranktelefoons waren bedoeld voor de (ompak)werkzaamheden in Tynaarlo. Verder werd in Naarden een lasergraveermachine aantroffen.

[medeverdachte 13] was een dag na de inval bij [bedrijf 2] samen met andere verdachten aanwezig bij Jan Tabak in Bussum en heeft vermoedelijk daar een nieuwe telefoon gekregen. Hij communiceerde met het account [accountnaam 6] onder andere met de [medeverdachte 3] over [bedrijf 1] en over LionLasers in Breda, het bedrijf waar hij de lasergraveermachine onder een valse naam bestelde en waar hij ter plaatse ook instructies ontving omtrent het gebruik. De papieren gebruiksaanwijzing van dit specifieke apparaat werd aangetroffen in een verborgen ruimte in een van de bakwagens in Tynaarlo. Ook wordt in de chat gesproken over een kabeltje dat door LionLasers zou worden nagestuurd op hetzelfde adres als waarop eerder de graveermachine werd bezorgd (de loods in Lelystad). Op de telefoon van de [medeverdachte 3] is een foto gevonden van de lasergraveermachine op de achterbank van een auto; in de chat wordt gesproken over de wijze waarop het apparaat het best (van Lelystad naar Naarden) kan worden vervoerd.

Uit het dossier maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 13] de administratie van [bedrijf 1] heeft overgenomen van de [medeverdachte 3] nadat deze werd aangehouden.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat [medeverdachte 13] voorafgaand aan de inval in de loods in Tynaarlo samen met andere verdachten in Wernhout is geweest om daar (lege) bananendozen te halen.

[medeverdachte 14] heeft geen inhoudelijke verklaring willen afleggen, maar heeft ontkend dat hij gebruik maakte van het account [accountnaam 3]. Uit het onderzoek blijkt echter het tegendeel. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 14] een dag na de inval bij [bedrijf 2] samen met andere verdachten aanwezig was bij Jan Tabak in Bussum en daar kennelijk een nieuwe telefoon heeft ontvangen. Vanaf dat moment is namelijk te zien dat de telefoon met het account [accountnaam 3] in grote lijnen dezelfde reisbewegingen maakt als de privé-telefoon van [medeverdachte 14], onder andere tijdens zijn verblijf in Malaga (Spanje). In de nachtelijke uren straalt de [telefoon 5] aan nabij het huisadres van [medeverdachte 14]. Uit de communicatie via het [accountnaam 3] blijkt betrokkenheid van [medeverdachte 14] bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. Zo meldt de beheerder van de loods in Lelystad (de [medeverdachte 15]) aan [accountnaam 3] dat er problemen zijn met de milieuvergunning, wat door [accountnaam 3] vervolgens verder wordt besproken met onder meer de verdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [verdachte]. Er wordt gesproken over het vinden van een nieuwe loods, een zoektocht waaraan [accountnaam 3] actief deelneemt.

[medeverdachte 14] is daarnaast meermalen op verschillende locaties in het gezelschap gezien van andere verdachten en was op cruciale momenten aanwezig bij Jan Tabak in Bussum. Samen met [medeverdachte 15] brengt [medeverdachte 14] een aan de criminele organisatie te relateren voertuig (Volkswagen Taigo met kenteken [kenteken 2]) weg. Ook is hij meermalen gezien bij [bedrijf 2] (26Rouen), voorafgaand aan de inval in de loods in Bleiswijk.

Bij zijn aanhouding is op de privé-telefoon van [medeverdachte 14] een tweetal afbeeldingen aangetroffen met containernummers en een Bill of Lading. Deze Bill of Lading heeft betrekking op het eerder genoemde transport van calciumcarbonaat, waarbij als afleveradres [bedrijf 3] in Tynaarlo wordt vermeld. Chats en afbeeldingen op de telefoon geven daarnaast aanwijzingen voor betrokkenheid van [medeverdachte 14] bij andere drugsgerelateerde strafbare feiten buiten de ten laste gelegde periode.

[medeverdachte 1] heeft, zoals hiervoor besproken, bij zijn aanhouding een verklaring afgelegd die door de rechtbank als betrouwbaar wordt aangemerkt en die op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door het onderzoek van de politie. Uit zijn verklaring blijkt dat hij wetenschap had van het drugsgerelateerde karakter van zijn werkzaamheden, naar hij zei te vermoeden cocaïne. Hij was de chauffeur van de vrachtwagen waarmee de bananen naar Tynaarlo zijn gebracht en was op belangrijke momenten aanwezig in Tynaarlo, Lelystad en Wernhout, waar hij onder begeleiding van enkele medeverdachten (lege) bananendozen ophaalde. Hij communiceerde rondom de levering in Tynaarlo met het account [naam 2], en ontving langs deze weg instructies van [verdachte] ([accountnaam 4]). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij voor zijn bijdrage van twee transporten ongeveer 80.000 euro zou ontvangen.

Parallellen tussen de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis

De rechtbank stelt vast dat uit het voorgaande blijkt dat de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis een aantal opvallende parallellen vertonen. Buiten de omstandigheid dat meerdere verdachten in beide onderzoeken naar voren komen, zijn deze parallellen ook te trekken met betrekking tot de modus operandi. Zo wordt in beide onderzoeken door de kerngroep van verdachten gecommuniceerd via telefoons met schuilnamen rondom een concreet thema (sterke dranken in 26Rouen en frisdranken in 26StLouis). Hierbij valt het op dat vrijwel direct na de inval bij [bedrijf 2] nieuwe telefoons worden aangeschaft en geactiveerd ten behoeve van het openhouden van de (versluierde) communicatielijnen.

In beide zaken worden ‘testdagen’ gehouden. Uit de notities die zijn aangetroffen in de woning van de moeder van [verdachte] blijkt dat op 10 oktober 2023 een testdag plaatsvond. Op die dag stralen de telefoons van de verdachten [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 3] aan in Lelystad. Op 11 oktober 2023 wordt bij [bedrijf 2] een aantal uren in de loods geoefend met pompwagens, het verplaatsen van (lege) dozen en het in- en uitladen van een vrachtwagen. Daar zijn onder meer de verdachten [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 14] bij aanwezig. Verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] bespreken ook een testdag op 24 oktober 2023 in Lelystad. Uit de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] leidt de rechtbank af dat het de bedoeling was dat ook in Tynaarlo geoefend zou gaan worden met het omstickeren en ompakken van bananen.

In beide zaken vinden meermaals ontmoetingen plaats tussen de verdachten, in wisselende samenstellingen, bij hotels en op andere openbare plaatsen. Vooral het hotel Jan Tabak in Bussum blijkt een belangrijke ontmoetingsplaats te zijn. Bij dat hotel worden ook de telefoons met schuilnamen uitgedeeld/overgedragen.

In beide zaken wordt gebruik gemaakt van een bedrijvenstructuur door middel waarvan getracht wordt de invoer van verdovende middelen mogelijk te maken. [bedrijf 1] lijkt daarbij de spil te zijn, maar er blijkt ook betrokkenheid van de bedrijven [bedrijf 6], [bedrijf 7] en [bedrijf 8] Hoewel de verdachten zelf niet (op formele wijze) met deze bedrijven verbonden zijn, ondernemen zij wel activiteiten voor en namens deze bedrijven. Zo communiceerde de [medeverdachte 3] namens [bedrijf 1] en verrichtte hij administratieve werkzaamheden voor dit bedrijf. De loods bij [bedrijf 2] werd verhuurd aan [bedrijf 1], de lasergraveermachine werd gekocht op naam van [bedrijf 1] en meerdere verdachten reden in auto’s die werden verhuurd aan [bedrijf 1] [medeverdachte 13] nam het beheer met betrekking tot [bedrijf 1] over, nadat de [medeverdachte 3] werd aangehouden. Nadat ook [medeverdachte 13] werd aangehouden, lijkt deze rol te zijn overgenomen door [medeverdachte 14]. In de auto waarin de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] werden aangehouden lag een Samsung A14 telefoon, die was geprepareerd voor de bedrijven [bedrijf 6] en [bedrijf 7]. Dit laatste bedrijf is de huurder van de loods in Naarden. De huurovereenkomst daarvoor werd aangetroffen bij [medeverdachte 13] op het moment van zijn aanhouding.

Rol per verdachte

De rechtbank stelt met betrekking tot de rolverdeling van de verschillende verdachten bij de hen ten laste gelegde feiten het volgende vast:

[verdachte] had zowel ten aanzien van 26Rouen als in de zaak 26StLouis een aansturende rol. Hij heeft versluierd gecommuniceerd met verschillende medeverdachten, nam op bepalende momenten belangrijke beslissingen, was verantwoordelijk voor de financiën, en gaf de andere verdachten opdrachten en instructies.

de [medeverdachte 3] heeft zowel in de zaak 26Rouen als in 26StLouis een logistieke, administratieve en ondersteunende rol gehad. Hij heeft versluierd gecommuniceerd met verschillende medeverdachten, was op belangrijke momenten – onder andere op de testdagen – aanwezig op de betrokken locaties, heeft namens de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 7] gehandeld (onder meer bij het organiseren van het transport) en heeft de betrokken telefoons geregeld.

[medeverdachte 4] heeft in zowel 26Rouen als in 26StLouis een logistieke en coördinerende rol gehad en was actief betrokken bij de oefendagen. Hij is op cruciale momenten aanwezig geweest en heeft met medeverdachten versluierd gecommuniceerd. In Bleiswijk was hij betrokken bij het vervoer van enkele medeverdachten naar de loods, die daar korte tijd later zijn aangehouden.

[medeverdachte 5] heeft in de zaken 26Rouen en 26StLouis vooral een uitvoerende rol gehad. Hij is – voornamelijk samen met de [medeverdachte 3] – betrokken bij voorbereidende activiteiten, zoals de aankoop en overdracht van telefoons, en heeft uitvoerende handelingen verricht.

[medeverdachte 14] heeft in de zaak 26StLouis een organiserende rol gehad. Hij heeft versluierd gecommuniceerd, was op meerdere locaties op bepalende momenten aanwezig, was betrokken bij het zoeken naar een nieuwe loods en heeft – nadat enkele medeverdachten waren aangehouden – een deel van de logistieke rol van de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 13] overgenomen.

[medeverdachte 13] heeft in de zaak 26StLouis een organiserende rol gehad. Hij kocht de lasergraveermachine en regelde de loods in Naarden. Ook hij heeft versluierd gecommuniceerd met andere verdachte en heeft hij – nadat enkele medeverdachten waren aangehouden – een deel van de administratieve en ondersteunde rol van de [medeverdachte 3] overgenomen.

[medeverdachte 10] heeft in de zaak 26StLouis een uitvoerende rol gehad. Hij heeft de loods in Tynaarlo verhuurd en heeft de activiteiten ter plaatse gefaciliteerd. Hij heeft met andere verdachten versluierd gecommuniceerd en was betrokken bij vermoedelijke testzendingen.

[medeverdachte 1] heeft in de zaak 26StLouis een uitvoerende rol gehad. Hij was de chauffeur van de vrachtwagen waarmee de bananen zijn geleverd en heeft in Wernhout lege bananendozen zijn opgehaald. Ook hij is op een testdag aanwezig geweest.

De rechtbank concludeert dat de hiervoor genoemde verdachten allen betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten, zoals aan hen ten laste is gelegd. Ten aanzien van de verdachten [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] stelt de rechtbank daarnaast vast dat zij in de ten laste gelegde periode ook betrokken zijn geweest bij de invoer van ruim 7700 kilo cocaïne in Nederland. Gelet op de hiervoor besproken parallellen tussen het onderzoek 26Rouen en het onderzoek 26StLouis, stelt de rechtbank vast dat de bewezen voorbereidingshandelingen ook in deze laatste zaak betrekking hebben gehad op de invoer en verdere verwerking van cocaïne.

Wetenschap, opzet en medeplegen

Dat, zoals is aangevoerd, [verdachte] geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de hem ten laste gelegde drugsdelicten en geen wetenschap had dat het om cocaïne ging, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande en gelet op zijn sturende rol, niet aannemelijk. Het pleidooi op deze grond tot vrijspraak wordt daarom verworpen.

Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij is van belang dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechter kan bij die beoordeling onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Hoewel de verdachte niet fysiek aanwezig was bij de invallen in de loodsen in Bleiswijk en Tynaarlo, heeft hij met zijn coördinerende rol naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij het plegen van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank is, gelet op zijn intensieve samenwerking met de medeverdachten, dan ook van oordeel dat sprake is van medeplegen.

Crimineel samenwerkingsverband in het kader van artikel 11b van de Opiumwet

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] hebben gehandeld binnen het kader van een crimineel samenwerkingsverband, waarbij sprake was van een duidelijke rolverdeling. Dat de organisatie de invoer van cocaïne tot oogmerk had, blijkt uit de hiervoor besproken resultaten van de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis. Dit wordt onderstreept door het feit dat door de verdachten verrichte handelingen en hun onderlinge communicatie en ontmoetingen zich uitstrekken over een langere periode. Dat de verdachten op de hoogte waren van het criminele oogmerk van de organisatie acht de rechtbank in het licht van al het voorgaande evident. Het feit dat de verdachten [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] worden veroordeeld voor de invoer van een grote partij cocaïne en daarnaast voor het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een volgende invoer van cocaïne, illustreert het kennelijke voornemen om die samenwerking nog langer voort te zetten.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande het bestaan van een samenwerkingsverband van voldoende structuur en duurzaamheid als bedoeld in artikel 140 Sr wettig en overtuigend is bewezen.

Bewezenverklaring van feiten 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1, feit 2 en feit 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 3 (Witwassen)

[verdachte] is op 28 december 2023 aangehouden, nadat eerder die dag door de politie is waargenomen dat de verdachte een tasje aan anderen heeft overgedragen waarin zich een geldbedrag bevond van 14.000 euro. Na zijn aanhouding is in Blaricum de woning van de verdachte en is in Bussum ook de woning van zijn moeder doorzocht. In beide woningen werd eveneens een groot bedrag aan contant geld aantroffen.

Ten aanzien van de geldbedragen van 12.320 euro en 18.050 euro

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het deel van het geldbedrag (2.300 euro) dat toebehoort aan de partner en de dochter van de verdachte.

Met betrekking tot het overige geld dat in zijn woning en in de woning van zijn moeder in beslag is genomen, heeft de verdachte verklaard dat dit afkomstig is uit eigen misdrijf, omdat het gaat om verdiensten uit het onderzoek Pimpelmees. Een deel van het geld is aangetroffen in een jas aan de kapstok en in een keukenlade in de woning van de verdachte (10.000 euro). Een ander deel is aangetroffen onderin een wasmand in de woning van de moeder van de verdachte (18.050 euro).

Ten aanzien van het in zijn woning aangetroffen geld acht de rechtbank niet bewezen dat sprake is van verhullingshandelingen. Daarnaast kan de rechtbank niet vaststellen wanneer de verdachte het in de woning van zijn moeder aangetroffen, ernstig beschadigde papiergeld heeft begraven en wie dit op welk moment in de wasmand heeft verborgen. De rechtbank zal de verdachte zal daarom ook ten aanzien van het verhullen van deze geldbedragen, zoals ten laste is gelegd onder feit 3 onderdeel a, partieel vrijspreken. Het ten laste gelegde wordt voor het overige bewezen verklaard.

Ten aanzien van het geldbedrag van 14.000 euro

De verdachte heeft ter zitting erkend dat hij dit geldbedrag op 28 december 2023 heeft overgedragen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat het handelen van de verdachte gericht is geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dit geld. De rechtbank zal de verdachte daarom ook ten aanzien van dit bedrag van het onder 3 onderdeel a ten laste gelegde partieel vrijspreken. Het ten laste gelegde wordt voor het overige bewezen verklaard.

Feit 5 (Tramadol)

Op 10 januari 2024 werd [medeverdachte 13] buiten heterdaad aangehouden. Na zijn aanhouding werd bij doorzoeking van zijn voertuig een laptoptas aangetroffen met een huurcontract voor een bedrijfsruimte aan [adres 3] vanaf 1 november 2023. Het contract werd gesloten tussen de verhuurder [bedrijf 9] (hierna: [bedrijf 9]) en het bedrijf [bedrijf 7] De naam [bedrijf 9] kwam al eerder voor in het onderzoek 26StLouis, bij het onderzoek aan de [telefoon 6] die werd aangetroffen in de loods in Tynaarlo. Verder bleek uit het onderzoek dat [verdachte] in 2023 inkomsten heeft ontvangen van [bedrijf 9]. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat er op 10 januari 2024 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de loods in Naarden. Bij deze doorzoeking werd een partij van 3,8 miljoen Tramadol-pillen aangetroffen. Deze pillen bleken Tramadol hydrochloride te bevatten en zijn aan te merken als een geneesmiddel in de zin van de Geneesmiddelenwet.

Kort voor zijn aanhouding op 28 december 2023 gooide [verdachte] een telefoon uit het raam. Op basis van de inhoud van de telefoon gaat de rechtbank ervan uit dat deze onder de naam ‘[naam 3]’ door [verdachte] werd gebruikt. In een chatgesprek op de telefoon tussen ‘[naam 3]’ en iemand met de naam ‘[naam 4]’ wordt gesproken over een ontmoeting op 27 december 2023. Die dag heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen [verdachte], [medeverdachte 17] en [medeverdachte 13]. Bij de aanhouding van [medeverdachte 13] zijn drie telefoons in beslag genomen die zijn uitgelezen. Op één van deze telefoons noemt de gebruiker zichzelf ‘[naam 4]’. Gelet op de hiervoor genoemde ontmoeting tussen de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 13] en het feit dat deze telefoon bij [medeverdachte 13] is aangetroffen, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 13] de gebruiker was van de telefoon met de gebruikersnaam ‘[naam 4]’.

Op de telefoon van [medeverdachte 13] is een chatgesprek aangetroffen met een onbekend gebleven tegencontact, waarin [medeverdachte 13] schrijft dat ‘die trama gewoon in Nederland ligt’ en ‘dat hij deze zelf in beheer heeft’. Verder is op de telefoon een screenshot aangetroffen van een bewakingscamera in de loods aan de [adres 3] waarop [medeverdachte 13] te zien is. De beelden van de ringbelcamera van de loods bleken te worden doorgestuurd naar zijn telefoon. Op de telefoon is het telefoonnummer aangetroffen van de verhuurder van de loods, [naam 5]. Ook zijn afbeeldingen aangetroffen van doosjes Tramadol waarvan is vastgesteld dat het lot-nummer, de productiedatum en de houdbaarheidsdatum overeenkomen met de in de loods aangetroffen verpakkingen.

Op de telefoon van [verdachte] zijn vergelijkbare afbeeldingen aangetroffen van doosjes Tramadol, eveneens passend bij de in de loods aangetroffen verpakkingen. Daarnaast is op 30 november 2023 een gesprek opgenomen tussen [verdachte] en [medeverdachte 17], waarin [verdachte] laten weten dat hij nog Tramadol heeft staan.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de verdachten [medeverdachte 13] en [verdachte] geen bevoegdheid hebben voor het verrichten van handelsactiviteiten met geneesmiddelen, als bedoeld in artikel 18 van de Geneesmiddelenwet.

[medeverdachte 13] heeft geen verklaring willen geven voor de voor hem belastende bevindingen, terwijl de aangetroffen resultaten daar wel aanleiding voor geven. Het ontbreken van een verklaring wordt in samenhang met de voorgaande feiten en omstandigheden betrokken bij de bewijswaardering. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 13] toegang had tot de loods en daarmee feitelijke beschikkingsmacht kon uitoefenen over de daar aanwezige Tramadol. Voorts blijkt uit de inhoud van zijn telefoons dat hij ook wetenschap had van de aanwezigheid daarvan.

[verdachte] heeft in het vooronderzoek geen vragen willen beantwoorden met betrekking tot de aangetroffen Tramadol-pillen. Ter zitting heeft hij naar aanleiding van het OVC gesprek verklaard dat hij wist dat vrienden van hem Tramadol-pillen in hun bezit hadden, maar dat hij er zelf niets mee te maken had. Deze verklaring wordt niet ondersteund door andere bevindingen bij het onderzoek en is, gelet op het moment waarop zij is afgelegd, verder niet verifieerbaar. De rechtbank hecht geen geloof aan het door [verdachte] ter zitting geschetste scenario en stelt op basis van de letterlijke tekst van het opgenomen gesprek vast dat hij kennelijk ook beschikkingsmacht had over Tramadol. Op basis van de foto’s op zijn telefoon, stelt de rechtbank vast dat dit gesprek betrekking had op de in Naarden aangetroffen partij Tramadol.

Dat [verdachte] op de ten laste gelegde datum gedetineerd zat, doet aan het voorgaande niets af. Voor het bestandsdeel ‘voorhanden hebben’ is niet vereist dat de verdachte op het moment van aantreffen van de pillen feitelijk aanwezig was of hierover feitelijk zeggenschap heeft uitgeoefend. Voldoende is dat de beschikkingsmacht reeds bestond. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] samen met [medeverdachte 13] op de ten laste gelegde datum kon beschikken over de Tramadol en dat daarbij sprake is van medeplegen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat de verdachten [medeverdachte 13] en [verdachte] op 10 januari 2024 samen opzettelijk 3,8 miljoen Tramadol-pillen in voorraad hebben gehad waarvoor aan hen geen handelsvergunning was verleend, zoals aan [verdachte] onder 5 ten laste is gelegd.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1.

hij in de periode van 16 juli 2023 tot en met 10 januari 2024 te Bleiswijk en Tynaarlo en Lelystad en Bussum, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vierde en vijfde lid en/of 11a Opiumwet.

Feit 2

hij in de periode van 14 oktober 2023 tot en met 10 januari 2024, te Tynaarlo en Lelystad en Bussum, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en

- het opzettelijk bewerken en vervoeren, en

- het opzettelijk vervaardigen

van een hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I,

voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers hebben verdachte en zijn mededaders:

• versluierd gecommuniceerd met medeverdachten welke gebruik maakten van (frisdrank)bijnamen, en

• een of meerdere telefoon contant aangekocht, en

• transport (inclusief chauffeur) van cocaïne geregeld

• gebruik gemaakt van een loods die diende als opslagplaats voor nog te leveren cocaïne, en

• gebruikgemaakt van een bedrijvenstructuur ([bedrijf 7] en [bedrijf 10] en [bedrijf 8] en [bedrijf 1] en [bedrijf 11]) en een financiële administratie bijgehouden, en

• ontmoetingen met een of meer medeverdachten gehad in het Van der Valk hotel, het NH Hotel Jan Tabak, bij de loods in Tynaarlo en de KFC in Den Haag, en

• het (laten) bewerken van fruit (bananen) ten behoeve van het verdekt transporteren van cocaïne, en daarbij gebruik maken van (bananen)stickers en (lege) bananendozen en

• vijf voertuigen (met Belgische kentekens) met professioneel ingebouwde verborgen ruimtes voorhanden gehad, en

• een tas met verschillende containerzegels aangetroffen in een van de voertuigen met

verborgen ruimte voorhanden gehad, en

• een sealapparaat voorhanden gehad en

• gecommuniceerd via email en Whatsapp over het invoeren van containers.

Feit 3

hij in de periode van 28 december 2023 tot en met 10 januari 2024, te Waalwijk en Blaricum en Bussum en Almere en Naarden en Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, van geldbedragen, te weten:

- € 10.000,- en

- € 18.050,- en

- € 14.000,-

sub b

- voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen

terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.

Feit 4 (primair)

hij in de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober 2023 via Nederlandse territoriale wateren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 7717,64 kilogram cocaïne.

Feit 5

hij op 10 januari 2024 te Naarden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, 3.888.000 tabletten ‘Tramol X 225’, bevattende ‘Tramadol hydrochloride’ zijnde een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de Geneesmiddelenwet, waarvoor geen handelsvergunning gold, in voorraad heeft gehad.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1.

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid, vijfde lid, artikel 10a, eerste lid, artikel 11, derde lid, vierde lid, vijfde lid en artikel 11a van de Opiumwet.

Feit 2

Medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Feit 3,

Medeplegen van witwassen.

Feit 4, primair,

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de

Opiumwet gegeven verbod.

Feit 5

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid van de geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat bij de oplegging van de straf rekening moet worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het feit dat de verdachte reeds een lange detentiestraf ondergaat en de toekomstgerichte positieve houding van de verdachte in de penitentiaire inrichting. Hierbij past een kortere straf dan geëist.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 7.700 kilo cocaïne en aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Ook nam hij deel aan een criminele organisatie met als oogmerk de invoer van verdovende middelen. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en dragen bij aan de toename van strafbare feiten. Internationale grootschalige drugshandel wordt rechtstreeks in verband gebracht met zeer ernstige (gewelds)delicten, waar de gehele maatschappij de ontwrichtende gevolgen van ondervindt. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij en het gevoel van veiligheid van burgers.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Hij heeft geldbedragen afkomstig uit een eerder gepleegd eigen misdrijf in zijn eigen huis en in de woning zijn moeder voorhanden gehad, en overgedragen aan derden. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit, waarin grote sommen geld omgaan, gefaciliteerd en buiten beeld van justitie gehouden. Witwasconstructies tasten de integriteit van de legale economie aan en zijn, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Tot slot heeft de verdachte opzettelijk zonder vergunning een zeer grote hoeveelheid Tramadol-pillen voorhanden gehad, terwijl hiervoor een handelsvergunning is vereist. Door zijn handelen heeft de verdachte het systeem van de Geneesmiddelenwet doorkruist. De Geneesmiddelenwet regelt de productie, de handel, het voorschrijven en het verstrekken van geneesmiddelen en bevat voorschriften voor het veilig gebruik hiervan. Het middel Tramadol is een matig sterke pijnstiller, die een verslavend effect kan hebben op de gebruiker en zonder controle en toezicht op het gebruik ervan schadelijk kan zijn voor de gebruiker. Uit zijn handelen blijkt dat de verdachte geen oog had voor deze risico’s.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 december 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 2 jaar en ruim 4 maanden verstreken.

Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak 2 jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is echter naar het oordeel van de rechtbank beperkt, zodat deze overschrijding – in het licht van de ernst van de feiten – in matigende zin een beperkte invloed heeft bij bepaling van de op te leggen straf.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van de bewezen feiten en het strafblad van de verdachte is oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur onvermijdelijk. Het opleggen van een andere straf is niet passend, ook niet wanneer hierin de straf wordt meegewogen die hem recent is opgelegd in de zaak Pimpelmees. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken eerder zijn opgelegd en met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

In deze zaak acht de rechtbank de grote hoeveelheid ingevoerde cocaïne (ruim 7700 kilogram) strafverzwarend, ook wanneer – zoals aangevoerd door de verdediging – rekening wordt gehouden met de bevindingen bij het onderzoek Akimo en de omstandigheid dat vermoedelijk niet alle bij deze invoer betrokken personen door justitie konden worden getraceerd. De rechtbank houdt ook rekening met de rol van de verdachte in de bewezenverklaarde feiten. Hij heeft anderen aangestuurd en gefaciliteerd om de feiten te kunnen plegen. In het nadeel van de verdachte betrekt de rechtbank voorts de omstandigheid dat een deel van de feiten is gepleegd terwijl zijn voorlopige hechtenis in de zaak Pimpelmees was geschorst, waarbij het ging om soortgelijke verdenkingen. De waarschuwing en de kans die hij in die zaak heeft gekregen om zijn leven op orde te brengen, was kennelijk geen reden voor de verdachte om te stoppen met zijn criminele activiteiten. De ter zitting besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank tegen deze achtergrond onvoldoende zwaarwegend voor een substantiële matiging van de op te leggen straf.

Alles overwegend wordt daarom een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen geldbedragen onder de nummers 4, 5, 7, 8, 9 en 13 op de beslaglijst en de in beslaggenomen telefoon verbeurd worden verklaard.

De geldbedragen onder de nummers 3 en 6 op de beslaglijst dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de in beslaggenomen geldbedragen moeten worden teruggegeven aan de verdachte. De geldbedragen, met uitzondering van het geld van zijn partner en van zijn dochter, zijn afkomstig van feiten waarvoor de verdachte reeds is veroordeeld. Nu deze geldbedragen niet als inkomsten uit de onderhavige strafbare feiten kunnen worden gezien, zijn die niet vatbaar voor verbeurdverklaring in de onderhavige zaak.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

Als bijkomende straf voor feit 3 worden de in beslag genomen geldbedragen onder de nummers 4, 5, 7, 8, 9 en 13 op de beslaglijst en de telefoon verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. Deze geldbedragen en de telefoon zijn ook vatbaar voor verbeurdverklaring.

Het bewezen verklaarde feit 3 (witwassen) is met betrekking tot deze geldbedragen begaan, het bewezen verklaarde feit 5 (Tramadol) is met behulp van de telefoon begaan. Deze geldbedragen en de telefoon behoren aan de verdachte toe en hij kan deze voor zichzelf gebruiken. Dat de geldbedragen mogelijk verdiensten zijn uit een eerdere strafzaak doet daar niet aan af. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Teruggave

De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen geldbedragen onder de nummers 3 en 6 op de beslaglijst aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk de partner en de dochter van de verdachte.

6. Voorlopige hechtenis

De verdachte is bij beslissing van de rechtbank van 2 februari 2024 geschorst uit de voorlopige hechtenis voor de duur van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in de strafzaak met parketnummer 08/310764-21 (onderzoek Pimpelmees). De verdachte is in die strafzaak bij vonnis van 27 januari 2025 inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 9 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie en de verdediging hebben verzocht om bij een veroordeling van de verdachte de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren voor de duur van zijn detentie in de zaak Pimpelmees.

Nu de voorlopige hechtenis eerder is geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in de zaak Pimpelmees en de verdachte in die zaak inmiddels onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf, zal de rechtbank het geschorste bevel in die zin wijzigen, dat de schorsing van kracht blijft voor de duur van de detentie van de verdachte in de strafzaak met parketnummer 08/310764-21.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, artikel 40 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

In beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd voor feit 3:

4 5000 EUR 1BN28- 12-2023 PL2600-LEFCL23005_799579 5.000,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_799579

100x50 euro)

5 5000 EUR IBN 100x50 5.000,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_799583 IBN

28-12-2023

100x50 euro)

7 3.050,00 EUR Geld Euro PL2600-LEFCL23005_800607 3.050,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_800607

kapot geld gaat naar de DNB)

8 5.000,00 EUR Geld Euro PL2600-LEFCL23005_800608 5.000,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_800608

beschadigd gid gaat naar DNB)

9 10.000,00 EUR Geld Euro PL2600-LEFCL23005_800609 10.000,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_800609

beschadigd geld)

13 1,00 EUR Geld Euro PL2600-LEFCL23005_800610 1,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_8006 10

shopper met vies geld)

14 1 STK GSM PL2600-LEFCL23005 799589

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_799589

Samsung);

- beveelt de teruggave van de geldbedragen onder de punten 3 en 6 aan de rechthebbende

3 250 EUR 1BN28-12-2023 PL2600-LEFCL23005_799584 250,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_799584

1BN28- 12-2023

5x50 euro)

6 2070 EUR IBN 28-12-2023 PL2600-LEFCL23005_799586 2.070,00

(Omschrijving:

PL2600-LEFCL23005_799586 IBX

28-12-2023

lx briefje van 500

2xbriefjes van 20

29 x briefjes van 50

8 x briefjes van 5

4 x briefjes van 10);

Voorlopige hechtenis

wijzigt het geschorste bevel van 2 februari 2024, in die zin dat deze thans als volgt heeft te luiden:

De rechtbank beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte in deze strafzaak zal

worden geschorst voor de duur van de detentie in de strafzaak met parketnummer 08-310764-21.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,

en mrs. P.C. Tuinenburg en J.C. Oord, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. L.R. van Zaanen en V.E. Scholtens, griffiers,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 mei 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage 1 – volledige (nader omschreven/ gewijzigde) tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 10 januari 2024 te

Bleiswijk en/of Tynaarlo en/of Lelystad en/of Bussum, althans (elders) in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te

weten verdachte en/of

[medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 13]

en/of [medeverdachte 14] en/of een of meer andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer

misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste

lid, 11 derde, vierde en vijfde lid en/of lla Opiumwet;

(art 11b lid 1 Opiumwet)

2

hij op of omstreeks de periode van 14 oktober 2023 tot en met 10 januari

2024, te Tynaarlo en/of Lelystad en/of Bussum, althans (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen, en/ of

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken en/ of vervoeren, en/ of

- het opzettelijk vervaardigen

van één of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of methamfetamine,

althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne

en/of methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende Lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/ of te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen

plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te

zijn en/ of om daartoe gelegenheid, middelen en/ of inlichtingen te

verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het

plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of

ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het

plegen van dat feit,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

• (versluierd) gecommuniceerd met medeverdachten welke gebruik

maakten van (frisdrank)bijnamen, en/of

• een of meerdere telefoon contant aangekocht, vermoedelijk ten

behoeve van voornoemde communicatie tussen medeverdachten, en/of

• het regelen van transport (inclusief chauffeur) van vermoedelijk

cocaïne en/of verdovende middelen, en/of

• gebruik gemaakt van een loods die vermoedelijk diende als

opslagplaats voor nog te leveren cocaïne, en/of

• gebruikgemaakt van een bedrijvenstructuur ([bedrijf 7] en/of [bedrijf 10]

en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 11]

) en/of een financiële administratie bijgehouden, en/of

• een of meerdere ontmoetingen met een of meer medeverdachten

gehad in het Van der Valk hotel, het NH Hotel Jan Tabak, bij de loods in

Tynaarlo en de KFC in Den Haag, en/of

• het (laten) bewerken van fruit (bananen) ten behoeve van het verdekt

transporteren van cocaïne, en/of daarbij onder andere gebruik maken

van (bananen)stickers en (lege) bananendozen en/of

• vijf voertuigen (met Belgische kentekens) met professioneel

ingebouwde verborgen ruimtes voorhanden gehad, en/of

• een vuurwapen met geluiddemper (aangetroffen in een van de

voertuigen met verborgen ruimte) voorhanden gehad, en/of

• een tas met verschillende containerzegels waarvan de authenticiteit

nog niet is vastgesteld (aangetroffen in een van de voertuigen met

verborgen ruimte) voorhanden gehad, en/of

• een sealapparaat voorhanden gehad en/of

• in een loods aan de Nikkelstraat nr. 50 te Lelystad verschillende

goederen en chemicaliën voorhanden gehad die geschikt zijn voor de

grootschalige vervaardiging en/of het be- en verwerken van

methamfetamine en/of

• gecommuniceerd via email en/of Whatsapp over het invoeren van

containers;

(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10a lid 1

ahf/sub 1, 2 en 3 Opiumwet)

3

hij op of omstreeks de periode van 28 december 2023 tot en met 10

januari 2024, te Waalwijk en/of Blaricum en/of Bussum en/of Almere

en/of Naarden en/of Leeuwarden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en) , althans alleen

meermalen, althans eenmaal,

(van) (een) geldbedrag(en), te weten:

- € 12.320,- en/of

- € 18.050,- en/of

- € 14.000,-

sub a

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of

de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat

geldbedrag was, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat geldbedrag voorhanden

Had

en/of

sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft

omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij , verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat

dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

(eigen) misdrijf;

(Artikel art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1

ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek

van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht)

4

hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober

2023 te Bleiswijk, en/of op/via de Westerschelde, en/of over/via

Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaatsen in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht

ongeveer 7717,64 kilogram cocaïne,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(Artikel art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ ond A Opiumwet)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober

2023 te Bleiswijk, en/of op/via de Westerschelde, en/of over/via

Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaatsen in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, voor te bereiden en/ of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/ of buiten het grondgebied van Nederland

brengen, en/of

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren,

verstrekken en/ of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van ongeveer 7717,64 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen

plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te

verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het

plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of

ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het

plegen van dat feit,

door

- het besturen van een (vracht)auto ten behoeve van het tran port van

voornoemde hoeveelheid cocaïne, en/ of

- de deklading (met cocaïne) in ontvangst genomen, en/of

- de (dek)lading (met cocaïne) te lossen;

(Artikel 10a lid 1 ahf/sub 1, 2 en 3 Opiumwet)

5

hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Naarden, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk, 3.888.000 tabletten, althans in elk geval een grote

hoeveelheid ‘Tramol X 225’ tabletten, bevattende ‘Tramadol hydrochloride’

zijnde een geneesmiddel als bedoeld in artikel 1 sub b van de

Geneesmiddelenwet, waarvoor geen handelsvergunning gold,

in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht,

heeft afgeleverd, ter hand heeft gesteld, heeft ingevoerd, heeft

uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten het Nederlands

grondgebied heeft gebracht;

(Artikel 40 lid 2 Geneesmiddelenwet)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand