Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 71.315090.22 (26Palma)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Datum zitting: 2, 8, 10 en 13 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1955 in [geboorteplaats]
voor deze zaak domicilie kiezende te Amsterdam, ten kantore van haar raadslieden
mr. G.G.J. Knoops en mr. C.J. Knoops-Hamburger
Advocaten van de verdachte: mr. C.J. Knoops-Hamburger, mr. G.G.J. Knoops, mr. E. Dekker en mr. S. Boersma
Officieren van justitie: mr. J. Patist en mr. G. Rip
Kern van het vonnis
De rechtbank stelt vast dat de verdachte als advocaat berichten van en aan [betrokkene 1] heeft doorgegeven. Hierdoor konden criminele activiteiten blijven doorgaan terwijl [betrokkene 1] vastzat in de Extra Beveiligde Inrichting (hierna: de EBI) in Vught. Bewezen is dat de verdachte door haar handelen deelnam aan een criminele organisatie zoals ten laste gelegd.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 42 dagen.
Leeswijzer
De officieren van justitie beschuldigen de verdachte ervan dat zij – samengevat – in de periode van 19 december 2019 t/m 11 maart 2021 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met witwassen en misdrijven zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.
De officieren van justitie mogen de verdachte vervolgen. Er wordt geen bewijs uitgesloten. Deze beslissingen worden in hoofdstuk 2 uitgelegd.
De beschuldiging is bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan, de bespreking van de bewijsverweren en de bewijsmiddelen staan in hoofdstuk 3.
De voorwaardelijke verzoeken worden beoordeeld in hoofdstuk 4.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staat in hoofdstuk 5.
De rechtbank legt aan de verdachte een straf op van 42 dagen.
In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.
In hoofdstuk 8 staan alle beslissingen in het kort.
Inhoudsopgave
1. Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
de verdachte in of omstreeks de periode van 19 december 2019 tot en met 11 maart 2021 te
Krimpen aan de Lek en/of Rotterdam en/of Vught althans (elders) in Nederland,
heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestaande uit haar, de verdachte,
en/of [betrokkene 1] en/of [zoon betrokkene 1] en/of [zus betrokkene 1] en/of een of meer andere
perso(o)n(en),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (in elk
geval):
- witwassen (als bedoeld in artikel 420bis van het wetboek van strafrecht) en/of
- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het
verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren en/of aanwezig hebben van
(verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 2 jo 10 lid 4 en 5
van de Opiumwet) en/of
- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen,
afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van (verdovende)
middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens
artikel 3a lid 5 van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 3 jo 11 lid 2, 4 en 5 van de
Opiumwet).
2. De voorvragen van artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
Gehanteerde werkwijze bij de bespreking van de voorvragen
De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat vanwege vormverzuimen het openbaar ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel dat de SkyECC-gegevens moeten worden uitgesloten van het bewijs.
. Het OM heeft die verweren gemotiveerd betwist en concludeert tot verwerping daarvan.
. Omdat de conclusies van de verdediging ten aanzien van de ontvankelijkheid van het OM en bewijsuitsluiting veelvuldig zijn gestoeld op (deels) dezelfde argumenten, zal de rechtbank die verweren omwille van de leesbaarheid van dit vonnis daar waar mogelijk gezamenlijk bespreken en daarin ook het standpunt van het OM betrekken.
. In die bespreking zal per onderdeel steeds getoetst worden of sprake is van een inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Na het bespreken van de voorvragen over de ontvankelijkheid van het OM en de verzochte bewijsuitsluiting zal de rechtbank de eerlijkheid van de procedure in haar geheel beoordelen.
Algemeen kader vormverzuimen
. Als bij het voorbereidend onderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen, kan de rechter daaraan gevolgen verbinden. Uit de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het moet gaan om vormverzuimen die zijn begaan in het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. De rechter kan ook gevolgen verbinden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar.
. De consequenties die de rechter aan een vormverzuim kan verbinden zijn, in oplopende zwaarte: de enkele constatering van de schending van een vormverzuim, strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging.
. In het algemeen geldt dat hoe groter de ernst van het vormgebrek en de gevolgen daarvan zijn, des te zwaarder het rechtsgevolg is dat de rechter daaraan kan verbinden. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de zwaarste sanctie voor een vormverzuim, de niet-ontvankelijkheid van het OM, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. Het moet gaan om de situatie dat de met opsporing of vervolging belaste autoriteiten een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan het recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan.
Namens de verdachte is betoogd dat om meerdere redenen sprake is van vormverzuimen, die ieder voor zich maar ook in samenhang bezien (primair) moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Het gaat dan onder andere om verweren in het kader van het SkyECC-bewijs, inbreuken op het verschoningsrecht en de detentieomstandigheden tijdens de voorlopige hechtenis. De door de verdediging gevoerde verweren zullen hierna worden besproken. De rechtbank zal daarbij beoordelen of sprake is van de door de verdediging gestelde vormverzuimen, en zo ja, of deze leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het OM. In het voorkomende geval zal de rechtbank beoordelen of een eventueel ander, minder zwaar, rechtsgevolg aan een geconstateerd vormverzuim verbonden zal moeten worden.
De rechtbank zal tot slot nagaan of een eventuele opeenstapeling van vormverzuimen die op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM leiden, in samenhang bezien wel dienen te leiden tot het oordeel dat geen sprake (meer) is van een eerlijk proces.
Verweren met betrekking tot de SkyECC-data
Standpunt verdediging
De verdediging stelt – kort samengevat – dat de vergaring, verkrijging en het gebruik van de SkyECC-data onrechtmatig zijn geweest wegens strijd met nationaal en internationaal recht. Bovendien zijn de verkregen data onvolledig en onbetrouwbaar.
Vaststaat dat de SkyECC-data niet in dit onderzoek, 26Palma, zijn vergaard maar in en via andere onderzoeken (het Franse onderzoek naar SkyECC, de onderzoeken 13Yucca, 26Werl, 26Argus en 26Mandel) maar dit staat niet aan een toetsing van de verkrijging en verwerking in deze zaak in de weg. Toetsing kan aan de orde komen bij een onrechtmatige handeling jegens de verdachte begaan in een ander voorbereidend onderzoek, als het vormverzuim van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of verdere vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert dat de SkyECC-data in 26Palma een prominente rol spelen in de bewijsconstructie. Het ligt dan ook voor de hand dat eventuele vormverzuimen bij de verkrijging en de verwerking van de SkyECC-data dan van bepalende invloed zullen zijn geweest bij het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachte, ook al zijn die eerdere onderzoeken niet aan te merken als voorbereidend onderzoek naar de verdachte in het onderzoek 26Palma. Op die grond zal de rechtbank de rechtmatigheid van de verkrijging en verwerking van de SkyECC-data toetsen, gelet ook op door de verdediging op dit punt gevoerde verweren.
De rechtbank staat eerst stil bij de vraag wat SkyECC is, op welke wijze de SkyECC-data in het onderzoek 26Palma zijn verkregen en daarna bij de vraag hoe dit juridisch moet worden geduid. De verweren van de verdediging worden daarna besproken en daarop wordt beslist.
Wat is SkyECC?
De bedrijven Sky Secure Enterprise en Sky Global Holdings hebben een versleutelde berichtendienst (SkyECC) aangeboden. Hierbij werd gebruik gemaakt van een voorgeprogrammeerde mobiele telefoon (het SkyECC-toestel) dat met een abonnement aan de gebruiker ter beschikking werd gesteld. Met de SkyECC-telefoons kon niet worden gebeld of ge-sms't.
SkyECC-gebruikers konden versleutelde berichten, bestaande uit tekstberichten, afbeeldingen, spraakberichten of notities versturen naar andere SkyECC-gebruikers. Ook konden foto's en audio-berichten met de SkyECC-telefoons worden gemaakt vanuit de chat applicatie, waarna deze konden worden opgeslagen of verzonden. De berichten werden nadien automatisch na een vooraf in te stellen tijd, doorgaans 48 uur, vernietigd. Na het verlopen van deze burn-time was het bericht voor de gebruiker niet meer zichtbaar en werd het van het toestel verwijderd.
Wel kende het systeem een ‘Vault’ applicatie. Binnen de chat applicatie konden de gebruikers daarmee items, bestaande uit tekstberichten, contacten, afbeeldingen, spraakberichten, en notities opslaan in een digitale kluis op het toestel. Deze werden niet (zoals burn-time berichten) automatisch van het toestel verwijderd.
De gebruiker van een SkyECC-telefoon kreeg bij het ontvangen van een bericht een push-notificatie waarna de chat applicatie moest worden geopend om het bericht te bekijken of te beantwoorden. Wanneer een SkyECC-telefoon was uitgeschakeld of geen actieve internetverbinding had, werden die push-notificaties en berichten in de chat applicatie niet ontvangen. Wanneer de telefoon dan weer online kwam werden de pushnotificaties alsnog ontvangen. De berichten werden na het online komen ook nog ontvangen in de chatapplicatie als deze berichten niet ouder waren dan 48 uur. Berichten die niet werden ontvangen binnen 48 uur, omdat een telefoon niet bereikbaar was, gingen verloren voor de gebruiker.
De inhoud van het toestel kon door SkyECC-beheer op afstand worden gewist (panic-wipe).
SkyECC betrof een gesloten communicatiesysteem, waarmee alleen berichten gestuurd en ontvangen konden worden tussen Sky ECC-gebruikers met een actief abonnement. Het toevoegen van contacten verliep via de SkyECC-app; onder meer via een uitnodigingsbericht dat vanaf het SkyECC-toestel aan het toe te voegen account werd gestuurd, waarna het uitgenodigde account eerst toestemming moest geven om als contact toegevoegd te worden.
De telefoons werden volledig anoniem en enkel tegen contante betaling of betaling via cryptovaluta verkocht.
Op welke wijze zijn de SkyECC-data in 26Palma verkregen?
Op 30 oktober 2018 is in Nederland het titel V-onderzoek 13Yucca gestart. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van meerdere lopende strafrechtelijke onderzoeken. In die onderzoeken zou gebleken zijn dat deelnemers aan criminele samenwerkingsverbanden die zware criminaliteit beraamden en pleegden, in de periode vanaf augustus 2015 gebruik maakten van telefoons en software van SkyECC om versleuteld te communiceren. Het onderzoek 13Yucca was erop gericht om dergelijke criminele samenwerkingsverbanden inzichtelijk te krijgen en zicht te krijgen op gepleegde en nog te plegen strafbare feiten.
Voorafgaand aan de start van het onderzoek 13Yucca was door Nederlandse opsporingsambtenaren al vastgesteld dat de servers van SkyECC zich bevonden bij het bedrijf OVH in Roubaix, Frankrijk. Nederland was ermee bekend dat ook België van plan was om een strafrechtelijk onderzoek naar de onderneming SkyECC te starten. De Nederlandse en Belgische autoriteiten hebben vervolgens contact gezocht met Frankrijk en op 9 oktober 2018 heeft een verkennend overleg met Frankrijk plaatsgevonden. Het doel van dit overleg was om toelichting te geven op nog te volgen Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) van Nederland en België en om uit te vinden of Frankrijk de nog door Nederland en België te vragen onderzoekshandelingen zou kunnen verrichten.
Na het overleg op 9 oktober 2018 heeft Nederland op 6 december 2018 een EOB naar Frankrijk verzonden met het verzoek om een image te maken van de servers, zodat de technische inrichting van de servers kon worden onderzocht met het oog op nader onderzoek, zoals het tappen en ontsleutelen van de via die servers gevoerde communicatie, en om inzicht te krijgen in de organisatie van SkyECC. Verder werd verzocht om informatie te verstrekken over historische en toekomstige klantgegevens van SkyECC. Ook is verzocht technische gegevens van de server te verstrekken.
Voorafgaand aan dit EOB heeft de officier van justitie aan de RC in de zaak 13Yucca een machtiging gevraagd om een vordering ex artikel 126ug lid 2 Sv te kunnen doen. De RC heeft die machtiging op 30 november 2018 verleend en toestemming gegeven voor het maken van een image, maar met de uitdrukkelijke restrictie dat de daarmee vergaarde informatie uitsluitend mocht worden aangewend voor het onderzoek naar de technische mogelijkheden voor het tappen en de ontsleuteling. De inhoud van de eventueel op de servers aan te treffen berichten mocht niet zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de RC worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek.
Frankrijk heeft uitvoering gegeven aan dit EOB en heeft de architectuur van de servers geanalyseerd. Uit het onderzoek bleek dat er twee servers werden gehost bij OVH, te weten een hoofdserver die rechtstreeks met het internet verbonden was en een back-upserver (hierna ‘de servers’).
De Franse officier van justitie bij de rechtbank van Lille heeft op 13 februari 2019 besloten zelf een opsporingsonderzoek te openen naar SkyECC. Binnen dat onderzoek heeft de Franse officier van justitie toestemming gevraagd aan de Franse onderzoeksrechter om over te gaan tot interceptie, opname en transcriptie van de communicatie tussen de SkyECC-servers. Deze toestemming is op 14 juni 2019 verleend.
Hierna heeft de Franse politie op 24 juni en 26 juni 2019 IP-taps geplaatst op de servers. Nederland was niet aanwezig bij het plaatsen van die IP-taps.
Op 8 juli 2019 is het Nederlandse rechercheteam per e-mail door de Franse autoriteiten over de IP-taps van 24 en 26 juni 2019 geïnformeerd.
Op 11 juli 2019 zijn de data van de IP-taps beschikbaar gekomen voor België en Nederland.
In het tweede EOB van Nederland aan Frankrijk van 16 juli 2019 is vermeld dat Nederland heeft vernomen dat Frankrijk een tap heeft aangesloten en dataverkeer tussen de SkyECC- servers aftapt en dat formeel het verzoek wordt gedaan om die verkregen data te verstrekken aan Nederland.
Uit het ‘bericht van overdracht’ van 20 augustus 2019 blijkt dat de RC van de rechtbank Lille uit eigen beweging de met de IP-taps geïntercepteerde data op grond van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag en artikel 7 van de EU-Rechtshulpovereenkomst (via België) heeft overgedragen aan twee officieren van justitie van het parket Rotterdam. Daarbij is verzocht om de bevindingen naar aanleiding van de data weer terug te koppelen aan Frankrijk.
Op 1 november 2019 is opsporingsonderzoek 26Werl gestart, waarbij de verdenking was gericht jegens het bedrijf SkyECC.
Op 13 december 2019 hebben Nederland, België en Frankrijk een Joint Investigation Team (JIT) gevormd en daartoe een overeenkomst met elkaar gesloten. Onderzoek 26Werl maakte deel uit van het JIT. Vanaf dat moment zijn de door Frankrijk geïntercepteerde data aan het gemeenschappelijke onderzoeksteam verstrekt en op die wijze gedeeld met Nederland en België.
De data van de IP-tap zijn geanalyseerd en verwerkt en tijdens de analyse is gebleken dat de getapte data versleutelde communicatie bevat.
Sommige informatie was niet versleuteld. Zo werd in de loop van juli 2019 inzicht verkregen in de onderwerpregels van sommige groepsgesprekken en de SkyECC-ID’s van de deelnemers aan deze groepsgesprekken. Ook werd uit de interceptie op dit netwerk inzicht verkregen in de nicknames van SkyECC-gebruikers en bleek dat berichten waarmee gebruikers andere gebruikers als contactpersoon uitnodigden niet versleuteld werden verstuurd.
Op 15 november 2019 is gebleken dat een deel van de groepsberichten mogelijk kon worden ontsleuteld en is bij wijze van test een eerste groepsbericht succesvol ontsleuteld. De JIT-partners hebben besloten om de groepsberichten tot nader order niet te ontsleutelen, omdat de daarmee mogelijk te verkrijgen dataset beperkt en zeer incompleet zou zijn en daardoor onvoldoende mogelijkheden zou bieden om onderzoek te verrichten. Met uitzondering van enige testberichten zijn overeenkomstig het besluit van het JIT tot aan de aanloop naar de live fase (de fase waarin door de politie berichten direct konden worden meegelezen) geen groepsberichten ontsleuteld.
Nederlandse technici hebben binnen het JIT een techniek ontwikkeld om een kopie te maken van het werkgeheugen van één van de SkyECC-servers zonder dat die offline zou gaan.
Op 14 mei 2020 en 3 juni 2020 heeft Frankrijk die ontwikkelde techniek ingezet.
Een al eerder door Nederland ontwikkelde ‘Man in the Middle-techniek’, waarmee de zogenoemde private keys zouden kunnen worden onderschept, die voor het ontsleutelen van het berichtenverkeer noodzakelijk zouden zijn (MITM-techniek), is in het JIT met de JIT-partners doorontwikkeld. In november 2020 zijn de Nederlandse rechercheurs en technici er in geslaagd om die MITM-techniek zover te ontwikkelen dat deze geschikt was om ook daadwerkelijk ingezet te worden. Deze techniek is toen gedeeld met het Franse opsporingsteam.
Nadat duidelijk werd dat het technisch mogelijk zou worden de inhoud van het
berichtenverkeer (gedeeltelijk) te ontsleutelen, is op 11 december 2020 het titel V-onderzoek 26Argus gestart. Dit onderzoek richtte zich op de NN-gebruikers van SkyECC die in een georganiseerd verband middels deze applicatie zware strafbare feiten beraamden en pleegden.
In het onderzoek 26Argus hebben de RC’s op vordering van het OM op 15 december 2020 een machtiging verstrekt voor een bevel op grond van de artikelen 126t en 126t lid 6 Sv. Zij hebben in een proces-verbaal van bevindingen vermeld dat de vorderingen en de machtigingen op basis van artikel 126t lid 1 Sv zagen op de nog te onderscheppen data vanaf 15 december 2020. De gegevens die vóór die datum waren verkregen in het kader van het JIT waren op dat moment nog niet leesbaar, maar de verwachting was dat die gegevens binnen korte termijn ontsleuteld zouden kunnen gaan worden.
De vordering van het OM van 14 december 2020 was daarom mede gebaseerd op artikel 126t lid 6 Sv, waarmee de machtiging ook betrekking heeft op de ontsleuteling van eerder onderschepte berichten.
De in het JIT doorontwikkelde MITM-techniek is op 18 december 2020 door de Franse politie geactiveerd, nadat de Franse adviescommissie, die een oordeel moet vellen over apparatuur die inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer en het briefgeheim, hier een vergunning voor had verleend.
Op 11 januari 2021 is de machtiging ex artikel 126t Sv van 15 december 2020 verlengd, waarbij de voorwaarden waaronder aanvullende toestemming kan worden verkregen voor het gebruik van de data, nader zijn uitgewerkt. De aanvragen zijn onderverdeeld in vier categorieën en steeds is bepaald wat de omvang is van de SkyECC-data waarvoor toestemming wordt gegeven en van welke kaders de communicatie mag worden ingezien en gebruikt.
Na een aanvullende vordering van het OM hebben de RC’s in onderzoek 26Argus op 7 en 11 februari 2021 machtigingen op grond van artikel 126uba Sv verleend.
In een proces-verbaal van bevindingen hebben de RC’s in onderzoek 26Argus ook hier vermeld dat die vorderingen zijn voorgelegd als een verzoek om aanvullende machtiging voor het gebruik van de resultaten van een door de Franse autoriteiten ingezet middel.
De RC’s in onderzoek 26Argus hebben in hun beschikkingen geconcludeerd dat, hoewel op voorhand niet vaststaat dat een beslissing van de Nederlandse RC noodzakelijk is voor de rechtmatigheid van het gebruik van de SkyECC-data, een toetsing van de proportionaliteit door de RC toch aangewezen is, met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen.
De RC’s hebben afwegingen gemaakt en voorwaarden gesteld, om op die manier de privacyschending zoveel mogelijk in te kaderen en zogenoemde ‘fishing expeditions’ te voorkomen.
De voorwaarden die de RC’s aan de uitvoering van de machtiging hebben gesteld, luiden als volgt:
1. De vergaarde en ontsleutelde informatie mag slechts worden onderzocht met toepassing van vooraf aan de rechter-commissaris voorgelegde zoeksleutels, zoals:- informatie over SkyECC-gebruikers (en hun tegencontacten en eventueel daar weer de tegencontacten van) uit lopend onderzoek naar criminele samenwerkingsverbanden;- zoektermen (steekwoorden) en/of afbeeldingen die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband;
2. Het onderzoek met de zoeksleutels moet zo worden ingericht dat desgewenst achteraf reproduceerbaar en verifieerbaar is voor de rechtbank en verdediging welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd, en dus welke gegevens ter beschikking zijn gesteld voor het desbetreffende opsporingsonderzoek;
3. Er wordt bij het onderzoek recht gedaan aan het verschoningrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt geheimhouderscommunicatie actief uitgefilterd;
4. De rechter-commissaris wordt inzage gegeven in de onderliggende Franse rechterlijke beslissingen;
5. De vergaarde informatie wordt na het onderzoek zoals hiervoor omschreven voorgelegd aan de rechter-commissaris om de inhoud en omvang te controleren, en de relatie tot concrete vermoedelijke strafbare feiten te beoordelen;
6. De vergaarde informatie zal pas na uitdrukkelijke toestemming van de rechter-commissaris aan het OM of de politie ter beschikking worden gesteld ten behoeve van (verder) opsporingsonderzoek. Daarbij moet (gelet op voorwaarde 2) duidelijk zijn op welke gegevens de toestemming ziet, en welke gegevens aan het onderzoeksteam worden verstrekt;
7. De vergaarde informatie zal slechts ter beschikking worden gesteld voor onderzoeken naar strafbare feiten die naar hun aard, in georganiseerd verband gepleegd of beraamd, een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, dan wel misdrijven met een terroristisch oogmerk.
De RC’s in onderzoek 26Argus hebben in het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2021 vastgelegd dat voor iedere categorie A-aanvraag, waarover hierna meer, steeds van het OM is verlangd om te onderbouwen:- dat er een gerechtvaardigde verdenking is dat de betreffende hoofdsubjecten deel uitmaken van een crimineel samenwerkingsverband (CSV),- dat in dat verband gebruik gemaakt wordt van genoemde Sky-ID's en/of -toestellen,- van welke Sky-ID's het aannemelijk is dat de Sky-communicatie plaatsvindt in het kader van de criminele activiteiten van dat CSV.Alleen in de gevallen waarin dat voldoende onderbouwd werd geoordeeld, is door de RC’s aanvullende toestemming verleend voor het gebruik binnen het kader zoals in de beslissing omschreven.
Door het vermelden van de kaders A-B-C hebben de RC’s steeds bepaald wat de omvang was van de data waarvoor toestemming werd gegeven. Daarbij is eerst vastgesteld welke Sky-ID's de zogenoemde hoofdsubjecten zijn. Als toestemming is gegeven voor onderzoek aan de data in kader A dan betekent dat dat de communicatie tussen de hoofdsubjecten en hun tegencontacten kan worden ingezien. Kader B is de communicatie van de tegencontacten van de hoofdsubjecten met de tegencontacten die zij op hun beurt hebben. Kader C is dan weer de communicatie van de tegencontacten van kader B en hun tegencontacten. Hierbij wordt onder een '(tegen) contact' verstaan: eenieder met wie via SkyECC-berichten zijn gewisseld.
Als toestemming werd gegeven werd expliciet benoemd van welke kaders de communicatie mocht worden ingezien en gebruikt.
Bij de bepaling van de omvang van de kaders hebben de RC’s steeds een proportionaliteitstoets toegepast, waarbij onder meer de vraag aan de orde kwam of aannemelijk is dat de communicatie in een bepaald kader nog met het CSV te maken had.In enkele gevallen is gebleken, na een eerste toestemming, dat het CSV groter was dan in eerste instantie verondersteld. In dat geval kon uitbreiding van de groep hoofdsubjecten of een verdergaand kader (bijvoorbeeld A-B-C in plaats van A-B) op zijn plaats zijn.De RC’s hebben bepaald dat de zaaksofficieren van justitie in de zaak 26Argus dan alsnog om uitbreiding van de toestemming kunnen vragen. De toets van dit verzoek is dezelfde als bij het eerste verzoek.
Na de beschikkingen op grond van artikel 126uba Sv van 7 en 11 februari 2021 heeft de politie vanaf 15 februari 2021 getracht om informatie van geheimhouders die gebruik maakten van een toestel van SkyECC ontoegankelijk te maken. Het actief zoeken op mogelijk aanwezige geheimhouders in de dataset bleek volgens het OM echter zeer lastig, omdat de toestellen zelf niet gelinkt waren aan bestaande bekende telefoonnummers of namen van geheimhouders. Er is binnen onderzoek 26Argus een aantal geheimhouders onderkend en beslist is om de informatie naar en van deze geheimhouders ontoegankelijk te maken.
In februari 2021 is opsporingsonderzoek 26Mandel gestart naar aanleiding van informatie waaruit bleek dat het voor [betrokkene 1] mogelijk was om vanuit de EBI in Vught te communiceren met de buitenwereld en vice versa. In dit onderzoek is de toenmalige advocaat van [betrokkene 1] , [naam 1] als verdachte aangemerkt.
Op 23 april 2021 heeft het OM aan de RC’s aanvullende toestemming verzocht om onder meer onderzoek te doen naar de via SkyECC gevoerde communicatie van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] , evenals de communicatie van hun contacten met anderen (kader A/B/C). Op 24 april 2021 hebben de RC’s deze aanvullende toestemming verleend.
In het onderzoek 26Mandel is ook onderzoek verricht naar de communicatie via SkyECC tussen [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] . Hieruit kwamen aanwijzingen naar voren dat ook al informatie werd gedeeld met het criminele netwerk vóórdat [naam 1] in beeld was als advocaat, dus in de periode tussen 19 december 2019 en 11 maart 2021.Tijdens een geheimhoudersscan zijn indicaties naar voren gekomen dat de accounts van [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] in contact stonden met een SkyECC-account dat gebruikt werd door een geheimhouder. Uit onderzoek aan de metadata blijkt dat dit het SkyECC-account [SkyECC-account 3] betrof.
Op 14 juni 2022 heeft een update van de SkyECC-data plaatsgevonden, waardoor meer berichten zichtbaar zijn geworden in de dataset. Zo ook berichten binnen het account [SkyECC-account 4] , in gebruik bij [zoon betrokkene 1] .
Op 23 augustus 2022 is het opsporingsonderzoek in deze zaak onder de naam 26Palma gestart.
De RC’s in het onderzoek 26Argus hebben op 24 april 2021 voor het account [SkyECC-account 1] aanvullende toestemming verleend tot het doen van onderzoek in het A/B/C kader naar dat account. In het onderzoek 26Mandel zijn onder meer drie accounts onderzocht: [SkyECC-account 4] , [SkyECC-account 5] en [SkyECC-account 6] .
Op 8 september 2022 is op grond van artikel 126dd Sv vanuit onderzoek 26Mandel toestemming verleend tot het gebruik van de data die betrekking hebben op de SKY accounts:[SkyECC-account 4] ( [zoon betrokkene 1] ) te onderzoeken in kader A;[SkyECC-account 1] ( [zoon betrokkene 1] ) te onderzoeken in kader A;[SkyECC-account 6] ( [zoon betrokkene 1] ) te onderzoeken in kader A;[SkyECC-account 5] ( [zus betrokkene 1] ) te onderzoeken in kader A.
Op 15 september 2022 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven dat nader gespecificeerde gegevens die tijdens het onderzoek 26Argus zijn vergaard en waarom is verzocht kunnen worden gebruikt in het onderzoek 26Mandel.
Op 23 september 2022 is aan de RC’s in het onderzoek 26Argus aanvullende toestemming verzocht om onderzoek te doen naar de via SkyECC gevoerde communicatie van onder meer het SkyECC-ID [SkyECC-account 3] , maar ook de communicatie van de contacten met anderen (kader A/B).
De RC’s in het onderzoek 26Argus hebben deze aanvullende toestemming op 25 september 2022 verleend onder de voorwaarde dat – omdat sprake was van een geheimhouder (advocaat) – ontsleutelde berichten van het account [SkyECC-account 3] uitsluitend ter beschikking gesteld mochten worden aan een geheimhoudersofficier van justitie en de RC in het onderzoek 26Palma. Vervolgens was het aan de RC in onderzoek 26Palma om te beoordelen of en in hoeverre berichten aan het opsporingsteam konden worden verstrekt. De toestemming is verleend voor het genoemde kader A/B en met de hiervoor omschreven beperking.
Op 20 december 2022 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven om gegevens die tijdens het onderzoek 26Brier zijn vergaard te gebruiken in het onderzoek 26Palma.
Op 10 januari 2023 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven om gegevens die tijdens het onderzoek 26Mandel zijn vergaard te gebruiken in het onderzoek 26Palma.
Op 14 februari 2023 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126dd Sv toestemming gegeven om de communicatie van het A-kader die tijdens het onderzoek 26Argus is vergaard met betrekking tot de accounts [SkyECC-account 4] , [SkyECC-account 7] , [SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 8] , [SkyECC-account 9] , [SkyECC-account 10] , [SkyECC-account 11] , [SkyECC-account 12] , [SkyECC-account 13] , [SkyECC-account 2] , [SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 15] , [SkyECC-account 16] en [SkyECC-account 17] te gebruiken in het onderzoek 26Palma.
De vergaring van de SkyECC-data in Frankrijk
2.3.5.1. Het verweer
De verdediging heeft aangevoerd dat de SkyECC-data op onrechtmatige wijze zijn vergaard en dat – voor zover relevant – het interstatelijk vertrouwensbeginsel aan toetsing van de wijze van vergaring van de data niet in de weg kan staan. Zij heeft daarvoor een aantal argumenten aangedragen dat hierna wordt besproken.
2.3.5.2. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beoordeling van de vergaring van de SkyECC-data rekening met het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel geldt op basis van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen landen die daarbij zijn aangesloten. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land – in dit geval Frankrijk – voor het uitvoeren van dat onderzoek. De beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, worden gerespecteerd en er wordt van uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht.
Hiervan is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt daarbij op dat – voor zover het ontbreken van een notificatie als bedoeld in de artikelen 31 van de EOB richtlijn, 20 van de EU-Overeenkomst en 31 lid 1 van de Richtlijn 2014/41/EU zich zou hebben voorgedaan – dit in de Franse procedure klaarblijkelijk niet tot de conclusie heeft geleid dat het strafrechtelijk onderzoek als zodanig niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht.
Uiteraard zal de rechtbank wel de ‘overall fairness’ van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte moeten waarborgen als de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in deze strafzaak gebruikt worden voor het bewijs.
2.3.5.3. Moet het interstatelijk vertrouwensbeginsel opzij worden gezet?
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel opzij moet worden gezet omdat de interceptie van de SkyECC-data weliswaar in Frankrijk heeft plaatsgevonden, maar dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse en niet van de Franse autoriteiten.
De rol van Nederland bij de interceptie van de SkyECC-data op de servers in Frankrijk is volgens de verdediging zo sturend geweest en de betrokkenheid van de Nederlandse politie op operationeel vlak zo groot, dat die interceptie feitelijk onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse OM is uitgevoerd.
Vanaf de start van het eerste Nederlandse onderzoek naar (het gebruik van) SkyECC is namelijk sprake geweest van een verregaande samenwerking tussen Frankrijk, België en Nederland. Voorafgaand daaraan en tijdens de interceptie is kennis en expertise met Frankrijk gedeeld. Frankrijk is daarbij door Nederland fout voorgelicht omdat in Nederland, mede gelet op het algemene karakter van de interceptie, geen nationale bevoegdheid bestaat voor het verkrijgen van de SkyECC-data.
Het Nederlandse onderzoeksteam heeft op basis van een EOB van de Franse autoriteiten de klantgegevens en informatie met betrekking tot de Franse server(s) ontvangen, onderzocht en gebruikt om een inschatting te maken van de technische mogelijkheden om de data op de servers te onderscheppen.
Ook nadien is de inbreng van de Nederlandse politie bij het (verder) ontwikkelen van de op 18 december 2020 ingezette MITM-techniek aanzienlijk geweest.
Tot slot wijst de verdediging ook op de inhoud van het ‘inzetplan Werl’ waaruit een gedetailleerde inzet van de Nederlandse politie en samenwerking met Frankrijk in het onderzoek naar SkyECC moet worden afgeleid.
De rechtbank volgt dit standpunt van de verdediging niet.
De interceptie, opname en transcriptie van de communicatie tussen de SkyECC-servers heeft steeds plaatsgevonden op Frans grondgebied, in een Frans strafrechtelijk opsporingsonderzoek naar SkyECC, onder gezag van een Franse onderzoeksrechter en is uitgevoerd door de Franse politie.
Uit de vordering van de Franse officier van justitie en uit de toestemming van de Franse rechtbank voor die interceptie volgt niet dat die vordering is gedaan om uitvoering te geven aan een Nederlands verzoek tot interceptie van de servers van SkyECC.
Dat het Nederlandse OM van plan is geweest de Franse autoriteiten te verzoeken om een interceptie uit te gaan voeren op de servers van SkyECC en de Franse autoriteiten hiervan op de hoogte had gesteld, maakt dit niet anders.
Ook de omstandigheid dat de Franse autoriteiten in hun onderzoek naar SkyECC hebben kunnen profiteren van informatie en kennis afkomstig uit andere buitenlandse opsporingsonderzoeken en/of verkennend overleg met de Nederlandse en Belgische politie brengt niet mee dat de in het opsporingsonderzoek in Frankrijk uitgevoerde onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Dit is evenmin het geval wanneer de Nederlandse politie (technische) bijstand verleent of technische kennis deelt.
Het dossier biedt verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Frankrijk door de Nederlandse autoriteiten bewust fout is voorgelicht over de wettelijke (on)mogelijkheden in Nederland om de SkyECC-data te kunnen vergaren. De verdediging stelt het, maar onderbouwt het verder niet.
Een verschuiving van verantwoordelijkheid naar de Nederlandse autoriteiten kan tot slot ook niet worden afgeleid uit de inhoud van het overgelegde document ‘Inzetplan 13Werl’.
Volgens het OM is dit document slechts een intern beleidsstuk, een conceptplan waarvan meerdere versies in omloop zijn geweest, maar dat verder niet is uitgevoerd.
Nog daargelaten de onvoldragen status van dat document, heeft de rechtbank daaruit niet kunnen afleiden dat de Franse autoriteiten hun onderzoekshandelingen zouden hebben verricht op verzoek of onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse OM.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel staat dan ook onverkort aan toetsing door de rechtbank van de rechtmatigheid van de vergaring van de SkyECC-data door Frankrijk in de weg.
De verweren dat de interceptie zou hebben plaatsgevonden zonder een redelijk vermoeden van schuld tegen SkyECC of de individuele gebruikers en dat bij de interceptie het verschoningsrecht van geheimhouders geschonden heeft kunnen worden stuiten hierop af.
Het behoort immers niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de in Frankrijk geldende rechtsregels.
De rechtbank ziet in het dossier ook verder geen aanwijzingen dat in de Franse onderzoeken sprake is geweest van schendingen van artikel 6 of 8 EVRM die op dit punt in deze zaak een schending van artikel 6 EVRM opleveren.
2.3.5.4. Tussenconclusie
De beslissingen van de Franse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen worden gerespecteerd en de rechtbank gaat er vanuit dat de vergaring van de data door de Franse autoriteiten op rechtmatige wijze is verricht.
. De verkrijging en het gebruik van de SkyECC-data in Nederland
Het verweer
De verdediging heeft in zijn algemeenheid ten aanzien van de verwerking van de SkyECC-data gesteld dat de verwerking van data binnen de onderzoeken 13Yucca, 26Werl, 26Argus, 26Mandel en 26Palma heeft plaatsgevonden in strijd met het Unierecht en het EVRM en daarom onrechtmatig is geweest.
De verwerking – bestaande uit bewaren, (deels) ontsleutelen, analyseren, filteren, verrijken en delen – heeft volgens de verdediging namelijk plaatsgevonden zonder voorafgaand rechterlijk toezicht en zonder dat daarvoor een voorzienbare, nauwkeurige en met voldoende waarborgen omgeven wettelijke regeling bestond zoals de Europese rechtspraak met betrekking tot de artikelen 7 en 8 van het Handvest en 8 van het EVRM vereist. Een rechtmatige verwerking van gevoelige persoonsgegevens dient plaats te vinden op grond van een nauwkeurige wettelijke regeling met voldoende waarborgen, die hier ontbreekt. Dit raakt niet alleen de artikelen 7 en 8 van het Handvest en 8 van het EVRM, maar ook het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van het EVRM.
. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verkrijging van SkyECC-data in het onderzoek 26Palma op verschillende momenten in diverse (juridische) contexten heeft plaatsgevonden. Het betreft opeenvolgend de verkrijging van:
data verstrekt op basis van het 1e EOB van Nederland aan Frankrijk van 6 december 2018 (verkrijging op grond van een EOB);
data afkomstig van de IP-taps op 24/26 juni 2019, die de Franse onderzoeksrechter vanaf 11 juli 2019 spontaan heeft verstrekt op grond van artikel 26 van het Cybercrimeverdrag en artikel 7 van de EU Rechtshulpovereenkomst (te beschouwen als klassieke rechtshulp);
data afkomstig van de IP-taps op 24/26 juni 2019, die de Franse autoriteiten hebben verstrekt op grond van het EOB van 16 juli 2019, waarin het Nederlandse OM heeft verzocht bewijsmateriaal te verkrijgen dat toen al in het bezit was van de Franse autoriteiten (verkrijging op grond van een EOB);
data afkomstig van de IP-taps op 24/26 juni 2019, die zijn gedeeld in het JIT van 13 december 2019 (verkrijging binnen een JIT);
de vanaf 18 december 2020 na inzet van de MITM-techniek onderschepte data, die eveneens zijn gedeeld in het JIT;
data gedeeld door de officier van justitie op basis van artikel 126dd Sv vanuit onder meer de onderzoeken 26Argus en 26Mandel aan het onderzoek 26Palma (verstrekking door de officier van justitie).
De rechtbank zal de door de verdediging gestelde schendingen bespreken en – als wordt geconcludeerd dat van een onherstelbaar vormverzuim sprake is – deze aan de hand van artikel 395a Sv beoordelen.
. Schending van artikel 8 EVRM (bulkinterceptie)
2.4.3.1. Het verweer
Volgens de verdediging zijn de SkyECC-data verkregen door bulkinterceptie. Zowel de interceptie op 24 en 26 juni 2019 als de interceptie op 18 december 2020 waren niet gericht op specifieke personen, maar betroffen het verzamelen van gegevens van willekeurige niet- verdachte burgers, waaronder de gegevens van de SkyECC-gebruikers en hun contacten.
Hierbij moeten ook metadata, zoals verkeers- en locatiegegevens, als gevoelige persoonsgegevens worden aangemerkt.
Het betreft een ongerechtvaardigde en onbegrensde interceptie, waarbij alle data van alle gebruikers zijn onderschept. Conform daarvoor geldende regels en volgens de Europese jurisprudentie hadden daaraan grenzen moeten worden gesteld.
De Nederlandse politie en het Nederlandse OM komt geen bevoegdheid toe om op deze wijze data te verzamelen, te bewaren, te onderzoeken of te delen. Toegang tot dergelijke gegevens kan immers slechts worden verleend ten aanzien van personen die worden verdacht van betrokkenheid bij ernstige misdrijven, gepleegd of beraamd in georganiseerd verband. Zoals de RC in het onderzoek 13Yucca al had uitgemaakt, is het enkele gebruik van versleutelde SkyECC-communicatie voor die verdenking onvoldoende. Met het verkrijgen en gebruiken van deze SkyECC-data is dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van SkyECC-telefoons (artikel 8 EVRM).
2.4.3.2. Is sprake geweest van bulkinterceptie?
Dat sprake is geweest van het bewaren van een grote hoeveelheid privacygevoelige
data is voor de rechtbank evident. Van een algemene en ongedifferentieerde verzameling data, doorgaans bedoeld met bulkdata, kan – anders dan de verdediging stelt – echter niet worden gesproken. De verkregen SkyECC-gegevens zien op een afgebakende groep gebruikers van één specifieke telecomdienst. Ook heeft op dat moment al een concrete verdenking bestaan dat deze communicatiedienst – mede vanwege de hiervoor al omschreven geboden faciliteiten op de toestellen en de ongebruikelijke prijsstelling van de abonnementen in combinatie met het meermalen aantreffen van die SkyECC-toestellen in (zeer) zware strafzaken – overwegend gebruikt werd door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten hebben beziggehouden.
Vergelijkingen met berichtendiensten als Whatsapp met een veel breder en gedifferentieerder publiek gaan dan ook mank. Van een situatie zoals bedoeld in de door de verdediging in dit kader aangehaalde arresten van het Hof van Justitie van de EU en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is dan ook geen sprake. De verweren op dit punt worden dan ook verworpen.
Het ontbreken van een formele notificatie aan Nederland door de Franse autoriteiten van de interceptie op de servers op 24 en 26 juni 2019
2.4.4.1. Het verweer
De verdediging heeft aangevoerd dat de artikelen 31 lid 1 Richtlijn 2014/41/EU en 20 EU-Rechtshulpovereenkomst vereisen dat Nederland door Frankrijk wordt genotificeerd van een interceptie op de servers, omdat hiermee ook de SkyECC-toestellen van gebruikers die zich op het grondgebied van Nederland bevinden worden getroffen. Door het ontbreken van die notificatie zijn de grondrechten vervat in de artikelen 8 EVRM, 7, 8 en 52 van het Handvest en artikel 6 van de EOB-richtlijn alsmede artikel 5.4.21 Sv geschonden. De Nederlandse RC heeft ten onrechte geen controle vooraf kunnen uitoefenen over die interceptie op toestellen van burgers op Nederlands grondgebied en dus ook de in dat kader noodzakelijke waarborgen voor grondrechten van de betrokken burgers niet kunnen toepassen. Het verstrekken en nadien gebruiken van de SkyECC-data betekent een ernstige en onherstelbare inbreuk op de privacy van de individuele gebruiker van een SkyECC-toestel in Nederland en schending van het Unierecht.
2.4.4.2. Zijn de artikelen 31 Richtlijn 2014/41/EU en 20 EU-Rechtshulpovereenkomst nageleefd bij de interceptie van 24 en 26 juni 2019?
2.4.4.3. Het wettelijk kader
Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat die ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor interceptie van telecommunicatie (de intercepterende lidstaat), constateert dat het communicatieadres van de in de interceptieopdracht genoemde persoon op wie de interceptie betrekking heeft, in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat, en deze interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, dan is de intercepterende lidstaat gehouden op grond van artikel 31 lid 1 Richtlijn 2014/41/EU de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat vooraf in kennis te stellen van de interceptie. Voor deze kennisgeving wordt gebruik gemaakt van het formulier in bijlage C van Richtlijn 2014/41/EU. Artikel 20 EU-Rechtshulpovereenkomst kent een vergelijkbare regeling.
Zou een dergelijke kennisgeving aan Nederland zijn gedaan, dan houden de artikelen 5.1.13 en 5.4.18 Sv in dat door de officier van justitie machtiging van de RC wordt gevorderd tot het verlenen van instemming met het (voornemen tot) aftappen of dat met het (voornemen tot) aftappen kan worden ingestemd. Deze regelingen strekken er toe dat aftappen van telecommunicatie op ‘Nederlands grondgebied’ niet plaatsvindt zonder dat Nederland daarvan op de hoogte is en kan beslissen of dit aftappen al dan niet (verder) doorgang mag vinden. Van belang daarbij is de vraag of in een soortgelijke Nederlandse strafzaak het opnemen van telecommunicatie ook zou worden toegestaan.
2.4.4.4. De feitelijke gang van zaken
Niet is gebleken dat de Franse autoriteiten voorafgaand aan de interceptie op 24 en 26 juni 2019 gebruik hebben gemaakt van het formulier in bijlage C van Richtlijn 2014/41/EU of de Nederlandse autoriteiten op grond van artikel 20 EU-Rechtshulpovereenkomst formeel hebben genotificeerd, dat met de interceptie op de SkyECC-servers te voorzien was dat bij deze interceptie ook data zouden kunnen worden onderschept van SkyECC-gebruikers die zich in Nederland bevonden.
Het Nederlandse rechercheteam is namelijk pas ná de interceptie hierover per e-mail ingelicht, waarbij de onderschepte data op 11 juli 2019, in eerste instantie spontaan door de Franse onderzoeksrechter, later op basis van het EOB van 16 juli 2019 en vanaf 13 december 2019 in het JIT aan de Nederlandse autoriteiten zijn verstrekt.
2.4.4.5. De beoordeling van het verweer
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt mee dat het de rechtbank niet is toegestaan de rechtmatigheid te controleren van de procedure waarbij een andere lidstaat, in dit geval Frankrijk, het overgedragen bewijsmateriaal heeft vergaard. Dit uitgangspunt geldt ook wanneer de uitvoerende lidstaat door die interceptie in Frankrijk de data daarmee feitelijk (ook) heeft vergaard op het grondgebied en in het belang van de uitvaardigende lidstaat (Nederland).
Wanneer de Nederlandse autoriteiten op 8 juli 2019 worden geïnformeerd over het feit dat de Franse autoriteiten in het kader van het eigen onderzoek naar SkyECC op 24 en 26 juni 2019 IP-taps hebben gezet op de SkyECC-servers, is die interceptie al aangevangen en staat daarmee vast dat die notificatie aan de Nederlandse autoriteiten, gezien de bepalingen van de Richtlijn en de EU-Rechtshulpovereenkomst niet tijdig is gedaan.
Voor zover hier van belang geldt dat met artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU ook beoogd wordt de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht te beschermen. Het gaat dan om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit brengt mee dat, als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU c.q. de EU-Rechtshulpovereenkomst worden nageleefd, de persoon op wie die interceptie betrekking heeft wordt aangetast in zijn of haar rechten.
De rechtbank dient dan ook te beoordelen óf en, zo ja, welk rechtsgevolg in de gegeven omstandigheden aan de niet-naleving van die voorschriften moet worden verbonden.
De rechtbank richt zich daarbij eerst op de vraag of de Nederlandse autoriteiten, zouden zij voorafgaand aan de interceptie van 24 en 26 juni 2019 daarvan op de hoogte zijn geweest, tegen die interceptie bezwaar hadden gemaakt.
De rechtbank stelt in dat kader vast dat de Nederlandse autoriteiten al vanaf oktober 2018 in nauw overleg hebben gestaan met de Franse autoriteiten, om de mogelijkheden te verkennen om het bedrijf SkyECC en gebruikers van de SkyECC-toestellen te onderzoeken en daartoe onder meer een tap op de door SkyECC gebruikte servers in Roubaix te realiseren. Zo heeft ook al vooroverleg tussen Frankrijk en Nederland plaatsgevonden om een voorgenomen Nederlands EOB toe te lichten. In dat vooroverleg en de daarbij aan Frankrijk verschafte informatie is ook melding gemaakt van een flink aantal Nederlandse opsporingsonderzoeken waarin de communicatie tussen de verdachten via SkyECC had plaatsgevonden.
Hieruit leidt de rechtbank af dat het niet alleen de Franse, maar ook de Nederlandse autoriteiten al van aanvang af duidelijk is geweest dat bij een dergelijke interceptie op de SkyECC-servers in Frankrijk ook de gebruikers van SkyECC-toestellen die zich op Nederlands grondgebied bevonden getroffen zouden kunnen worden.
Dat de Nederlandse autoriteiten ook toen al met een toekomstige interceptie op die servers serieus rekening hebben gehouden blijkt ook uit de machtiging op grond van artikel 126ug, lid 2 Sv van 30 november 2018 van de RC in de zaak 13Yucca, die aan het in het vooroverleg aangekondigde EOB van 6 december 2018 is voorafgegaan. In die machtiging heeft de RC opgenomen:
“Doel van de vordering Het onderzoeksbelang is gelegen in het onderzoek van de technische mogelijkheden om - op een later moment - de communicatie te tappen en te ontsleutelen. Voor dat onderzoek is het nodig dat de nu nog onbekende inhoud van de servers van SkyECC wordt verkregen.”
Ook toen heeft de RC al onderkend dat bij de voorgestane interceptie op de servers (met het maken van een image) een grote hoeveelheid berichten van de SkyECC-gebruikers in Nederland onderschept zou kunnen worden. Dit feit heeft er toen niet toe geleid dat de interceptie zelf verboden werd, maar alleen dat het gebruik van de inhoud van mogelijk te onderscheppen berichten werd beperkt. In die machtiging is immers bepaald dat van de inhoud van de op de servers aan te treffen berichten niet zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de RC gebruik mocht worden gemaakt in een strafrechtelijk onderzoek en dat voor het kennisnemen van de inhoud dáárvan eerst een machtiging van de RC moest worden gevraagd. De rechtbank concludeert dat toen al de contouren zijn gegeven voor een rechtmatig gebruik van de nog te onderscheppen SkyECC-data.
Frankrijk heeft conform de verwachting van de Nederlandse autoriteiten uitvoering gegeven aan het op basis van die machtiging uitgevaardigde EOB en op 8 januari 2019 zijn klantgegevens en informatie met betrekking tot de betreffende server(s) van Frankrijk ontvangen. Op basis daarvan is technisch onderzoek ten dienste van de voorgenomen interceptie en ontsleuteling van data uitgevoerd. De weg naar een toekomstige interceptie is dan ook gevolgd en de mogelijkheid van een interceptie is niet uit beeld geraakt.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat aannemelijk is dat:
a) het voor het niveau van wetenschap bij de Nederlandse autoriteiten over een interceptie op de SkyECC-servers weinig tot geen verschil zou hebben gemaakt, wanneer de Franse autoriteiten tijdig en per formulier overeenkomstig artikel 31 van de Richtlijn 2014/41/EU de Nederlandse autoriteiten over die interceptie zouden hebben genotificeerd en
b) te verwachten zou zijn geweest dat, waren autoriteiten wel tijdig in kennis gesteld van de interceptie op de SkyECC-servers, de Nederlandse autoriteiten tegen deze interceptie geen bezwaar zouden hebben gemaakt en aan het gebruik van die data (hooguit) de voorwaarden als vermeld in de machtiging van 30 november 2018 zouden zijn verbonden.
Dat geen verderstrekkende beperkingen in de rede hebben gelegen leidt de rechtbank af uit het feit dat het voorzienbaar was dat, door het ontbreken van technische mogelijkheden, de betreffende interceptie geen ontsleutelde berichten zou opleveren, maar alleen metadata van SkyECC-communicatie. De dataverzameling is verder ook anoniem geschied.Deze verwachting is ook in overeenstemming geweest met hetgeen daadwerkelijk bij die interceptie is aangetroffen, te weten de SkyECC-ID’s en nicknames van de gebruikers en berichten waarmee andere gebruikers als contactpersoon uitgenodigd werden. Anders dan de verdediging merkt de rechtbank deze ‘persoonsdata’ in de gegeven omstandigheden niet aan als gevoelige persoonsgegevens. De te verwachten privacyschending door het kopiëren van die data op de servers zou namelijk naar zijn aard beperkt gebleven zijn, omdat niet te verwachten was dat de data op de server direct te herleiden zouden zijn naar concrete personen. SkyECC heeft immers een versleutelde berichtendienst aangeboden, waarbij de gebruikers van die dienst niet hun identiteit of verdere persoonsgegevens kenbaar hoefden te maken. Communicatie was alleen mogelijk tussen de gebruikers van de betreffende dienst, zodat deze beperkte inbreuk voor alle gebruikers heeft gegolden.
Het alleen kunnen beschikken over de metadata van de communicatie levert onder die omstandigheden niet een min of meer compleet beeld van het persoonlijk leven van de gebruiker op.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat Nederland bij de verkrijging van de data van die interceptie al had moeten waarborgen dat geheimhouderscommunicatie direct zou worden uitgefilterd, vernietigd of ontoegankelijk worden gemaakt, miskent dit de hiervoor omschreven aard en omvang van de gegevens. Aan SkyECC-ID’s en nicknames van accounts kan immers niet afgelezen worden of überhaupt sprake is van een geheimhouder of communicatie met een geheimhouder en het stond de opsporingsinstanties verder niet vrij om van de inhoud van die berichten, die daarvoor misschien een aanknopingspunt had kunnen bieden, kennis te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de gegeven omstandigheden die waarborg niet op voorhand vastgelegd had hoeven te worden en het ontbreken daarvan geen aan het OM of de opsporingsteams toe te rekenen inbreuk op geheimhouding oplevert.
De rechtbank stelt vast dat op basis van de toegang tot de door deze interceptie onderschepte data geen nauwkeurige conclusies hebben kunnen worden getrokken over het privéleven van betrokkenen. Met de verkrijging daarvan is dan ook geen ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de individuele SkyECC-gebruiker. Een eventueel nadeel, zo daar al sprake van zou zijn geweest, is gering. Opgemerkt wordt daarbij dat dit nadeel uiteraard niet heeft kunnen liggen in de omstandigheid dat strafbare feiten anders aan het zicht van opsporingsinstanties onttrokken waren gebleven. Zover strekt de bescherming van de privacy immers niet.
In de machtiging van 30 november 2018 was al richting gegeven aan de waarborgen voor het gebruik van die data. Dat in afwijking van die machtiging een verderstrekkend gebruik van die data is gemaakt, is niet gebleken.
In zoverre betekent de niet-naleving van de artikelen 31 van de Richtlijn en 20 EU-Rechtshulpovereenkomst dus op zich een onherstelbaar vormverzuim jegens de individuele gebruiker van een SkyECC-toestel in Nederland. Het belang dat de geschonden voorschriften dienen, te weten rechterlijk toezicht op het verkrijgen van gevoelige persoonsgegevens, is groot, maar juiste nakoming van die voorschriften zou in dit geval niet tot een andere uitkomst hebben geleid. Daarom wordt met de enkele constatering van het vormverzuim volstaan en wordt aan de vormfout geen verderstrekkend rechtsgevolg verbonden.
Ontbreken wettelijke regeling interceptie, onvoldoende rechterlijk toezicht
Omdat de verdediging zich ook op het standpunt heeft gesteld dat de rechten van de gebruikers bij de verkrijging en/of het gebruik van de SkyECC-data in zijn algemeenheid onvoldoende gewaarborgd zijn geweest, beoordeelt de rechtbank in aanvulling op het vorenstaande de wijze waarop de data zijn verkregen en hoe de rechten van de gebruikers daarbij zijn gewaarborgd.
De verdediging heeft aangevoerd dat Nederland geen wettelijk systeem kent waarin sprake is van duidelijke en nauwkeurige regels omtrent de reikwijdte en voorwaarden voor toegang tot gebruikersgegevens van communicatie-aanbieders. Daarmee zijn waarborgen niet wettelijk vastgelegd. Evenmin is bij het verkrijgen en gebruiken van die data voorzien in voldoende, voorafgaand rechterlijk toezicht.
De rechtbank stelt voorop dat er geen expliciete regeling in de Nederlandse wet is opgenomen met betrekking tot de verwerking van gegevens verkregen in het kader van een buitenlands opsporingsonderzoek. Het ontbreken van een dergelijke grondslag heeft er echter niet aan in de weg gestaan dat het OM machtigingen heeft gevorderd van de RC voor het gebruik van dit soort gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en dat de RC op die vorderingen heeft beslist ook buiten situaties waarin de wet dit eist. Die bevoegdheid vloeit voort uit het systeem van de wet, waarin de RC krachtens artikel 170 Sv is belast met toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot het opsporingsonderzoek. In het algemeen wordt hieruit de opdracht afgeleid om te waken over de rechtmatigheid en de volledigheid van het opsporingsonderzoek en worden ook waarborgen en voorwaarden voor toegang tot gebruikersgegevens vastgelegd.
De door middel van de IP-taps van 24 en 26 juni 2019 verkregen gegevens zijn in eerste instantie direct op vrijwillige basis door de Franse onderzoeksrechter met de Nederlandse politie gedeeld. Die verstrekking is nadien, na het Nederlands EOB van 16 juli 2019, op 2 augustus 2019 geformaliseerd door middel van toestemming van de Franse autoriteiten om de data te gebruiken binnen een Nederlands strafrechtelijk onderzoek.
Het EOB van 16 juli 2019, waarbij het OM de overdracht had gevraagd van de met de IP-taps van 24 en 26 juni 2019 onderschepte data, behoefde – anders dan de verdediging heeft betoogd – geen rechterlijke toetsing vooraf. De artikelen 1, lid 1, en 2, onder c van richtlijn 2014/41 moeten aldus worden uitgelegd dat een EOB, ter fine van de overdracht van bewijsmateriaal dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat, niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden uitgevaardigd door een rechter, wanneer dit krachtens het recht van de uitvaardigende staat in een zuiver binnenlandse procedure niet nodig is, omdat een officier van justitie (in dit geval op grond van artikel 126dd Sv) zelf al bevoegd is om de overdracht van dat bewijsmateriaal te gelasten. Van die situatie is hier sprake.
De rechtbank heeft in het dossier ook geen aanknopingspunten aangetroffen voor het oordeel dat de bij de interceptie van 24 en 26 juni 2019 onderschepte berichten al vóór 15 december 2020 (in strijd met de voorwaarden gesteld in de machtiging van de RC in het onderzoek 13Yucca van 30 november 2018) ook inhoudelijk zouden zijn onderzocht. Op de servers bevonden zich immers geen encryptiesleutels waarmee die berichten konden worden ontsleuteld en de inhoud van de berichten bleef daardoor onleesbaar tot het moment dat toepassing kon worden gegeven aan een toen nog te ontwikkelen MITM-techniek, waarbij die sleutels onderschept zouden kunnen gaan worden.
Voor zover het al in november 2019 mogelijk bleek om van bepaalde groepsgesprekken een onderwerpregel te lezen en het in een later stadium gelukt is om onderdelen van die groepschats gedeeltelijk te ontsleutelen, hebben de onderzoeksteams – zo heeft het OM medegedeeld – bewust van dat onderzoek afgezien. De twijfel daarover die bij de verdediging leeft heeft zij niet onderbouwd en ook overigens is van de onjuistheid van die mededeling van het OM niet gebleken. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid daarvan.
Ook ten aanzien van de verkrijging en het gebruik van de SkyECC-data die met de Franse interceptie van 18 december 2020 zijn onderschept was in voldoende rechterlijk toezicht voorzien.
Het OM heeft daartoe in onderzoek 26Argus op 14 december 2020 een machtiging gevorderd van de RC voor het geven van een bevel tot het opnemen van telecommunicatie (artikel 126t Sv). Die machtiging is op 15 december 2020 verleend, dus nog voordat de Franse autoriteiten de MITM- techniek, die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk zou maken, hebben ingezet. Die interceptie heeft immers pas op 18 december 2020 plaatsgevonden.
Toen nadien duidelijk werd dat bij die interceptie ook berichten waren onderschept van toestellen, die zich op dat moment op Nederlands grondgebied bevonden, is voorafgaand aan het gebruik van die data, machtiging gevorderd voor het geven van een bevel tot het binnendringen van en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk (artikel 126uba Sv). Deze machtigingen zijn op 7 en 11 februari 2021 gegeven.
Het mag er dan ook voor worden gehouden dat de RC’s met het verlenen van deze machtigingen en het stellen van voorwaarden niet alleen een redelijk opsporingsbelang hebben onderkend, maar ook de proportionaliteit en subsidiariteit van de inbreuk hebben getoetst. Daarmee is ook ten aanzien van deze interceptie voldoende voorzien geweest in het rechterlijk toezicht op de verkrijging en het gebruik van die data.
De verdediging heeft nog aangevoerd dat de voorwaarden die in die machtigingen zijn gesteld niet voldoen aan de eisen die daaraan in de Europese rechtspraak worden gesteld. Ze zouden geen effectieve beperking van kennisname van de berichten bevatten, noch een effectieve bescherming van het professioneel verschoningsrecht of effectieve controle voor de verdediging of de rechtbank op de naleving van die voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat met het opnemen van de betreffende voorwaarden in de machtiging kon worden volstaan. Zij bieden voor de rechten van de gebruikers een voldoende beschermingskader. De naleving van die voorwaarden kon ook nadien worden getoetst.
Daar waar de verdediging meent dat, met name verschoningsgerechtigde, communicatie niet is beschermd, wijst de rechtbank op de onder 3 genoemde voorwaarde in die machtiging. Deze luidt als volgt:
‘3. Er wordt bij het onderzoek recht gedaan aan het verschoningsrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Voor zoveel mogelijk wordt geheimhouderscommunicatie actief uitgefilterd;’
Met deze voorwaarde wordt voldoende recht gedaan aan zowel de belangen van de geheimhouder die beschermd moet worden, als de belangen van de opsporing om een strafrechtelijk onderzoek te kunnen verrichten.
Op voorhand hoefde het niet zonder meer duidelijk te zijn, dat zich op SkyECC-servers ook geheimhouderscommunicatie bevond. Het onderzoek van de SkyECC-berichten richtte zich in dat stadium immers nog niet op een specifieke persoon, laat staan dat dan ook al duidelijk is dat die gebruiker wordt bijgestaan door een advocaat of dat een geheimhouder zelf een gebruiker daarvan zou zijn.
Met die kleine kans dat zich geheimhouderscommunicatie in die berichten zou kunnen bevinden moet desondanks wel rekening gehouden worden. Met het stellen van de derde voorwaarde in de machtiging heeft de RC dit onderkend en de voor dat moment noodzakelijke waarborg gegeven. In de voorwaarde is ook de mogelijkheid onder ogen gezien dat het tijdens het filteren van de berichten niet altijd voorkomen kan worden dat kennis genomen moet worden van geheimhoudersmateriaal. Immers, wanneer een geheimhouder het SkyECC-ID van zijn telefoon niet op voorhand bij de Orde van Advocaten heeft aangemeld als de wijze waarop hij met zijn cliënten communiceert, kan die status niet op basis van de aangetroffen SkyECC-ID worden afgelezen en heeft de geheimhouder daarmee zelf geen gebruik gemaakt van de in Nederland expliciet aangeboden bescherming van dat account bij het filteren van onderschepte data. In dat geval zal pas ná het kennisnemen van de inhoud van berichten duidelijk kunnen worden of sprake is van geheimhoudersmateriaal en kunnen die berichten pas daarna via de daartoe bestemde procedures voor verdere kennisname ontoegankelijk worden gemaakt.
Uit de processen-verbaal, waarin verslag is gedaan van de wijze van filteren, blijkt verder dat de opsporingsdiensten van meet af aan inspanningen hebben verricht om te bewerkstelligen dat mogelijke geheimhouderscommunicatie werd onderkend en ontoegankelijk werd gemaakt. Hiermee is voldoende gebleken dat de door de RC gestelde voorwaarde is nageleefd.
Daar komt nog bij dat in de machtiging is bepaald dat in eerste instantie alleen gezocht mocht worden met behulp van zoeksleutels die sterke aanwijzingen opleveren voor ernstige, georganiseerde criminaliteit. De RC heeft ook op die manier aanvullend (beperkende/strenge) voorwaarden gesteld aan de wijze waarop de data konden worden doorzocht. Bij die ‘geautomatiseerde’ controle neemt verder niemand kennis van de inhoud van de bestanden. De zoekactie is weliswaar breed (dat wil zeggen in een grote hoeveelheid data) uitgevoerd, maar doordat met de gehanteerde methode zeer gericht wordt gezocht en de resultaten beperkt blijven tot wat gezocht wordt, blijft ook een eventuele inbreuk beperkt.
Het vorenstaande leidt, in onderling verband en in samenhang bezien, tot de conclusie dat de RC’s in het onderzoek 26Argus de machtigingen ex artikel 126t en artikel 126uba Sv (en alle daarop voortbordurende machtigingen), op goede en deugdelijke gronden hebben verleend. Daarin zijn voldoende waarborgen gegeven voor een zorgvuldige verwerking van de SkyECC-data.
Met het geven van deze machtigingen met daarin deze voorwaarden is een voldoende waarborg gegeven tegen schending van artikel 8 EVRM bij het gebruik van de betreffende SkyECC-data.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van strijd met de grondrechten van het EVRM of het EU-Handvest. Het verwerken van de data is zorgvuldig en met oog voor de privacybelangen van betrokkenen gebeurd. Hen is geen rechtsbescherming onthouden.
Op gelijke gronden is de rechtbank van oordeel dat met het verkrijgen en gebruiken van deze data evenmin sprake is van schending van de bepalingen van de Richtlijn 2016/680, die kort gezegd zien op de wijze van verwerking van persoonsgegevens, noch van de bepalingen omtrent de verwerking van de data in de Wet Politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
De verweren van de verdediging die hierop zien worden verworpen.
De vordering en het gebruik van APN-gegevens (verkeersgegevens)
2.4.6.1. Het verweer
Het OM heeft zogenoemde Acces Point Name (APN)-gegevens gevorderd, die informatie bevatten over de gebruiker, zoals het netwerkpad, gebruikersnaam en wachtwoord. De verdediging acht dit in strijd met artikelen 7, 8 en 52 Handvest en 8 EVRM omdat die gegevens (voor het merendeel) zijn gevorderd en gebruikt zonder voorafgaande rechterlijke machtiging. Deze gegevens zijn algemeen en ongericht van aard en zijn verkregen op basis van het enkele gebruik van SkyECC, hetgeen geen gerechtvaardigde verdenking oplevert.
Bovendien heeft het OM onvoldoende transparantie betracht door stukken omtrent deze opsporingshandelingen pas na uitdrukkelijk verzoek van de verdediging aan het dossier toe te voegen.
2.4.6.2. De beoordeling door de rechtbankDe rechtbank stelt vast dat, wanneer een officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de RC te vorderen voor het vorderen van die gegevens bij de provider. Daar waar de officier van justitie in onderzoek 26Palma toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheden van artikel 126n Sv (voor het verkrijgen van verkeersgegevens) heeft hij dit gedaan nadat hij daartoe door de RC’s in onderzoek 26Palma op 18 april 2023 was gemachtigd.
Voor de toepassing van de bevoegdheden op grond van artikel 126na Sv (voor het verkrijgen van gebruikersgegevens) heeft de officier van justitie geen schriftelijke machtiging van de RC nodig. Van de door de verdediging gestelde onrechtmatigheid is dan ook niet gebleken.
Het feit dat de betreffende machtiging pas op verzoek van de verdediging als processtuk in het dossier is gevoegd doet aan het bestaan daarvan niet af. Het verweer ter zake wordt verworpen.
Betrouwbaarheid van de SkyECC-data
Het verweer
De verdediging heeft gewezen op het gebrek aan effectieve controle van de forensische betrouwbaarheid van de data (geen integriteitsketen, hash-/integriteitscontrole, reproduceerbaarheid; onbekende tooling/human actions; kwetsbaarheid voor wijziging/manipulatie).
Zij beroept zich daarbij met name op het door haar ingebrachte rapport van de deskundige [deskundige 1] van 25 februari 2026. In zijn rapport wijst hij erop dat de conclusie van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) dat de toolboxgegevens, en daarmee impliciet de toolboxmethode, een correcte weergave van de chatberichten en hun metadata zijn, niet is gebaseerd op wetenschappelijke normen.
Onder meer het ontbreken van exacte aantallen berichten maakt het onmogelijk om in te schatten hoeveel berichten in het dossier zouden moeten zijn aangetroffen, versus hoeveel er daadwerkelijk konden zijn ontsleuteld. Er kan dus geen beeld van de volledigheid van de data worden gemaakt en onduidelijk is waar of welke berichten missen. Verder worden er in de database soms fouten gemaakt bij de vaststelling van wie de zender en wie de ontvanger van een bericht is. Een ‘ground-truth’ kan daarom nooit op basis van onvolledige data tot stand komen, terwijl een dergelijke ‘ground truth’ database wel nodig is voor een zorgvuldige beoordeling van de betrouwbaarheid daarvan. Pas daarna kan de toetsing van de Toolboxmethode plaatsvinden in een door de verdediging controleerbaar proces.
Die verifieerbare ground-truth dataset is er niet en daarmee heeft de validatie van de toolboxmethode door het NFI met het referentie-experiment voor de deskundige geen, althans beperkte waarde.
Omdat de volledigheid direct van invloed is op de betrouwbaarheid, draagt die onvolledigheid direct bij aan een verhoging van de onzekerheid over welke gegevens juist zijn en welke niet. Er kunnen immers belangrijke berichten missen, verbanden kunnen door onvolledigheid verkeerd worden gelegd en de geïnterpreteerde volgorde van gebeurtenissen kan verkeerd zijn.
Weliswaar ziet de deskundige dat bij het verkrijgen van het bewijsmateriaal (de Packet Capture-bestanden) wel voldoende zorg is besteed aan de integriteit van de data, maar wordt niet duidelijk of de verdere behandeling en verwerking van de data daarna ook op deze zorgvuldige wijze is gedaan. Ook daarom is het niet mogelijk om na te gaan of de gepresenteerde gegevens integer zijn.
Op grond van dit rapport heeft de verdediging betoogd dat de mogelijkheid van een effectieve tegenspraak heeft ontbroken, omdat technisch doorslaggevend materiaal niet toetsbaar is gemaakt. Dit duidt de verdediging als een schending van artikel 6 EVRM.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.
Voor zover de verdediging zou hebben bedoeld te stellen dat de onderschepte data tijdens of na de verkrijging (bewust) zouden zijn gewijzigd, dat berichten met dat doel aan andere accounts zouden zijn gekoppeld of dat bestanden niet juist zouden zijn gekopieerd heeft zij aan deze suggesties geen handen en voeten gegeven. Het dossier, noch de inhoud van de berichten biedt houvast voor de aanname dat de data al bij de vergaring of nadien gemanipuleerd zouden zijn.
Wel constateert de rechtbank mét alle procespartijen dat niet alle oorspronkelijk via de servers gewisselde berichten op de servers en/of SkyECC-toestellen zijn onderschept en/of konden worden ontsleuteld. Een groot deel van de in het dossier opgenomen SkyECC-data bestaat uit de gespreksbijdragen van één gespreksdeelnemer. Deze chatgesprekken zijn in die zin dus onvolledig. Dit is een gegeven dat de rechtbank moet meewegen in de beoordeling van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de SkyECC-data.
In het dossier zijn voor de onvolledigheid verschillende oorzaken genoemd, zoals de instelling van ‘burn-time’-functionaliteit op het toestel en de ‘panic-wipe’ waardoor berichten verwijderd worden, haperingen van de interceptietool zelf, waardoor gedurende een bepaalde periode mogelijk niet alle gesprekken zijn vastgelegd en uiteraard ook de selectie van de beschikbare gesprekken vanuit die database door het OM.
Een (technische) controle die volledigheid van de oorspronkelijk gewisselde berichtgeving vereist is dan ook bij voorbaat illusoir, maar is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van dit type data ook niet essentieel. Van belang is dat ervan uitgegaan moet kunnen worden dat de gepresenteerde tekst overeenkomt met het oorspronkelijk verstuurde bericht. Het enkele feit dat berichten zijn weggevallen betekent nog niet dat de berichten die er wél zijn daarmee als onbetrouwbaar moeten worden beoordeeld.
Hierbij is van doorslaggevend belang dat, zou de integriteit van de versleutelde data door de interceptie zelf of door de verdere verwerking zijn aangetast, ontsleuteling van het bericht met de bijbehorende encryptiesleutel hoe dan ook uitgesloten zou zijn geweest. Er wordt dan in het geheel geen leesbaar bericht meer zichtbaar. Dit uitgangspunt is met het onderzoek van de deskundige niet weerlegd.
De vraag of de weergave in het dossier een voldoende compleet beeld oplevert van het chatgesprek waarvan die berichten deel uitmaken, laat zich dan ook eerder beoordelen door de consistentie van het gesprek zelf en de daaromheen gevoerde gesprekken, dan door de volledigheid van de interceptie en de technische verwerking van de berichten vanaf de server tot aan de opname in het dossier. Het percentage onderschepte data ten opzichte van het totale aantal oorspronkelijk gewisselde data is hiervoor minder van belang.
Verder heeft de verdediging niet geconcretiseerd welke chatgesprekken in het dossier foutief zouden zijn weergegeven. De rechtbank ziet dan ook geen reden om eraan te twijfelen dat de weergave van de inhoud van de berichten, zoals deze zijn opgenomen in dit procesdossier betrouwbaar is.
Het mogelijk ontbreken van (delen van) chats brengt uiteraard wel mee dat de rechtbank zal moeten toetsen op de bewijswaarde van de aanwezige berichten en kritisch zal moeten beoordelen of een andere – voor de verdachte niet belastende – lezing niet meer voor de hand ligt. De rechtbank zal deze berichten dan ook lezen in de context van het gevoerde gesprek en in samenhang met het overige bewijs.
De rechtbank gebruikt die SkyECC-berichten verder alleen voor het bewijs wanneer zij overtuigd is van haar lezing en betekenis van die berichten en wanneer daarvoor ook voldoende steun is te vinden in de combinatie met andere gesprekken dan wel ander bewijsmateriaal.
De controle als bedoeld in artikel 6 EVRM ziet bij dit type data dan ook met name op de geboden mogelijkheid om die gesprekken, ook buiten de selectie in het dossier, in de context te kunnen plaatsen en daartoe onderzoek te doen. Die mogelijkheid is de verdediging geboden.
De verdachte is tijdens de politieverhoren en tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting geconfronteerd met de volgens de politie (meest) relevante SkyECC-berichten en de mogelijke interpretatie daarvan. Haar is de gelegenheid geboden uitleg te geven over die berichten en eventueel aan te geven indien een bepaalde weergave of interpretatie niet juist is geweest. Hiervan heeft de verdachte geen gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft daarnaast geconstateerd dat de communicatie tussen de verschillende accounts, zoals opgenomen in het dossier, niet onbegrijpelijk is verlopen. De conversaties sloten voor het overgrote deel inhoudelijk op elkaar aan en de gebruikers waren doorgaans niet in verwarring over de vraag met wie of waarover werd gecommuniceerd.
Met inachtneming van het voorgaande is er geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de SkyECC-berichten en deze kunnen dan ook voor het bewijs in deze zaak worden gebruikt.
Een schending van artikel 6 EVRM acht de rechtbank niet aanwezig.
Schending ‘equality of arms’ ten aanzien van de verwerving en het gebruik van de SkyECC-data
De verdediging heeft tot slot ten aanzien van dit onderwerp aangevoerd dat zij geen toegang tot de ruwe data van de onderschepte berichten heeft gekregen, zodat ook om die reden het fundamentele recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.
Vooropgesteld wordt dat in het beginsel van 'equality of arms' geen recht op volledige transparantie ligt besloten. Uit dit beginsel vloeit ook niet voort dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen of als aanleiding voor de opsporing heeft gediend. Het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren.
Het criterium is niet dat de verdediging dezelfde mogelijkheden moet hebben als de opsporingsinstantie, maar dat de verdediging de mogelijkheid heeft om de resultaten van het onderzoek te onderzoeken, te betwisten en tot op zekere hoogte te controleren. Onbeperkte en ongecontroleerde toegang tot de ruwe data van de onderschepte berichten behoort daar niet toe. Deze toegang zou immers een onaanvaardbare inbreuk opleveren op het recht op privacy van alle andere personen dan de verdachte ten aanzien van wie gegevens in de ruwe data zijn opgenomen.
Het onderzoeksteam 26Palma en het OM hebben overigens evenmin inzage in de ruwe data (brondata) gehad. De verdediging heeft dan ook over dezelfde dataset kunnen beschikken als die waarover de officieren van justitie de beschikking hebben gehad.
De verdediging heeft verder in de afgelopen drie jaar voldoende gelegenheid gehad om (de selectie van) de bewijsmiddelen te controleren, het dossier aan te vullen met berichten die haar geraden voorkomen en om haar zienswijze toe te lichten. Zij heeft van deze mogelijkheden ook gebruik gemaakt. Het feit dat de inzage in de datasets van onderzoek 26Palma inspannend, tijdrovend en mogelijk frustrerend is geweest wil de rechtbank geloven, maar doet er niet aan af dat de geboden gelegenheid toereikend moet worden geacht.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de geboden wijze van inzage de verdediging voldoende gelegenheid heeft geboden om een adequate verdediging te voeren.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier voldoende inzicht geeft in de wijze waarop het onderzoek is verricht aan de (meta)data, die uiteindelijk in onderzoek 26Palma zijn gebruikt en de wijze waarop met geheimhoudersdata is omgegaan. In het Methodiekendossier en met name in de brieven van het OM van 30 april en 13 september 2021 en 2 juni en 8 oktober 2022, alsmede het proces-verbaal met kenmerk [kenmerk] van 20 september 2021, is hiervan uitvoerig verslag gedaan. Voor zover tekstdelen in de artikel 126uba-beschikking van de RC van 7 en 11 februari 2021 zwart zijn gelakt, is dit vooraf getoetst door de RC in een procedure op de voet van artikel 149b Sv.
De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor de conclusie dat de procedure tot de verkrijging en het gebruik van de SkyECC-data niet fair of anderszins in strijd met de regels van een behoorlijk proces is geweest. Van schending van het gestelde in artikel 6 van het EVRM is dan ook naar het oordeel van de rechtbank op deze gronden geen sprake.
Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU
De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht, namelijk voor het geval de verdediging niet wordt gevolgd in één of meerdere van de door haar ingenomen standpunten over de uitleg en schending van het Unierecht met betrekking tot de vergaring, verstrekking en het gebruik van de SkyECC-data, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU. Daartoe stelt de verdediging een aantal concreet geformuleerde vragen voor.
De rechtbank komt gelet op voorgaande beslissingen toe aan de beoordeling van dit verzoek. Hiervoor is uiteengezet dat en waarom de rechtbank de verdediging niet of niet steeds volledig volgt in haar standpunten over gestelde schendingen van het Unierecht en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen. Het antwoord op de te stellen vragen ligt echter naar het oordeel van de rechtbank al besloten in de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU zoals die eerder is besproken. Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn uitspraken van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) en 14 april 2026 (ECLI:NL:HR:2026:650) de uitwerking van die jurisprudentie in Nederland nader uiteengezet. De rechtbank acht zich dan ook voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.
Omgang met het verschoningsrecht in de procedure 26Palma
Doorzoeking woonhuis en kantoor en netwerkzoeking
Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat er in het onderzoek 26Palma opzettelijk systematisch geheimhoudersrechten zijn geschonden. RC’s en leden van het OM zouden hebben geweigerd volledig te voldoen aan bevelen van de raadkamer van deze rechtbank, die de klaagschriften tegen het beslag gegrond heeft verklaard (hierna ook: de beslagraadkamer). De verdediging heeft daaraan, onder verwijzing naar artikel 359a Sv en artikel 6 EVRM, de conclusie verbonden dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat het beslag van bewijs moet worden uitgesloten, dan wel (in geval van een bewezenverklaring) een op te leggen straf moet worden gematigd. Ten slotte heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan tot benoeming van een onafhankelijk deskundige om vast te stellen dat vernietiging daadwerkelijk en onomkeerbaar heeft plaatsgevonden, of om de omvang van (mogelijke) kennisneming/ besmetting technisch te duiden.
Standpunt van het OM Het OM heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.
Oordeel van de rechtbank
2.8.3.1. Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Eén van de aspecten die deze zaak bijzonder maakt, is dat de verdachte een (inmiddels voormalig) advocaat is, die als strafrechtadvocaat een decennialange staat van dienst heeft opgebouwd in vele grote en kleinere strafzaken en die landelijke bekendheid geniet.
2.8.3.2. Ook als voormalig advocaat rust op de verdachte nog steeds de plicht tot geheimhouding en haar komt als afgeleide daarvan een verschoningsrecht toe. De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht zien op al hetgeen haar in de normale uitoefening van haar beroep als advocaat is toevertrouwd in het kader van haar juridische dienstverlening aan rechtzoekenden, die zich tot haar hebben gewend in haar hoedanigheid van advocaat.
2.8.3.3. Aan dit verschoningsrecht ligt het beginsel ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Dat is dus een belang dat meer omvat, dan alleen het belang van de verdachte als verdachte in haar eigen strafzaak.
2.8.3.4. DoorzoekingenOp 21 april 2023 zijn onder leiding van de RC’s in aanwezigheid van anderen, onder wie de deken van de Orde van Advocaten in Rotterdam de woning van de verdachte en haar advocatenkantoor doorzocht. Daarbij zijn enkele gegevensdragers, andere voorwerpen en documenten in beslag genomen en zijn digitale gegevens van het kantoornetwerk verkregen en vastgelegd. Op uiteenlopende gronden hebben de RC’s, en in sommige gevallen de beklagraadkamer, beslist dat alles wat bij die doorzoekingen is meegenomen of vastgelegd moet worden teruggegeven aan de verdachte. De beklagraadkamer was samengesteld uit andere rechters dan de rechters die deze zaak behandelen. Resultaten van die doorzoekingen zijn niet aan dit strafdossier toegevoegd.
2.8.3.5. Verweren gegroepeerd
De verweren op dit onderdeel laten zich aan de hand van ‘totaalconclusies van de deelpleidooien’ zoals de verdediging deze heeft gepresenteerd, in essentie als volgt groeperen:
onvoldoende (controleerbaar) is gewaarborgd dat anderen dan de RC’s in de beslagfase geen kennis konden nemen van de inhoud van geschriften en gegevens(dragers) die bij de doorzoekingen zijn meegenomen en van gegevens die bij die gelegenheid op het kantoor vanaf het kantoornetwerk zijn vastgelegd;
de RC’s hebben zonder wettelijke grondslag (aanvullend) onderzoek laten uitvoeren door DigiJuris (een particulier bureau dat zich volledig richt op het leggen, bewaren en ontsluiten van bewijsbeslag);
geheimhoudersinformatie is gedeeld met het OM en de zittingsrechter, hoewel in rechte nog niet vaststond dat beslag daarop, en dus kennisneming daarvan, was toegestaan;
stellingen, waarmee wordt betoogd dat vernietiging van geheimhoudersmateriaal niet controleerbaar heeft plaatsgevonden en dat er is geweigerd duidelijkheid te geven over wie wanneer toegang heeft gehad tot geheimhoudersmateriaal, ook nadat de RC’s en de beklagraadkamer hadden besloten tot teruggave van het beslag.
2.8.3.6. Beoordelingskader
Voor de doorzoekingen bij een verschoningsgerechtigde geeft de wet in artikel 98 Sv in samenhang met artikel 218 Sv nadere regels. Die regels dienen ervoor, voor zover hier van belang, om te waarborgen dat niemand anders dan de RC’s zonder diens toestemming kennisneemt van de inhoud van in beslag te nemen geschriften of gegevens die mogelijk onder het verschoningsrecht vallen, totdat de beslissing dat inbeslagname en daarmee die kennisneming wel is toegestaan, onherroepelijk is geworden. Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van een beroep op het verschoningsrecht kan de RC zich volgens artikel 98 lid 6 Sv in een geval als dit laten voorlichten door de deken.
2.8.3.7. In de loop van deze strafzaak heeft de Hoge Raad, in een wat andere context, nadere regels ontwikkeld voor het geval filtering moet plaatsvinden van digitaal materiaal dat mogelijk valt onder het verschoningsrecht. Voor de filtering van mogelijk verschoningsgerechtigd materiaal gevonden op gegevensdragers of bij een netwerkzoeking, zoals hier beide aan de orde, valt daaraan het volgende te ontlenen. Als de RC niet in staat is zo’n filtering (geheel) zelf te verrichten zal hij het zo moeten regelen dat dat onderzoek plaatsvindt zonder dat het verschoningsrecht in het gedrang komt. Dat geldt niet alleen voor de manier waarop het onderzoek dan wordt uitgevoerd, maar ook voor de vraag welke functionarissen hij daarbij inschakelt. Niet uitgesloten is dat de RC hierbij opsporingsambtenaren of een officier van justitie inschakelt, mits daarbij wordt gewaarborgd dat de gegevens die object zijn van het verschoningsrecht niet op enigerlei wijze bekend (kunnen) worden aan degenen die met het betreffende strafrechtelijk onderzoek en de strafrechtelijke vervolging zijn belast of daarbij anderszins zijn betrokken.
2.8.3.8. Voorzien moet worden in een strikte taak- en functiescheiding tussen enerzijds de functionarissen die onder regie van de RC de filtering uitvoeren en anderzijds de functionarissen die betrokken zijn bij het opsporingsonderzoek (dan wel anderszins betrokken zijn bij de strafzaak). Het proces van filtering dient zo te zijn georganiseerd dat de functionarissen onder verantwoordelijkheid en in opdracht van de RC werken. Daarbij dient strikte geheimhouding te worden betracht, tenzij door de RC uitdrukkelijk in het concrete geval toestemming is verleend tot de verstrekking van bepaalde gegevens aan opsporingsdiensten dan wel het OM. Met het oog op de controle door de zittingsrechter is van belang dat de manier waarop het proces van filtering is georganiseerd, wordt vastgelegd in een door of namens de RC opgesteld proces-verbaal.
2.8.3.9. Mocht de RC of de beklagraadkamer beslissen dat aangetroffen gegevens onder het verschoningsrecht vallen, dan moeten deze (bij de huidige regelgeving) worden vernietigd. Als bij die vernietiging gebruik wordt gemaakt van technische voorzieningen, moeten deze zo zijn ingericht dat kan worden nagegaan of de gegevens niet meer kenbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld mogelijk door middel van een geautomatiseerde registratie, waarbij wordt bijgehouden welke handelingen binnen het systeem hebben plaatsgevonden en door wie deze zijn verricht.
2.8.3.10. Om de zittingsrechter in een voorkomend geval in staat te stellen te beoordelen of na vernietiging de gegevens niet meer kenbaar zijn, is een voldoende nauwkeurige verslaglegging van die vernietiging aangewezen. Daarbij moet in ieder geval inzicht worden gegeven in de manier waarop is gewaarborgd dat personen die bij het opsporingsonderzoek betrokken (zullen) zijn op geen enkele wijze toegang kunnen krijgen tot de betreffende gegevens.
2.8.3.11. De gevolgde proceduresDe RC’s hebben op 24 juni 2025 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt om de rechtbank een overzicht te verschaffen van de gevolgde procedure op de voet van artikel 98 Sv. Het geeft een chronologische beschrijving van de procedure, onder verwijzing naar enkele bijlagen. Daaraan ontleent de rechtbank het volgende.
2.8.3.12. Op 7 april 2023 heeft de officier van justitie in het onderzoek tegen de verdachte gevorderd dat de RC’s op de voet van de artikelen 125i, 125j en 110 Sv een doorzoeking zullen doen in de woning van de verdachte en in haar advocatenkantoor.
2.8.3.13. In die vorderingen met bijlage is vermeld dat in ieder geval gezocht moet worden naar enkele nader omschreven telefoons en gegevensdragers. De doorzoekingen dienen zich te richten op fysieke notities/aantekeningen van of gericht aan [betrokkene 1] . Beschreven is dat het doel uitsluitend is naar deze voorwerpen te zoeken in de ruimten, die aan de verdachte persoonlijk toebehoren.
2.8.3.14. Ten behoeve van onderzoek aan digitale gegevensdragers is bij de vorderingen een zoektermenlijst met toelichting gevoegd en een lijst met data in de periode van 19 december 2019 tot en met 10 maart 2021opgenomen, op welke data gericht gezocht kan worden.
2.8.3.15. De RC’s hebben deze vorderingen toegewezen en bepaald dat niet actief gezocht wordt naar de genoemde fysieke notities/aantekeningen van of gericht aan [betrokkene 1] , maar dat deze wel in beslag genomen kunnen worden indien deze desondanks worden aangetroffen op gegevensdragers ter plaatse.
2.8.3.16. Op 21 april 2023 is onder leiding van de RC’s doorzoeking gedaan in de woning van de verdachte. Zij waren bij de doorzoeking onder anderen vergezeld van de deken en geheimhoudersverbalisanten. De verdachte is in haar woning aangetroffen en is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de doorzoeking vertrouwelijk te overleggen met de deken. Tijdens de doorzoeking hebben de RC’s met de deken overlegd over eventueel in beslag te nemen documenten. Enkele documenten zijn in beslag genomen en in enveloppen gedaan die vervolgens zijn verzegeld. Tijdens de doorzoeking kwam de toenmalige raadsvrouw van de verdachte ter plaatse. Met de raadsvrouw en de deken is doorgenomen wat in beslag is genomen. De in beslag genomen goederen zijn in dozen gedaan, verzegeld en door de RC’s overgedragen aan geheimhoudersverbalisanten. Vervolgens hebben de RC’s met degenen die hen vergezelden de woning verlaten. Uit de woning zijn op deze wijze meerdere gegevensdragers meegenomen, waaronder negen USB-sticks en twee laptops.
2.8.3.17. Aansluitend is onder leiding van de RC’s doorzoeking gedaan in het kantoor van de verdachte. Ook daar waren zij vergezeld van de deken en geheimhoudersverbalisanten en was de toenmalige raadsvrouw van de verdachte aanwezig. Ter plaatse is meegedeeld dat naar een aantal specifiek nader omschreven voorwerpen/ bescheiden wordt gezocht en dat niet in klantendossiers van anderen dan [betrokkene 1] gekeken zal worden. De RC’s hebben een afgesloten kluis ongeopend verzegeld en in beslag genomen. De dossiers die in de werkkamer van de verdachte in het kantoor zijn aangetroffen zijn niet doorzocht. Enkele documenten zijn aan de deken ter beoordeling voorgelegd, waarna drie daarvan in beslag zijn genomen en in enveloppen gedaan die vervolgens zijn verzegeld. Via de computer van de verdachte is een netwerkzoeking gedaan in een deel van de digitale kantooromgeving. Deze bleek te zijn onderverdeeld in een groot aantal dossiermappen die waren voorzien van nummers. Een aantal mappen droeg een naam die verwees naar [betrokkene 1] . Deze zijn door de geheimhoudersmedewerker gekopieerd naar een externe gegevensdrager. Met de toenmalige raadsvrouw van de verdachte en de deken is doorgenomen wat in beslag is genomen. Daarvan is een lijst aan het proces-verbaal van de doorzoeking gehecht. De in beslag genomen goederen zijn in dozen gedaan. Deze dozen zijn verzegeld en door de RC’s overgedragen aan geheimhoudersverbalisanten. Vervolgens hebben de RC’s met degenen die hen vergezelden het kantoor verlaten. Ook hier zijn meerdere gegevensdragers in beslag genomen en data van het netwerk (op een externe gegevensdrager).
2.8.3.18. De in beslag genomen voorwerpen zijn na afloop van de doorzoekingen op 21 april 2023 door de geheimhoudersverbalisanten meegenomen naar het kantoor van de Dienst Landelijke Recherche te Zwolle en daar in een kluis gedaan. De verzegelde kluis die op het kantoor van de verdachte in beslag is genomen is opgeslagen in het Beslaghuis te Utrecht.
2.8.3.19. Nadien is in Zwolle de kluis met daarin het beslag tweemaal geopend – waarbij de verzegeling van de dozen is verbroken en nadien niet meer is aangebracht. Eenmaal is de kluis geopend om daaruit een laptop te halen die aan een ander dan de verdachte bleek toe te behoren, om die aan de rechthebbende terug te geven. De kluis is een tweede maal geopend om te onderzoeken of op een voicerecorder bestanden waren opgeslagen en zo ja, van welke grootte. Bij dit onderzoek zijn bestandsnamen genoteerd zonder kennis te nemen van de inhoud van de bestanden of digitale sporen op de voicerecorder achter te laten. Verder is op verzoek van de toenmalige raadsvrouw van de verdachte een werkkopie gemaakt van een harde schijf die bij de verdachte thuis in beslag was genomen. Deze kopie is aan de raadsvrouw overhandigd. Van de inhoud van dat beslag dat in Zwolle was opgeslagen is door de verbalisanten geen kennis genomen. Op 17 mei 2023 heeft één van de geheimhoudersverbalisanten op verzoek van de RC’s de verzegelde enveloppen met ‘geheimhoudersstukken’ genummerd 1, 2 en 3 vanuit de kluis in Zwolle overgebracht naar het Beslaghuis te Utrecht en deze daar overgedragen aan de RC’s.
2.8.3.20. Verder hebben de RC’s op 17 mei 2023 in het Beslaghuis te Utrecht in het bijzijn van de deken en een geheimhoudersverbalisant de in beslag genomen kluis laten openen, doorzocht en weer laten sluiten. De RC’s hebben beslist dat de kluis kon worden teruggegeven. Toen en daar hebben de RC’s in aanwezigheid van de deken ook de verzegelde enveloppen met de eerder in beslag genomen papieren stukken geopend en nogmaals met de deken overleg gevoerd over deze stukken. De RC’s hebben het papieren beslag daarna meegenomen naar het kabinet van de RC’s te Rotterdam en vanaf dat moment zijn die stukken in een kluis bewaard.
2.8.3.21. Op 24 en 25 mei 2023 hebben de RC’s het papieren beslag opnieuw beoordeeld, naar het zich laat aanzien zonder dat daarbij (opnieuw) de deken is geraadpleegd. Het resultaat van die herbeoordeling heeft één van de RC’s verwoord in een proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2023. Daarin is vermeld dat een deel van de stukken (categorie A) als verschoningsgerechtigd materiaal wordt teruggeven en dat de overige stukken (categorieën B en C) zich lenen voor inbeslagname, omdat het verschoningsrecht zich daarover om uiteenlopende redenen niet uitstrekt. Die stukken zijn in dat proces-verbaal met steekwoorden omschreven. In het procesdossier is een ‘gezwarte’ kopie van dat proces-verbaal van 25 mei 2023 opgenomen. In dat proces-verbaal zijn namelijk passages die, naar de rechtbank begrijpt, als verschoningsgerechtigde informatie over de inbeslaggenomen kluis en de stukken aan te merken zouden kunnen zijn, onleesbaar gemaakt. De verdediging heeft kopieën ontvangen van deze documenten om de bevindingen van de RC’s te kunnen toetsen. Naar aanleiding van de schriftelijke zienswijze van de verdediging op deze selectie hebben de RC’s besloten alsnog het grootste deel van het papieren beslag als verschoningsgerechtigd aan te merken en terug te geven aan de beslagene. Het beslag is gehandhaafd op de categorie C- documenten. De RC’s hebben een volledig leesbare versie van het proces-verbaal van 25 mei 2023 (ongezwart) verstrekt aan de verdediging en aan de geheimhoudersofficier van justitie.
2.8.3.22. Op 13 juni 2023 heeft één van de geheimhoudersverbalisanten de andere voorwerpen die op 21 april 2023 in beslag zijn genomen en die zich nog in de kluis in Zwolle bevonden, overgedragen aan het team dat de geheimhouderswerkzaamheden heeft overgenomen. Dit met uitzondering van de voicerecorder en de harde schijf, die op diezelfde dag zijn overgedragen aan het kabinet RC in Rotterdam. Geverbaliseerd is dat de ‘Zwolse’ geheimhoudersverbalisanten geen kennis hebben genomen van de inhoud van het beslag.
2.8.3.23. De verbalisanten aan wie deze voorwerpen zijn overgedragen hebben verklaard niet betrokken te zijn bij het onderzoek tegen de verdachte en daaraan gelieerde onderzoeken, en aangewezen te zijn als geheimhoudermedewerkers om het filterproces te faciliteren. Twee van deze verbalisanten hebben op 14 juni 2023 alle overige in beslag genomen goederen overgedragen aan het kabinet RC in Rotterdam, waar deze goederen sindsdien in een kluis zijn bewaard. Geverbaliseerd is dat ook deze geheimhoudersverbalisanten geen kennis hebben genomen van de inhoud van het beslag.
2.8.3.24. De geheimhoudersofficier van justitie, die zich op enig moment als zodanig bij de RC’s had geïntroduceerd, heeft de RC’s bij herhaling verzocht informatie uit eerder genoemd ongezwarte proces-verbaal van 25 mei 2023 te mogen delen met een ander embargo-onderzoek. Dat hebben de RC’s steeds geweigerd. Op 26 juni 2023 deelde de geheimhoudersofficier van justitie in een onderhoud met één van de RC’s mee, dat zij het proces-verbaal van 25 mei 2023 toch aan de zaaksofficier van justitie in de zaak 26Palma had gestuurd. De RC’s hebben daarop onmiddellijk de inzet van de geheimhoudersofficier van justitie beëindigd en hebben het OM opgedragen proces-verbaal op te maken waarin wordt beschreven wie op welk moment de beschikking had gekregen over informatie afkomstig uit deze stukken. Tevens is opdracht gegeven om alle kopieën van en informatie over deze stukken te vernietigen c.q. te verwijderen van gegevensdragers. Een en ander is ook gemeld aan de verdediging.
2.8.3.25. Uit daarop gevolgde processen-verbaal van de betreffende zaaksofficier van justitie volgt dat hij het proces-verbaal van 25 mei 2023 heeft opgevat, en zijns inziens ook zo kon opvatten, als bedoeld om hem te informeren over de voortgang van de zaak. Hij heeft de inhoud van dit proces verbaal ter kennisneming gedeeld met zijn collega-zaaksofficier van justitie, een parketsecretaris en de rechercheofficier van justitie. De rechercheofficier heeft de inhoud vervolgens ter kennisneming gedeeld met de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie. Het document is door geen van deze personen nog verder verspreid. Evenmin is er op enigerlei wijze gebruik gemaakt van de informatie uit dit proces-verbaal. Op verzoek van de RC zijn de betreffende e-mails met de bijlage – voor zover nog aanwezig – door betrokkenen verwijderd. Er zijn ook geen papieren exemplaren van het proces-verbaal bewaard gebleven, aldus de processen-verbaal van de zaaksofficier van justitie.
2.8.3.26. Per e-mailbericht van 2 augustus 2023 heeft de geheimhoudersofficier van justitie aan de RC’s geantwoord dat zij niet zal voldoen aan hun opdracht om het proces-verbaal van 25 mei 2023 te vernietigen/verwijderen, omdat zij voorziet dat zij zich op enig moment over de verstrekking van de stukken aan het zaaks-OM (opnieuw) zal moeten verantwoorden. Zij wilde om die reden over deze stukken en de correspondentie daarover kunnen blijven beschikken.
2.8.3.27. Bij het proces van filtering van het digitaal beslag is uiteindelijk door de RC’s een beperkt en gespecificeerd aantal van de in beslag genomen gegevensdragers betrokken. Zoals hiervoor al opgemerkt hebben de RC’s zich bij die filtering op uitdrukkelijke suggestie van de verdediging laten bijstaan door DigiJuris. Aan DigiJuris is daarbij geheimhouding opgelegd. Filtering heeft in aanwezigheid van de verdediging plaatsgevonden op het kabinet RC, opdat de gegevensdragers het kabinet RC niet zouden verlaten. De uitkomst van die filtering was dat er geen grond was het digitale beslag te handhaven. De zaaksofficier van justitie is daarvan op de hoogte gesteld.
2.8.3.28. Nadat het filterproces was afgerond hebben de RC’s op suggestie van de zaaksofficier van justitie door DigiJuris laten onderzoeken of een bepaalde USB-stick uit het beslag, aangesloten is geweest op de laptop van verdachte. DigiJuris heeft daartoe in de forensische kopie de logbestanden in het zogenoemde besturingsregister van die laptop bekeken. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2024. Die resultaten zijn na bezwaar van de verdediging niet aan het procesdossier toegevoegd. Op verzoek van de zaaksofficier van justitie hebben de RC’s van de elf inbeslaggenomen USB-sticks gegevens genoteerd, zoals merk, type, serienummer en de aansluitnaam. Daarvan hebben de RC’s op 8 mei 2024 een proces-verbaal opgemaakt.
Dit proces-verbaal is op verzoek van de verdediging niet aan de zaaksofficier van justitie verstrekt in afwachting van het door de verdediging in te dienen klaagschrift tegen het digitale beslag. Ook dat proces-verbaal is niet gevoegd in het procesdossier.
2.8.3.29. Op 18 juli 2023, 8 december 2023 en 21 mei 2024 is het beslag teruggegeven aan de beslagene, met uitzondering van vier ‘categorie C-documenten’ waarop de RC’s het beslag hebben gehandhaafd. Tegen die beslissing heeft de verdediging op 22 november 2023 een klaagschrift ingediend bij de beklagraadkamer. Op 15 mei 2024 is bij de beklagraadkamer een tweede klaagschrift ingediend inzake een kopie van het digitaal beslag in de kluis op het kabinet RC.
2.8.3.30. Op 21 februari 2025 heeft de beklagraadkamer in beide zaken het beklag gegrond verklaard en – voor zover dat nog niet was gebeurd – de teruggave aan de verdachte gelast van de categorie C-stukken en van alle (kopieën van de) in beslag genomen gegevensdragers. Daarbij is de kanttekening geplaatst dat aan de raadkamer geen oordeel toekomt over voeging van stukken of vernietiging daarvan.
2.8.3.31. Hierna is het beslag afgewikkeld. De RC’s hebben op 24 juni 2025 aan de verdediging geschreven dat het papieren beslag in een gesloten envelop op het kabinet RC aan de verdediging wordt overhandigd en dat kopieën daarvan niet in omloop zijn. Verder berichten zij dat van het digitale beslag, dat niet in het filteringsproces betrokken is geweest, geen kopieën van gegevensdragers zijn gemaakt. Van de data die wel in het filteringsproces zijn betrokken zijn door DigiJuris een forensische kopie en enkele werkkopieën gemaakt. Deze bevinden zich op een Network Attached Storage (NAS) met vier harddisks. Hierop staan de data van de in beslag genomen gegevensdragers en de data van de netwerkzoeking, met mogelijk restanten daarvan met betrekking tot een laptop die is gebruikt bij het filterproces en op een standalone PC voor aansturing van de NAS. Ook zijn er nog zeven harddisks waarop werkkopieën staan van delen van de in beslag genomen data. De RC’s hebben bepaald dat alle in beslag genomen gegevensdragers, met uitzondering van de NAS, op 3 juli 2025 op de rechtbank door een gecertificeerd bedrijf met een shredder zullen worden vernietigd. De verdediging is uitgenodigd zich daarover uit te laten. Van de vernietiging zal per item een certificaat worden uitgegeven. De RC’s hebben voorts bepaald dat de NAS zal worden bewaard ten behoeve van mogelijk nader onderzoek door de rechtbank volgend op de beklagprocedures. De verdediging is gevraagd om door te geven of zij nog over de NAS wil kunnen beschikken. In dat geval zal deze nog niet worden vernietigd. Een reactie daarop van de verdediging bevindt zich niet in het procesdossier.
Beoordeling verweren
2.8.3.32. Ten aanzien van de onder a. genoemde verwerenDe onder a. genoemde verweren (onvoldoende waarborgen met betrekking tot kennisname) missen feitelijke grond. De rechtbank verwijst daartoe naar de hiervoor weergegeven feiten, in het bijzonder naar 2.8.3.17. tot en met 2.8.3.20. Grondige lezing van het relaas van de RC’s en de bijbehorende bijlagen wijst immers uit dat, behalve de kluis van de verdachte, het volledige beslag zich vanaf de doorzoekingen in een kluis van opvolgende geheimhoudersverbalisanten bevond en vervolgens is overgebracht naar het kabinet RC. Daar is dit beslag opnieuw in een kluis opgeslagen. Gekeken naar de inhoud van de bij dat relaas gevoegde processen-verbaal heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat anderen dan de RC’s, de deken en de toenmalige raadsvrouw van de verdachte in die fase kennis hebben genomen, of kennis hebben kunnen nemen, van de inhoud van het beslag.
2.8.3.33. Anders dan de verdediging suggereert, is er in die fase ook geen inzet van (forensisch)technische politie geweest, anders dan voor onderzoek aan bestandsmappen zoals hiervoor onder 2.8.3.17. omschreven. Ook bij dat onderzoek is niet kennisgenomen van de inhoud van die mappen. Inzet van een geheimhoudersverbalisant ten behoeve van dergelijk onderzoek is overigens toelaatbaar, zoals hiervoor onder 2.8.3.7. al is uiteengezet, zolang daarbij niet van de inhoud van data kennis werd genomen, iets wat zich ook niet heeft voorgedaan.De kluis van de verdachte heeft steeds afgesloten in het Beslaghuis gestaan totdat de RC’s die kluis in aanwezigheid van de deken daar hebben laten openen. De kluis is toen onderzocht en gesloten, waarna tot teruggave is beslist.
2.8.3.34. Voor zover de verdediging meent dat schriftelijke stukken uit het beslag aan ‘het team’ zouden zijn verstrekt, is de rechtbank daarvan niet gebleken. Anders dan de verdediging stelt, zijn ook geen ‘kernhandelingen’ uit de artikel 98 Sv-procedure aan het OM of geheimhoudersfunctionarissen uitbesteed. De verdediging veronderstelt dat leden van het OM of geheimhoudersfunctionarissen betrokken zouden zijn geweest bij de inhoudelijke beoordeling/filtering van beslag. Dit heeft zij, zeker in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen over de feitelijke gang van zaken, niet concreet onderbouwd. Voor zover verweren daar, in algemene bewoordingen gesteld, wel vanuit gaan, worden die verworpen. De RC’s hebben over het digitale beslag besloten dat dat zich niet leende voor inbeslagneming. Slechts ten aanzien van enkele ‘fysieke’ documenten hebben de RC’s het voornemen geuit het beslag daarop te handhaven. Op dat moment is ook de verdediging in de gelegenheid gesteld de zienswijze van de verdachte door te geven aan de hand van kopieën van die specifieke documenten. De deken is ook overigens door de RC’s steeds ten aanzien van alle onderdelen van het beslag geraadpleegd over de vraag of het naar zijn oordeel mogelijk over verschoningsgerechtigd materiaal zou gaan. Dat de RC’s de zienswijze van de deken niet altijd hebben gevolgd doet daaraan niet af. Ook hier hebben de vereiste waarborgen niet ontbroken. Dat de deken heeft geconcludeerd, en de beklagraadkamer nadien ook heeft geoordeeld dat deze stukken onmiskenbaar onder het verschoningsrecht vielen, doet er niet aan af dat de mogelijkheid aan de verdediging is geboden om te reageren. Dit bevestigt juist het bestaan en de naleving van die wettelijke waarborgen.
2.8.3.35. Ten aanzien van de onder b. genoemde inzet van DigiJuris
Het verweer omtrent de inzet van DigiJuris valt in twee onderdelen uiteen. De bezwaren die zien op de inschakeling van DigiJuris bij het proces van filtering ‘terwijl de 98-status nog niet onherroepelijk was’, kan de rechtbank niet goed plaatsen. DigiJuris is ingezet ten behoeve van het filteringsproces van het digitale beslag. Zo’n proces vindt per definitie plaats ín de lopende 98 Sv-procedure en aan DigiJuris is in dit verband uiteraard geheimhouding opgelegd. Daarnaast is DigiJuris juist op uitdrukkelijk verzoek van de verdediging ingeschakeld, zodat geen geheimhoudersverbalisanten ingezet hoefden te worden. De inzet van DigiJuris vond bovendien plaats in aanwezigheid van de verdediging op het kabinet RC. Aan dit verweer gaat de rechtbank dan ook voorbij.
2.8.3.36. Voor zover de verdediging stelt dat er in het geheel geen onderzoek naar een mogelijke relatie tussen de in beslag genomen USB-stick en laptop had mogen plaatsvinden volgt de rechtbank dat niet. De bevoegdheid van de RC tot inbeslagname omvat immers ook de bevoegdheid tot onderzoek aan het beslag. Ook hierbij geldt dat de RC’s zich hebben mogen laten bijstaan door een derde, in dit geval DigiJuris, als eigen kennis en technische mogelijkheden daarvoor niet toereikend zijn. Opmerking verdient dat de schriftelijke verslaglegging daarvan, op instigatie van de verdediging, geen deel uitmaakt van het procesdossier zodat de rechtbank ook niet kan beoordelen of dat onderzoek zich uitstrekte tot daadwerkelijk verschoningsgerechtigd materiaal. Dat geldt ook voor een onderzoek naar de kenmerken van de elf in beslag genomen USB sticks, waarvoor geldt dat de resultaten daarvan door de RC alleen aan de verdediging zijn verstrekt. Ook dit onderdeel van de verweren treft dus geen doel en wordt verworpen. De verdediging heeft overigens terecht gesteld dat artikel 182 lid 7 Sv geen bruikbare grondslag is voor een dergelijk onderzoek. Aan de voor toepassing van die bepaling verbonden voorwaarde, dat het gaat om de zaak van een verdachte die zich (nog) in voorlopige hechtenis bevindt, was immers niet (langer) voldaan. Gezien het vorenstaande verbindt de rechtbank hieraan echter geen consequenties bij gebreke van enig reëel verdedigingsbelang.
2.8.3.37. Ten aanzien van het onder c. delen van geheimhoudersinformatie met het OM
Anders ligt het met het verweer dat er geheimhoudersinformatie is gedeeld met het OM. Als vaststaand moet de rechtbank aannemen (nu de rechtbank alleen de gezwarte versie ervan kent) dat in het proces-verbaal van bevindingen van 25 mei 2023 van één van de RC’s vier stukken zijn genoemd en aangeduid met benamingen die gerelateerd zouden kunnen worden aan de inhoud van de betreffende documenten. De RC’s hebben geoordeeld dat het verschoningrecht zich niet over die stukken uitstrekte, maar de beklagraadkamer oordeelde later na beklag door de verdediging dat dit ‘zonder enige twijfel’ wel het geval was. Op de voet van artikel 98 lid 3 Sv mogen anderen dan de RC geen kennis nemen van dergelijk materiaal voordat onherroepelijk op een beklag daarover is beslist. Dit is een belangrijke wettelijke waarborg. De (potentieel) verschoningsgerechtigde inhoud van dat proces-verbaal werd kennelijk ook daadwerkelijk van enige betekenis geacht en kan niet – zoals het OM ter zitting deed – weggezet worden als het kennis nemen van slechts vier woorden. De geheimhoudersofficier van justitie heeft namelijk in haar functie van inlichtingenofficier van justitie in de inhoud van dat proces-verbaal aanleiding gezien de RC’s te verzoeken informatie daaruit in een ander onderzoek te mogen inzetten. Vaststaat ook dat dit proces-verbaal nadien nog is gedeeld met één van de zaaksofficieren en met een rechercheofficier van justitie, de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie en met een parketsecretaris. Dit levert wegens schending van artikel 98 lid 3 Sv een onherstelbaar vormverzuim op waarmee inbreuk is gemaakt op het zwaarwegende belang dat met het verschoningsrecht is gediend. Het verzuim is onherstelbaar, ook al heeft de officier van justitie op ambtsbelofte verklaard dat hij en de mensen die het stuk via hem hebben ontvangen dit hebben vernietigd, dat de informatie niet verder is verspreid en dat daarvan verder geen gebruik is gemaakt. Kennisneming kan immers niet meer ongedaan gemaakt worden. Daar komt nog bij dat de inlichtingen/geheimhouders officier van justitie heeft geweigerd gevolg te geven aan de opdracht van de RC’s het bewuste proces-verbaal te verwijderen/vernietigen om zich zo nodig hiervoor te kunnen verantwoorden. Hiermee negeert zij een rechterlijk oordeel en handelt zij in strijd met de op dit moment geldende regelgeving.
2.8.3.38. Naar het oordeel van de rechtbank moet aan dit vormverzuim vanwege de ernst daarvan enig rechtsgevolg worden verbonden. Voor niet-ontvankelijkheid van het OM is hier geen plaats omdat niet is voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad daarvoor stelt. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.2. ‘Algemeen kader vormverzuimen’. Bewijsuitsluiting is niet aan de orde omdat geen enkel resultaat uit het beslag, afkomstig uit de woning, het kantoor of van het kantoornetwerk dat voor het bewijs gebruikt zou kunnen worden, aan het dossier is toegevoegd. Het betreft een verzuim dat de verdachte als voormalige strafadvocaat buiten het rechtstreekse verband van deze strafzaak wel nadeel toebrengt in haar hoedanigheid van hoedster van verschoningsgerechtigd materiaal van haar voormalige cliënten. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank aanleiding de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim te matigen. Het door het verzuim veroorzaakte nadeel, voor zover de omvang daarvan zich in deze zaak al laat vaststellen, kan langs deze weg in enige mate worden gecompenseerd.
2.8.3.39. Ten aanzien van d. controle vernietiging geheimhoudersmateriaalAls laatste heeft de verdediging betoogd, dat vernietiging van geheimhoudersmateriaal niet controleerbaar heeft plaatsgevonden en dat er is geweigerd duidelijkheid te geven over wie er wanneer toegang heeft gehad tot geheimhoudersmateriaal, ook nadat de RC’s en de beklagraadkamer hadden besloten tot teruggave van het beslag. Dit verweer vindt voor een deel, waar het ziet – kort gezegd – op de routing van het beslag, zijn weerlegging in de feiten zoals deze zijn weergegeven in de overwegingen 2.8.3.16. tot en met 2.8.3.23. De (wijze van) vernietiging van het geheimhoudersmateriaal uit het beslag en/of kopieën daarvan is in de brief van de RC’s aan de verdediging van 24 juni 2025 in detail beschreven. Uit die brief blijkt dat de verdediging zelf in belangrijke mate invloed heeft mogen en kunnen uitoefenen op de wijze van vernietiging van dat materiaal. Daarin valt naar het oordeel van de rechtbank geen vormfout te ontwaren. Ook dat verweer wordt daarom verworpen. Het bevel van de beklagraadkamer strekte zich tot slot niet uit tot processen-verbaal van de RC’s waarin het proces van filtering en nader onderzoek aan één of meer USB sticks door DigiJuris zijn beschreven. Dat de RC’s om legitieme redenen hebben besloten deze processen-verbaal in de kluis van het kabinet RC te bewaren maakt dit niet anders.
2.8.3.40. Conclusie
Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim door schending van geheimhoudersrechten van de verdachte.
2.8.3.41. Voorwaardelijk verzoek
Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om een onafhankelijk deskundige te benoemen om de aard en omvang van die schending vast te stellen hoeft niet te worden besproken. De voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan – namelijk dat de rechtbank zou oordelen dat er onvoldoende argumenten bestaan om zo’n schending aan te nemen – is zoals uit het voorgaande volgt, niet vervuld.
Detentieomstandigheden van de verdachte
Standpunten
De verdediging heeft zeer uitvoerig naar voren gebracht dat de manier waarop de verdachte in detentie is gehouden ernstige en onherstelbare vormverzuimen oplevert en dat het OM daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair zou dit tot (algehele) bewijsuitsluiting moeten leiden en meer subsidiair een schuldigverklaring zonder straf. De verzuimen bestaan uit (i) vrijheidsbeneming buiten het stelsel van de Penitentiaire beginselenwet, (ii) het feitelijk uitsluiten van toezicht, registratie en klachtrecht, (iii) het negeren van voorzienbare veiligheids- en gezondheidsrisico’s, (iv) aanwijzingen voor ketenregie/inmenging door het OM en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) in het detentieregime en (medische) aansturing, (v) het misleiden en onvolledig informeren van de RC en de rechtbank en (vi) structurele lacunes/tegenstrijdigheden in de verslaglegging.
Deze verzuimen hebben volgens de verdediging geleid tot schending van de Penitentiaire beginselenwet, het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning (ICPPED), de Wet internationale misdrijven en de artikelen 2, 3, 5, 6 en 13 van het EVRM.
Voor het geval de rechtbank niet komt tot één van de hiervoor door de verdediging verzochte rechtsgevolgen, is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en alsnog een aantal eerder geformuleerde onderzoekswensen te honoreren.
Het OM heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van de verweren.
Oordeel van de rechtbank
2.9.3.1. InleidingDe verdachte is op 21 april 2023 aangehouden op verdenking van deelname aan een criminele organisatie en schending van de geheimhoudingsplicht. Op 21 april 2023 is de verdachte op last van de hulpofficier van justitie in verzekering gesteld, nadat zij daarover in aanwezigheid van (een van) haar toenmalig raadslieden was gehoord. Van 21 tot en met 23 april 2023 heeft zij verbleven in het arrestantencomplex van de politie Utrecht in Houten. Nadat de RC op die dag de verdachte in aanwezigheid van haar advocaat heeft gehoord, is tegen haar een bevel tot bewaring gegeven en is zij van 24 april 2023 tot en met 2 mei 2023 voorlopig gehecht geweest op een geheime detentielocatie en op 2 mei 2023 is zij overgeplaatst naar de Penitentiaire Inrichting Nieuwersluis. Op 4 mei 2023 is de gevangenhouding bevolen voor de duur van 30 dagen, nadat de verdachte en haar toenmalige raadslieden daarover waren gehoord, waarna deze op 1 juni 2023 door de rechtbank is opgeheven. Opnieuw zijn toen ook de verdachte en haar toenmalige raadslieden gehoord.
2.9.3.2. De verweren zien zowel op het verblijf in het arrestantencomplex in Houten als op het verblijf op de geheime locatie en hebben dus betrekking op een detentieperiode van in totaal twaalf dagen. Het zwaartepunt van de verweren ziet op het verblijf op de geheime locatie. De verdediging is daarnaast uitgebreid ingegaan op de besluitvorming over de plaatsing van de verdachte op de geheime locatie, en de rol die het OM en beleidsfunctionarissen van het ministerie van Justitie en Veiligheid daarbij gespeeld zouden hebben. Bij de beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer dat de verdediging daarop baseert, zijn allereerst de detentie-omstandigheden zoals die feitelijk zijn geweest van belang.
2.9.3.3. Om nadere informatie te verkrijgen over de feitelijke omstandigheden waaronder de verdachte gedetineerd is geweest op de geheime locatie is op verzoek van de verdediging als [de getuige] (hierna ook: [de getuige] ) uitvoerig gehoord op de zitting van 2 september 2025. De getuige was gedurende de detentieperiode van de verdachte de verantwoordelijke vestigingsdirecteur met betrekking tot de geheime locatie en hij was als zodanig verantwoordelijk voor de omstandigheden waaronder de verdachte was gedetineerd. Tot die verantwoordelijkheid behoorde ook het organiseren en garanderen van adequate medische zorg.
2.9.3.4. De betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van [de getuige]De getuige heeft op voorhand schriftelijk vragen van de rechtbank beantwoord. Die antwoorden zijn met de officieren van justitie en de verdediging gedeeld en later ook ter zitting bevestigd. Zouden zich daarin feitelijke onjuistheden hebben bevonden dan heeft de verdediging zich daarop in de ondervraging van de getuige kunnen voorbereiden.
De verdediging heeft hem meer dan 150, soms zeer gedetailleerde, vragen gesteld in een urenlang verhoor op zitting. Hij heeft daarbij geen enkele vraag onbeantwoord gelaten, heeft niet nagelaten ook onvolkomenheden te melden en heeft over het geheel genomen consistent en gedetailleerd verklaard. Het is daarbij nooit uit te sluiten dat de beantwoording op ondergeschikte punten niet of niet volledig in overeenstemming is met de feiten zoals deze uit het dossier volgen. Dat maakt de getuige echter nog niet ongeloofwaardig of onbetrouwbaar. Het feit dat de verdachte de detentie vanuit haar eigen beleving klaarblijkelijk anders heeft ervaren brengt nog niet mee dat de verklaring van de getuige onbetrouwbaar is. Anders dan de verdediging meent, vindt de rechtbank de verklaring van [de getuige] , ook in samenhang met de andere detentiedocumenten in het dossier, wel geloofwaardig.
2.9.3.5. De geheime detentielocatie Er is veel discussie geweest omtrent de precieze (juridische) status van de detentielocatie. Vaststaat dat het om een locatie ging die door het OM is betiteld als safe house en geheime locatie. Kennelijk was het de bedoeling om de kring van personen die kennis konden nemen van de detentielocatie zo beperkt mogelijk te houden in verband met voorstelbare dreiging op de persoon van de verdachte. De keuze om de verdachte te plaatsen op de geheime locatie was volgens het OM dan ook ingegeven door zorgen omtrent de veiligheid, maar daarnaast ook vanwege het geestelijke en fysieke welzijn van de verdachte. Die zorgen zijn door het OM overgebracht aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) die verantwoordelijk is voor de plaatsing. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de beslissing van de directeur Gevangeniswezen om de verdachte op die locatie te plaatsen. De rechtbank is er van overtuigd dat die beslissing – anders dan door de verdachte (soms ook publiekelijk) gesuggereerd – is ingegeven door oprechte zorgen over haar veiligheidssituatie en om, gegeven die voorstelbare dreiging, zo goed mogelijk te voldoen aan de op de Staat rustende zorgplicht.
2.9.3.6. Het OM heeft erkend dat de detentielocatie niet in alle opzichten voldeed aan de daaraan volgens de toepasselijke regelgeving te stellen eisen. Ook [de getuige] heeft dit verklaard. Zo was in strijd met de wettelijke regelgeving de Commissie van Toezicht feitelijk niet beschikbaar. Toen de verdachte een schriftelijke klacht had opgesteld over de detentie-omstandigheden, heeft [de getuige] , als verantwoordelijke directeur de (ongeopende) brief ter kennis gebracht van de directeur Gevangeniswezen. Deze heeft echter, ondanks aandringen van [de getuige] , de klacht bewust niet ter kennis van de bevoegde autoriteit gebracht, om de verblijfplaats van de verdachte geheim te kunnen blijven houden. Ook aan de verdachte zelf is niet verteld waar zij op dat moment verbleef. De huisregels binnen de inrichting zijn weliswaar aan de verdachte mondeling doorgegeven maar niet op schrift gesteld. Vaststaat ook dat er dat er geen formeel toezicht op de locatie (mogelijk) was door de Inspectie Justitie en Veiligheid omdat het verblijf van de verdachte op die locatie niet aan de Inspectie was gemeld. Dit is door de Inspectie bij brief van 31 maart 2025 aan de directeur-generaal van de DJI bevestigd. [de getuige] heeft desgevraagd verklaard dat de verdachte omwille van de veiligheid niet als gedetineerde geregistreerd stond op de bedoelde locatie, maar in een penitentiaire inrichting elders in Nederland. De getuige heeft verder verklaard dat de advocaten van de verdachte ondanks het geheime karakter van de locatie wel toegang tot haar hebben gehad. 2.9.3.7. Dat de verdachte toegang tot de Commissie van Toezicht bewust is onthouden, doordat haar schriftelijke klacht over haar detentieomstandigheden doelbewust niet ter kennis is gebracht van de bevoegde autoriteit, vormt een inbreuk op de rechten van de verdachte, aan wie op dat moment door de Staat in voorlopige hechtenis in deze strafzaak haar vrijheid was ontnomen. Dit moet, gelet op de waarborgen waarmee toepassing van een ingrijpend middel van vrijheidsbeneming moet zijn omgeven, worden aangemerkt als een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
2.9.3.8. Vaststaat dat de verdachte steeds gedetineerd is geweest op grond van beslissingen van (rechterlijke) autoriteiten die daartoe volgens de wet bevoegd waren. Die autoriteiten hebben, anders dan de verdediging lijkt te menen, geen beslissingsmacht over de vraag waar die detentie ten uitvoer wordt gelegd. Hoewel het slechts zelden voorkomt dat gedetineerden op een afgeschermde plek worden geplaatst, kan daartoe aanleiding bestaan met het oog op de veiligheid en/of het welzijn van de gedetineerde, de veiligheid van de maatschappij, andere gedetineerden en/of de DJI medewerkers. In het geval van de verdachte was er aanvankelijk aanleiding om rekening te houden met een voorstelbare dreiging voor haar veiligheid, iets wat de rechtbank – gelet op haar betrokkenheid als advocaat bij het zeer belaste Marengo-proces – niet onbegrijpelijk voorkomt. Op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar was, is besloten om de verdachte ook niet in een reguliere penitentiaire inrichting te plaatsen tussen andere gedetineerden maar op een afgeschermde plek. Van absolute geheimhouding van de locatie is echter geen sprake geweest. De advocaten van de verdachte hadden immers steeds toegang tot de detentielocatie en hebben haar in de korte tijd ook meermalen bezocht. Aangenomen mag worden dat zij ook de naaste familie van de verdachte daarover op de hoogte hielden. Van een ‘gedwongen verdwijning’ waarmee de verdachte ‘buiten de wet is geplaatst’ is dan ook geen sprake geweest.
2.9.3.9. Ook gedurende de voorlopige hechtenis is de noodzaak van deze bijzondere plaatsing steeds tegen het licht gehouden. Op enig moment is geconcludeerd dat de veiligheidssituatie niet langer noopte tot gebruik van de geheime locatie, terwijl de zorg die de verdachte nodig had in een reguliere penitentiaire inrichting beter opgevangen kon worden. De verdachte is toen overgeplaatst naar de penitentiaire inrichting Nieuwersluis. Dat de verwijten die de verdediging in dit verband maakt ook mee kleuren met het doel waarvoor ze worden ingezet moge blijken uit het feit dat de toenmalige advocaat van de verdachte zich op verzoek van de verdachte aanvankelijk met klem tegen die overplaatsing heeft verzet en om schorsing van dat besluit heeft gevraagd bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. In dat verzoek is vermeld dat: “na de aanvankelijke problemen omtrent de zorg voor haar psychische en lichamelijke welzijn, dit inmiddels soepel verloopt en er geen aanleiding bestaat voor overplaatsing”.
2.9.3.10. Ongeacht de beleving van de verdachte, is van schending van de belangen die de Wet internationale misdrijven en/of het ICPPED beogen te beschermen naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest. Zij neemt daarbij in aanmerking dat er – in verband met de op de Staat rustende zorgplicht – een zwaarwegend belang was om de verdachte op een absoluut veilige locatie gedetineerd te houden en die locatie daarom zo veel als redelijkerwijs mogelijk geheim te houden. Zij heeft daarbij steeds onverkort toegang gehouden tot haar advocaten, artsen en verpleegkundigen. Het is ook niet gebleken dat de geschetste situatie langer heeft geduurd dan nodig was in verband met de veiligheidsrisico’s voor de verdachte.
2.9.3.11. Incidenten op de geheime detentielocatie Door de verdediging is uitvoerig ingegaan op de fysieke inrichting van de geheime detentielocatie. [de getuige] heeft daarover in de schriftelijke beantwoording het volgende opgemerkt:
‘Om een beeld te schetsen van de locatie: deze bestaat uit twee cellen. Beide cellen zijn in oppervlakte groter dan een reguliere cel. Verder zijn de cellen voorzien van alle normale faciliteiten, zoals een toilet, douche, een bureau met stoel, bed en een raam om naar buiten te kijken. Vanuit de cel komt men via een kleine gang terecht in een recreatieruimte. In deze recreatieruimte was een keuken aanwezig, een zitje met televisie (deze was toentertijd overigens niet beschikbaar vanwege de door het OM opgelegde beperkingen) en er was voorzien in een aantal boeken en tijdschriften. Ook was in de recreatieruimte een hometrainer beschikbaar. Tot slot was op deze locatie een luchtplaats aanwezig en een wasruimte waar kleding kon worden gewassen’.
Op basis van de door de verdediging overgelegde stukken, de verklaring van [de getuige] en het verhandelde ter terechtzitting kan worden geconcludeerd, dat zich inderdaad enkele incidenten hebben voorgedaan op de geheime detentielocatie. Vaststaat dat de intercom in de cel op één moment niet heeft gewerkt. Dat is opgelost door aan de verdachte in de cel een fysieke bel met afstandsbediening te geven. Verder is de celdeur vanaf 26 april 2023 helemaal niet meer op slot gedaan zodat de verdachte indien nodig ook zelf naar het personeel in de recreatieruimte kon lopen en naar de kast waar haar medicatie werd bewaard. Het personeel was permanent (24/7) aanwezig.
De verdachte had klachten over de temperatuur op cel, waarna de temperatuur is aangepast. Tijdens een luchtmoment bleek de elektrische bediening van de toegangsdeur naar de luchtplaats niet te werken. Deze storing is toen onverwijld verholpen. [de getuige] heeft er voorts op gewezen dat er altijd – zoals gebruikelijk in elke penitentiaire inrichting – in een kluis op de locatie een fysieke sleutel aanwezig is geweest om deuren in geval van een storing te allen tijde te kunnen openen. Noch in de fysieke inrichting van de detentielocatie, noch in de beschreven incidenten kan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv gevonden worden.
2.9.3.12. Medische zorg op de detentielocatie in Houten De verdediging heeft uitvoerig betoogd dat de medische zorg tijdens de detentie ernstig is tekortgeschoten en dat de gezondheid van de verdachte als gevolg daarvan ernstig in gevaar is gebracht. Aangevoerd is dat tijdens de detentie in het arrestantencomplex in Houten het licht in de cel permanent heeft gebrand, dat de voeding niet onmiddellijk was afgestemd op het dieet van de verdachte, maaltijden werden overgeslagen, te laat zou zijn verzocht om bezoek van een arts, medicatie niet tijdig is verstrekt, en noodmedicatie niet onmiddellijk onder handbereik is geweest. Ook zou de privacy van de verdachte zijn geschonden omdat zij niet de gelegenheid kreeg om haar medicatie te gebruiken buiten het bijzijn van personeel van de inrichting en zou medische informatie zijn gedeeld met derden, waaronder het OM hetgeen eveneens schending van de privacy impliceert. Tot slot is gesteld dat er sprake is geweest van suïcidedreiging zonder dat dit heeft geleid tot observatie of verscherpt toezicht.
2.9.3.13. Dat de verdachte als gevolg van de arrestatie en de daaropvolgende detentie aanzienlijke stress heeft ervaren en zij zich zeer kwetsbaar gevoeld zal hebben is zeer wel voorstelbaar. Wat daar ook van zij, op een andere detentielocatie zou dat niet wezenlijk anders zijn geweest. Een aantoonbare verslechtering van de medische situatie van de verdachte in die drie dagen is niet aannemelijk geworden. Anders dan de verdachte suggereert is ook niet gebleken dat haar gezondheid daardoor daadwerkelijk ernstig in gevaar is gebracht. Zelfs met de suïcidale uitspraken van de verdachte is adequaat rekening gehouden getuige het feit dat men haar ook ’s nachts niet uit het oog verloren is. Een relevant verband met de door de verdediging geschetste omstandigheden heeft de rechtbank echter niet kunnen vaststellen. Dat de medische zorg in het arrestencomplex in Houten ernstig tekort heeft geschoten is dan ook niet aannemelijk geworden.
2.9.3.14. Medische zorg op de geheime detentielocatieOok de medische zorg op de geheime detentielocatie zou volgens de verdediging ernstig tekort hebben geschoten. Gesteld is dat de verdachte als gevolg van het verblijf op deze locatie ‘potentieel onherstelbare schade’ heeft geleden. Er was volgens de verdediging sprake van voorzienbare en concrete risico’s voor het leven en de gezondheid van de verdachte. Ter onderbouwing van die stellingen heeft de verdediging een rapport overgelegd van de emeritus hoogleraar rechtspsychologie [deskundige 2] , een rapport van de [de psychiater] , alsmede een verklaring van de huisarts van de verdachte. Gewezen is voorts op wetenschappelijke publicaties waarin in algemene zin is onderbouwd dat extreme stress en onveiligheid in detentie aantoonbare fysiologische effecten hebben.
2.9.3.15. [de getuige] is uitvoerig bevraagd over de medische zorg voor de verdachte op de geheime detentielocatie. Volgens zijn verklaring is er juist veel zorg besteed aan het welzijn van de verdachte en was de zorg ook goed georganiseerd. De verdachte is bij binnenkomst bezocht door de justitieel verpleegkundige en door de huisarts die verbonden is aan de inrichting. De huisarts was naast de reguliere huisartsenzorg ook belast met het beoordelen van de detentiegeschiktheid van de verdachte. Om veiligheidsredenen is besloten om de kring van zorgverleners zo beperkt mogelijk te houden. De medische intake is op de dag van binnenkomst verricht door de justitieel verpleegkundige en de huisarts en zij hebben vervolgens het medisch beleid bepaald. Daarbij was er aandacht voor zowel het somatisch als psychisch toestandsbeeld, inclusief de inschatting van mogelijke suïcidaliteit. Bij de intake wordt standaard de detentiegeschiktheid beoordeeld. Gedurende de negen dagen durende detentie op de geheime locatie is de verdachte dagelijks bezocht door de justitieel verpleegkundige. Op 24 april 2023 en 1 mei 2023 is de verdachte door de huisarts bezocht en op 29 april 2023 heeft de psycholoog met de verdachte gesproken. Uit de dagrapportages is niet gebleken dat door de verdachte toen nog suïcidale uitlatingen zijn gedaan.
2.9.3.16. Met betrekking tot de aan de verdachte voorgeschreven medicatie heeft [de getuige] verklaard dat – zoals gebruikelijk binnen elke penitentiaire inrichting – de verdachte zelf in beginsel verantwoordelijk is voor inname van medicatie. Gevangenbewaarders zijn immers niet medisch geschoold en daarom ook niet bevoegd om medicatie toe te dienen. De medicatie werd bewaard in een niet afgesloten kast op de afdeling. Van 24 tot en met 26 april 2023 was de verdachte ingesloten en moest zij het personeel vragen om haar de medicatie te verstrekken. Dit is ook steeds gebeurd. Vanaf 26 april 2023 was de celdeur blijvend geopend vanwege een probleem met de intercom (zie hiervoor) en vanaf dat moment had zij geheel zelfstandig toegang tot haar medicatie. Zij was daarnaast in de gelegenheid om gebruik te maken van de haar ter beschikking gestelde bel met afstandsbediening. De toegang tot de medicatie was op deze wijze afdoende gewaarborgd. De verdachte is al jaren bekend met diabetes met sterk wisselende suikerwaardes, zo blijkt uit de verklaring van de huisarts. [de getuige] heeft verklaard dat de insulinewaardes één maal gedurende de detentie op de geheime locatie veel te hoog zijn geweest. Hierop is toen onmiddellijk actie ondernomen, waarop de medicatie is aangepast met als gevolg dat deze waardes nog diezelfde avond weer tot een aanvaardbaar niveau zijn terug gebracht. Van een comateuze toestand, zoals door de verdediging gesuggereerd, is nimmer sprake geweest, laat staan van meerdere incidenten op dat vlak. [de getuige] heeft tot slot nog opgemerkt dat de verdachte de justitieel verpleegkundige bij haar vertrek heeft bedankt voor de goede zorgen. Ook dit laat zich niet rijmen met de verwijten die de verdachte nu naar voren brengt.
2.9.3.17. Ook voor de detentieperiode op de geheime locatie geldt dat de rechtbank zich goed kan voorstellen dat de verdachte een hoge mate van stress en spanning heeft ervaren en dat dit van invloed is geweest op haar gezondheidssituatie. De vraag die voorligt is echter of er sprake is geweest van nadelige effecten op de gezondheid als gevolg van tekortschieten van medische zorg. Daar is geen aanwijzing voor gevonden.
Ook [deskundige 2] heeft geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld of de bij de verdachte aanwezig veronderstelde psychische ontregeling is veroorzaakt door de detentie-omstandigheden of door iets anders. [de psychiater] stelt vast dat de verdachte duidelijk beantwoordt aan de criteria voor een posttraumatische stress-stoornis. Hij concludeert tot een aanwijsbaar causaal verband tussen de detentiesituatie en haar psychische en somatische welbevinden op de grond dat – buiten de detentiefactoren – geen andere factoren zijn te bedenken die van invloed kunnen zijn geweest op die psychische en somatische toestand. De rechtbank constateert echter dat de verdachte de psychiater geen inzage heeft gegeven in het strafdossier zelf en hij die conclusie nagenoeg uitsluitend heeft gebaseerd op de eigen lezing van de verdachte met betrekking tot de detentie en die verder niet heeft getoetst. Hiermee gaat [de psychiater] voorbij aan de mogelijkheid, dat de verdachte alleen al als gevolg van het feit dat zij al lange tijd als advocaat in een door anderen als ‘giftig’ gelabeld strafproces (Marengo) verwikkeld was, toen zelf verdacht werd van deelname aan een criminele organisatie en ook door de (plotselinge) arrestatie en detentie langdurig hevige stress en spanning moet hebben ervaren. Dergelijke omstandigheden zullen niemand onberoerd laten en naar de rechtbank aanneemt zal dat voor een advocaat, die publieke bekendheid geniet en in de loop der jaren een reputatie als strafpleiter heeft opgebouwd, niet anders zijn. De aanhouding, de voorlopige hechtenis, het vooruitzicht van een mogelijke veroordeling en het verlies van reputatie moeten ook haar hevig beroerd hebben. Dat de feitelijke omstandigheden waaronder de detentie heeft plaatsgevonden dus oorzaak moeten zijn geweest van een verslechtering van haar gezondheidssituatie is niet aangetoond. Ook de verklaring van haar huisarts kan niet tot die conclusie leiden.
2.9.3.18. Bemoeienis van en/of inmenging door het OM en het CJIBDe verdediging heeft gesteld dat het OM en het CJIB zich – zonder wettelijke grondslag – feitelijk hebben gemengd in en zich sturend hebben opgesteld ten aanzien van het detentieregime en de medische maatregelen tijdens de plaatsing op de geheime locatie. Het OM heeft benadrukt dat er tijdens en na haar aanhouding grote zorgen hebben bestaan over de veiligheid en het fysieke en geestelijke welzijn van de verdachte. Die zorgen zijn ook overgebracht aan de DJI, zodat zij zorg konden dragen voor een veilige wijze van detineren. Ook is door het OM gewezen op speciale aandacht voor de medische zorg van de verdachte, hetgeen er in heeft geresulteerd dat een arts, een justitieel verpleegkundige en een psycholoog zijn aangewezen om die zorg aan de verdachte te verlenen. De aandacht van het OM voor de detentiesituatie van de verdachte is ingegeven geweest door de zorg om verdachte’s veiligheid en gezondheid. Niet valt in te zien op welke wijze de verdachte als gevolg daarvan in haar belangen is geschaad. Er zijn gedurende de detentieperiode contacten geweest tussen DJI en het OM. Zo is bijvoorbeeld van de zijde van DJI aan het OM gevraagd of het was toegestaan om de celdeur blijvend geopend te laten in verband met problemen met de intercom (zie hiervoor) omdat de verdachte zich toen nog in alle beperkingen bevond. Van een ontoelaatbare bemoeienis of inmenging door het OM is de rechtbank dan ook niet gebleken. De gestelde bemoeienis van het CJIB – wat daar verder ook van zij – kan niet aan het OM worden toegerekend. 2.9.3.19. Voor hetgeen overigens is aangevoerdVoor zover op door de verdediging aangevoerde argumenten of stellingen in het voorgaande niet of slechts summier is ingegaan, zoals de strijd om de formulering van de welzijnspassage in de brief van de Inspectie, heeft de rechtbank daarover vastgesteld dat deze niet kunnen bijdragen aan de conclusie van de verdediging dat er in deze zaak sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. 2.9.3.20. ConclusieHet klachtrecht van de gedetineerde verdachte is doelbewust gefrustreerd. Dat levert een inbreuk op een fundamenteel recht van de verdachte op, ook al is dat gebeurd tegen de achtergrond van de intentie om de veiligheid van de verdachte te borgen. Dat wordt aangemerkt als een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Hierna zal onder 2.12. uiteen worden gezet welke consequenties de rechtbank aan die inbreuk verbindt. Hetgeen verder ten aanzien van de detentie door de verdediging naar voren is gebracht levert geen vormverzuim als hier bedoeld op. Voor het overige worden de verweren van de verdediging verworpen.
Publieke berechting
Standpunten
De verdediging heeft betoogd dat sprake is (geweest) van publieke berechting. Functionarissen van het OM en andere overheidsfunctionarissen van wie het handelen aan de Staat moet worden toegerekend, hebben publiekelijk uitlatingen gedaan die neerkomen op morele diskwalificatie en framing van de bewijspositie van de verdachte. Die uitlatingen zijn door de media eindeloos herhaald zonder dat de verdachte gelegenheid is geboden tot weerwoord. Als gevolg daarvan is gehandeld in strijd met het onschuldvermoeden en is van een eerlijke behandeling (fair trial) van de zaak geen sprake meer.
Deze schendingen dienen in het licht van artikel 6 van het EVRM en de Karmanjurisprudentie te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Subsidiair wordt volledige bewijsuitsluiting bepleit en meest subsidiair – voor het geval de rechtbank tot een veroordeling mocht komen – is verzocht een substantiële en effectieve compensatie toe te passen in de vorm van een aanmerkelijke strafvermindering.
Het OM heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.
Oordeel van de rechtbank 2.10.4. Berichtgeving in de mediaDuidelijk is dat deze zaak in de media veel aandacht heeft getrokken. Dat is ook begrijpelijk, want de verdachte is een publiek persoon met een lange staat van dienst als strafrechtadvocaat, die voor een ernstig strafbaar feit wordt vervolgd. In kranten, nieuwsrubrieken en actualiteitenprogramma’s is veel geschreven en gezegd over de zaak, zowel voorafgaand aan, als tijdens en na de behandeling ter terechtzitting. Ook hebben functionarissen van het OM buiten de zitting uitspraken gedaan die bij het publiek het beeld zou kunnen oproepen dat de schuld van de verdachte al min of meer vaststond. Zo heeft het OM gesproken over ‘keihard’ en ‘kogelrond’ bewijs en heeft de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal in het televisieprogramma ‘WNL Op Zondag’ op 28 april 2024, over de lezing van de verdachte over haar detentieomstandigheden opgemerkt dat deze hem ‘quatsch’ en ‘echt totale onzin’ lijkt. Ook deze uitlatingen zijn door de media veelvuldig herhaald.
Daar staat tegenover dat het de verdachte zelf is geweest die – nog vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting – de aandacht van de media heeft gezocht. Zo heeft zij in april 2024 een boek gepubliceerd onder de titel ‘Het geluid van de stilte’, waarin zij uitgebreid ingaat op haar detentie-omstandigheden en waarin zij opmerkt ‘overtuigd te zijn geraakt van het kennelijk ingecalculeerde risico en misschien zelfs van de hoop dat ik de arrestatie, detentie en behandeling geestelijk of lichamelijk niet zou overleven’. De verdachte heeft ook in het televisieprogramma ‘Buitenhof’ op 21 april 2024 uitgebreid over haar detentie-omstandigheden gesproken en daarin gesuggereerd dat het OM mogelijk erop uit was om haar ‘voor eeuwig te laten verdwijnen’. Ook heeft de verdachte een uitgebreid interview gegeven in een groot landelijk dagblad met dezelfde strekking. Dat het OM op deze media-optredens publiekelijk buiten de openbare terechtzitting in nogal stellige bewoordingen heeft gereageerd, was misschien onnodig, maar ook niet helemaal onbegrijpelijk.
De verdachte heeft immers gewild of ongewild een beeld geschetst van mogelijk ontoelaatbare motieven van het OM, waardoor het OM zich kennelijk genoodzaakt heeft gevoeld daar het eigen standpunt tegenover te plaatsen. De vraag of daarmee van een eerlijk proces niet meer kan worden gesproken zal hierna worden beantwoord.
De verdediging heeft niet concreet onderbouwd dat ook andere overheidsfunctionarissen zich in de media zodanig over de zaak hebben uitgelaten, dat daarmee het recht op een eerlijk proces is geschonden. Dat punt behoeft dus geen bespreking.
De verdediging heeft, naast uitlatingen van het OM, ook nog gewezen op uitspraken van de landsadvocaat over de detentie-omstandigheden op de geheime detentielocatie. Die uitspraken zijn gedaan in bestuursrechtelijke procedures die de verdachte heeft aangespannen over stukken die betrekking hebben op haar detentie. Deze uitspraken kunnen niet aan het OM worden toegeschreven. De vraag of in een bestuursrechtelijke procedure uitgedragen standpunten van invloed (kunnen) zijn op de vraag of het recht op een eerlijk proces in de strafzaak is geschonden, kan daarmee blijven rusten.
Onschuldpresumptie Op grond van artikel 6 van het EVRM wordt een ieder tegen wie vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Het EHRM heeft geoordeeld dat de onschuldpresumptie raakt aan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Voorkomen moet worden dat publiekelijk uitlatingen worden gedaan waarmee een voorschot wordt genomen op de uitspraak van de rechter en de publieke opinie wordt beïnvloed. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van vertegenwoordigers van het OM mag worden gevergd terughoudend te zijn met uitlatingen die raken aan de schuldvraag van de verdachte. Hierbij wordt aangetekend dat standpunten over detentie-omstandigheden op zichzelf niet raken aan die schuldvraag. De onschuldpresumptie vereist voorts dat voorlichting aan het publiek door justitiële autoriteiten zorgvuldig en behoedzaam geschiedt.
Eerlijk proces Op zichzelf zijn de uitspraken van het OM voorafgaand aan het onderzoek op de zitting over ‘keihard’ en ‘kogelrond’ bewijs maar op één manier uit te leggen: het OM heeft daarmee voorafgaand aan de zitting – in de hiervoor geschetste context – in de media al laten weten overtuigd te zijn van de schuld van de verdachte. Bij ernstige twijfel daarover zou het doorzetten van de strafvervolging door het OM overigens al snel lichtvaardig genoemd kunnen worden. Daar staat tegenover dat op de rechtbank de taak rust, los van dat alles, de beschuldigingen zoals het OM die op de zitting aan haar voorlegt, te onderzoeken en te toetsen aan de hand van het procesdossier en wat het OM en de verdediging ter terechtzitting naar voren brengen. De rechtbank is zich ervan bewust dat berichtgeving in de media invloed kan hebben op de oordeelsvorming, maar van rechters mag worden verwacht dat zij de professionaliteit bezitten om hun oordeel uitsluitend te baseren op de inhoud van het procesdossier en op hetgeen op de zitting is besproken. Ook de leden van deze rechtbank lezen kranten en kijken televisie en hebben dus kennis genomen van berichten in de media over deze strafzaak. De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of de kennisname van die berichten op enigerlei wijze en in relevante mate invloed heeft gehad op de rechterlijke oordeelsvorming. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend.
Conclusie ten aanzien vormverzuimen door publieke berechting Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is geen sprake. Het gevoerde verweer wordt verworpen.
Conclusie ten aanzien van de vormverzuimen en de ontvankelijkheid van het OM
Voor zover hiervoor is geconcludeerd dat zich in het vooronderzoek of met betrekking tot de detentie van de verdachte onregelmatigheden hebben voorgedaan die als een vormverzuim hebben te gelden, leiden deze noch op zichzelf noch in onderling verband bezien tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Het OM is dan ook ontvankelijk.
De eerlijkheid van de procedure als geheel (overall fairness)
De geconstateerde vormverzuimen in het vooronderzoek, te weten het ontbreken van de notificatie, de inbreuk op het klachtrecht van de verdachte tijdens detentie en de wijze waarop het OM, niet zijnde de zaaksofficieren van justitie, met verschoningsgerechtigd materiaal vanuit deze procedure is omgegaan, kunnen niet hersteld worden.
Zij leiden evenwel noch afzonderlijk, noch samen genomen tot de conclusie dat de strafprocedure als geheel niet langer eerlijk is.
De inbreuken hebben uiteindelijk geen invloed gehad op de omvang en de inhoud van het strafdossier en het de daarin opgenomen bewijs, noch zijn die vormverzuimen van wezenlijke invloed geweest op de effectiviteit waarmee de verdediging in strafprocedure heeft kunnen worden gevoerd. De inbreuken kunnen door strafvermindering adequaat worden gecompenseerd.
Oordeel van de rechtbank over de voorvragen
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.De SkyECC-data mogen gebruikt worden voor het bewijs. In hoofdstuk 3 zullen de verweren ten aanzien van het gebruik van specifieke bewijsmiddelen in het dossier worden besproken en beoordeeld.
3. Bewijs
Standpunten
Standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Aan de contactmomenten tussen de verdachte en [betrokkene 1] kan geen bewijs worden ontleend voor het tenlastegelegde. De communicatie van de verdachte vond plaats in haar hoedanigheid van advocaat en binnen het kader van de verleende rechtsbijstand. De verdenking jegens [betrokkene 1] is niet gebaseerd op de handel in verdovende middelen en witwassen. De contacten tussen de verdachte en [betrokkene 1] zijn daar dan ook nimmer over gegaan en hebben op geen enkel moment tot berispelijke wetenschap bij de verdachte geleid. Een advocaat mag bovendien gebruik maken van een versleuteld communicatiemiddel en mag in het kader van de verdediging contact onderhouden met familieleden en naasten van haar of zijn cliënt.
Voorts is aangevoerd dat ook aan de op de accounts van [zoon betrokkene 1] aangetroffen notities geen bewijs kan worden ontleend omdat onduidelijk is wanneer de tekst in een notitie tot stand is gekomen en er geen metadata aan gekoppeld zijn. Daarnaast kunnen de notities, althans kan de daarin opgenomen informatie, afkomstig zijn van allerlei verschillende bronnen. Die informatie kan uit allerlei communicatielijnen zijn samengebracht, waarbij [zoon betrokkene 1] die informatie mogelijk uit de berichten heeft gekopieerd en geplakt, heeft overgeschreven, herschreven of eigenhandig teksten heeft getypt. Dat de woorden “uw vader” in de notities alleen door de verdachte zouden zijn gebruikt en dus door [zoon betrokkene 1] uit berichten van de verdachte zijn overgenomen berust op een te fragiele basis. In die berekening is namelijk van het totaal aantal ontsleutelde berichten uitgegaan, maar dat betreft hooguit 37% van alle gewisselde berichten en daarvan bevindt zich slechts een fractie in de Excelbestanden. Dat de informatie uit de notities, waarin de woorden ‘uw vader’ zijn opgenomen afkomstig zou zijn van de verdachte kan dan ook niet worden vastgesteld.
Ook uit de chats attachments kan op geen enkele wijze worden afgeleid dat de verdachte daaraan een concrete bijdrage heeft geleverd, omdat het vooral zeer onduidelijke, vage en niet specifieke berichten betreffen. Bovendien kan niet uit de chats worden afgeleid dat de verdachte zou hebben geweten waar deze berichten betrekking op konden hebben.
Tot slot kan op basis daarvan ook niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met crimineel oogmerk dat gericht was op de handel in verdovende middelen en witwassen. In het geval dat dat wel wordt aangenomen kan niet bewezen worden dat de verdachte met onvoorwaardelijk opzet daaraan heeft deelgenomen.
Oordeel van de rechtbank
In februari 2021 is het opsporingsonderzoek 26Mandel gestart naar aanleiding van informatie waaruit bleek dat het voor [betrokkene 1] mogelijk was om vanuit de EBI in Vught te communiceren met de buitenwereld en vice versa.
Binnen dit onderzoek is de communicatie die [zus betrokkene 1] , de zus van [betrokkene 1] , zijn zoon [zoon betrokkene 1] en diens neef [neef betrokkene 1] via SkyECC voerden onderzocht. Uit deze communicatie leidt de politie af dat zij vanaf het moment van detentie van [betrokkene 1] in december 2019 hebben gewerkt aan het vinden van een manier om informatie met hem uit te kunnen wisselen. Het onderzoek 26Mandel heeft zich toen gericht op [naam 1] , die zich in december 2020 als advocaat van [betrokkene 1] bij de EBI had gemeld en vanaf 11 maart 2021 ook was toegevoegd als advocaat. Bij vonnis van 23 januari 2023 is [naam 1] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie door als advocaat berichten van en aan [betrokkene 1] door te geven waardoor de criminele organisatie kon blijven voortbestaan.
Uit het onderzoek 26Mandel kwamen bovendien aanwijzingen naar voren die erop wezen dat er ook al informatie zou zijn gedeeld met het criminele netwerk van [betrokkene 1] voordat [naam 1] zich als zijn advocaat stelde. Dit betreft dan de periode van 19 december 2019 (de aankomst van [betrokkene 1] in Nederland) tot en met 11 maart 2021. In die periode was de verdachte de advocaat van [betrokkene 1] . Het onderzoek heeft zich toen ook op haar gericht. Op 23 augustus 2022 is daarom het opsporingsonderzoek 26Palma gestart.
Het gebruik van de berichten en notities van de SkyECC-accounts en het verschoningsrecht
Het dossier in deze zaak bestaat voornamelijk uit communicatie verstuurd en ontvangen door de gebruikers van de dienst SkyECC (berichten, audiofiles, afbeeldingen). Daarnaast zijn ook tekstbijlagen op die accounts aangetroffen in de vorm van notities (opgeslagen in de ‘vault’ van SkyECC-accounts) en chats attachments (berichten die zijn meegestuurd in een chat).
De gebruiker van een SkyECC-account communiceert op zijn account met een zelfgekozen ‘nickname’ en is als zodanig niet met de eigen persoons- of functiegegevens bekend.
Tijdens een geheimhoudersscan zijn indicaties naar voren gekomen dat de SkyECC-accounts van [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] in contact stonden met een SkyECC-account dat gebruikt werd door een geheimhouder. Die gesprekken zijn onmiddellijk geclassificeerd als geheimhouderscommunicatie en om die reden zijn ze ontoegankelijk gemaakt voor het politieteam.
In een geheimhoudersprocedure is vervolgens bekeken of zich daarbij conversaties bevonden die mogelijk niet onder het verschoningsrecht van de geheimhouder zouden vallen. Op 18 oktober 2022 is door de RC toegestaan dat een drietal tekstfiles aan het dossier 26Palma werden toegevoegd. Het gaat om drie tekstfiles die door [zoon betrokkene 1] van zijn [SkyECC-account 4] -account naar zijn twee andere SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 6] zijn verstuurd. Dit betreft drie gesprekken die zijn gevoerd op 14 mei 2020, 30 mei 2020 en 17 juni 2020 tussen New Scorpio (nickname van account [SkyECC-account 4] ) en [SkyECC-account 3] (nickname UPI).
Vastgesteld is dat de gebruiker van het SkyECC-account met de naam [SkyECC-account 3] een geheimhouder is. Dat roept allereerst de vraag op of berichten van of aan dit account gebruikt mogen worden voor het bewijs, omdat deze immers afkomstig zijn van, of gericht zijn aan een advocaat die als zodanig als geheimhouder is aan te merken.
Aan de geheimhouder komt als afgeleide van diens plicht tot geheimhouding een verschoningsrecht toe, maar dat recht is niet onbegrensd.
Het verschoningsrecht strekt zich uit over, maar is ook beperkt tot, al hetgeen de geheimhouder in de normale uitoefening van het beroep als advocaat is toevertrouwd in het kader van de juridische dienstverlening aan rechtzoekenden die zich tot hem/haar hebben gewend vanwege de hoedanigheid van advocaat.
Onmiskenbaar valt de inhoud van de hierna aan te halen berichten van of aan [SkyECC-account 3] niet aan te merken als informatie die in de hiervoor bedoelde hoedanigheid aan de geheimhouder is toevertrouwd. Het gaat namelijk niet om berichten die zien op de normale uitoefening van de rechtsbijstand door een advocaat aan een verdachte, maar om berichten die deel uitmaken van het strafbare feit. Berichten die – kort gezegd – ontegenzeggelijk zien op de internationale handel in verdovende middelen en de verdeling van grote geldbedragen, die geenszins aan reguliere rechtsbijstand te relateren zijn.
Datzelfde geldt ook ten aanzien van de inhoud van de aangetroffen notities op de aan [zoon betrokkene 1] toegeschreven accounts, ook voor zover daarin een bericht van [SkyECC-account 3] is opgeslagen of verwerkt. Het verschoningsrecht heeft zich immers ook niet uitgestrekt over het oorspronkelijke bericht.
Voor zover de verdediging heeft gesteld dat de inhoud van de notities eerst voorgelegd had moeten worden aan de RC om te laten toetsen of hierin verschoningsgerechtigd materiaal zou zijn opgenomen, stuit dat verweer af op de hiervoor genoemde constatering van de rechtbank dat deze niet aan enige normale vorm van rechtsbijstand door een advocaat te relateren zijn. [zoon betrokkene 1] is ook niet door de verdachte als advocaat bijgestaan, zodat ook vanuit dat oogpunt de geheimhoudingsplicht van de verdachte niet ziet op de (overige) inhoud van die notities.
Het verschoningsrecht strekt zich daarmee niet uit tot de inhoud van die berichten en notities, zodat deze voor het bewijs mogen worden gebruikt.
Identificatie
Wil de vraag kunnen worden beantwoord of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, dan moet worden bezien of zij kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van het door de politie aan haar toegeschreven account [SkyECC-account 3] .
Identificatie [SkyECC-account 3]
Het SkyECC-account [SkyECC-account 3] is op 19 december 2019, de dag waarop [betrokkene 1] naar Nederland was overgebracht, actief geworden en is tot 17 juni 2020 actief gebleven.
In een chatgesprek op 19 december 2019 vraagt [neef betrokkene 1] aan [zoon betrokkene 1] “waarom [achternaam verdachte] niet zelf” en “morgen inshallah nieuwe Sky meenemen voor haar”. Op 20 december 2019 stuurt [neef betrokkene 1] een bericht aan [zus betrokkene 1] “heb tele voor advo” die een persoon die ‘lsm’ genoemd wordt langs komt brengen. [zus betrokkene 1] moet deze telefoon aanpakken en ‘putin’ erin zetten “voor haar”. Uit chatberichten tussen [zus betrokkene 1] en de persoon die de telefoon komt brengen blijkt dat zij beiden, evenals het toestel met het UPI-account, die dag rond de klok van 10:00 uur in de directe omgeving zijn van het kantoor van de verdachte. Vervolgens blijkt uit de locatiegegevens van de telefoon later dat deze, na een paar dagen stilte, op 24 december 2019 weer zendmasten aanstraalt in de directe omgeving van het kantoor van de verdachte maar het toestel van 25 december 2019 tot en met 17 juni 2020 uitsluitend nog gebruik maakt van de zendmasten in de directe omgeving van de woning van de verdachte. Door middel van een netwerkmeting bij de woning van de verdachte is bevestigd dat deze zendmasten dekking geven aan de locatie van de woning.
Zoals hiervoor overwogen heeft de RC op 18 oktober 2022 toegestaan dat een drietal tekstfiles aan het dossier 26Palma werden toegevoegd. Het gaat om drie tekstfiles die door [zoon betrokkene 1] van zijn [SkyECC-account 4] -account naar zijn twee andere SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 6] zijn verstuurd. Dit betreft drie gesprekken die zijn gevoerd op 14 mei 2020, 30 mei 2020 en 17 juni 2020 tussen New Scorpio (nickname van account [SkyECC-account 4] ) en UPI.
In de tekstfile van 30 mei 2020 schrijft UPI dat zij dinsdag weer naar hem gaat en dat haar zus in de middag gaat. Uit de bezoekerslijst blijkt dat [betrokkene 1] op dinsdag 2 juni 2020 twee keer bezoek heeft gehad. Dit betreft in de ochtend van 9:00 uur tot 11:30 uur de verdachte en van 14:00 uur tot 16:30 uur haar zus, advocaat [naam advocaat] . In datzelfde gesprek op 30 mei geeft UPI aan [zoon betrokkene 1] door dat een persoon genaamd [naam 2] haar kan bellen op haar 06-nummer en dat [zus betrokkene 1] dat nummer heeft. In een opvolgend gesprek tussen [zoon betrokkene 1] en [zus betrokkene 1] vraagt [zoon betrokkene 1] om het nummer:
“kunt u mij de nummer sturen van ad die met 06 begint
Moest de nummer doorgeven aan iemand om contact op te nemen met haar
Ze zei dat ik u moest vragen voor haar 06 nummer”
Zij geeft hem daarop het 06-nummer van de verdachte door.
De rechtbank stelt op basis van deze feiten en omstandigheden vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van het [SkyECC-account 3] -account.
Overige SkyECC-accounts
Uit analyse van de metadata van het SkyECC-account [SkyECC-account 3] blijkt dat berichten zijn uitgewisseld met vijf andere SkyECC-accounts, waaronder [SkyECC-account 4] en [SkyECC-account 5]. Uit de processen-verbaal van identificatie volgt dat [zoon betrokkene 1] de gebruiker is geweest van het [SkyECC-account 4] -account en [zus betrokkene 1] van het [SkyECC-account 5] -account.
Uit het dossier blijkt dat [zoon betrokkene 1] ook gebruik heeft gemaakt van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 6]. Het dossier bevat tevens een aantal processen-verbaal van identificatie met betrekking tot SkyECC-accounts die aan andere personen worden toegeschreven. De rechtbank stelt op basis van die processen-verbaal vast dat [neef betrokkene 1] de gebruiker was van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 15] (nickname Family Guy), [SkyECC-account 16] en [SkyECC-account 17], en dat [betrokkene 2] de gebruiker was van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 13] en [SkyECC-account 12]. In het vervolg zal de rechtbank de genoemde SkyECC-accounts aanduiden bij hun ID, dan wel met de nickname van het account.
Bijnamen
Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de volgende bijnamen aan bepaalde personen kunnen worden gekoppeld:
[betrokkene 1] : wordt aangeduid met ‘kl’, ‘f’, ‘uw vader’ en met meerdere puntjes (…)
[zoon betrokkene 1] wordt ook ‘Putin’ genoemd
[betrokkene 2] wordt aangeduid met ‘SV’, ‘sv’, ‘schoonvader’ en ‘Pasta’
Het verweer dat niet kan worden vastgesteld dat de woorden “uw vader” alleen door de verdachte zijn gehanteerd komt op een later moment aan de orde.
Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen over de identificatie van het [SkyECC-account 3] -account stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 20 december 2019, althans uiterlijk op 24 december 2019, een PGP-telefoon heeft aangenomen waarmee zij kon communiceren met in ieder geval [zus betrokkene 1] ( [SkyECC-account 5] ) en [zoon betrokkene 1] (Putin).
Vormen van communicatie
Uit het dossier blijkt dat de verdenking tegen de verdachte gebaseerd is op verschillende vormen van communicatie.
Naast berichten verstuurd met de SkyECC-telefoon zijn ook chats attachments in die berichten aangetroffen en notities, die door [zoon betrokkene 1] via het account [SkyECC-account 4] naar zijn andere accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 6] zijn verstuurd.
Bij chats attachments gaat het nog om opgeslagen originele berichten waaraan ook de bijbehorende metadata zijn gekoppeld. Bij notities is alleen platte tekst zichtbaar die uit een bericht is geknipt/geplakt of die door de gebruiker zelf kan zijn geschreven. Bij geplakte berichten ontbreken de metadata van dat bericht. In de chats wordt ook een tweede vorm van communicatie met [betrokkene 1] beschreven, te weten berichten/documenten die op USB-sticks geplaatst zijn en langs die weg aan [betrokkene 1] zijn doorgegeven. De rechtbank zal hierna de verschillende vormen van communicatie afzonderlijk bespreken.
Duiding van de berichten in de chats attachments
[zoon betrokkene 1] heeft onder meer drie chats attachments naar zijn andere accounts doorgestuurd, die gesprekken bevatten die zijn gevoerd op 14 mei 2020, 30 mei 2020 en 17 juni 2020, tussen de gebruikers Scorpio New (de nickname van het account [SkyECC-account 4] in gebruik bij [zoon betrokkene 1] ) en UPI. De rechtbank zal allereerst overgaan tot het duiden van deze berichten in het licht van de verdenking.
14 mei 2020
Op 14 mei 2020 wordt tussen de verdachte (UPI) en [zoon betrokkene 1] (Scorpio New) het volgende chatgesprek gevoerd:
Datum/tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
14 mei 2020
15:39:58
UPI, Scorpio New
UPI
Of u manke en [naam 3] nog spreekt
14 mei 2020
15:41:07
UPI, Scorpio New
UPI
En of goed met al die mensen. En dat bij SV zou 21 of 22 moeten zijn
14 mei 2020
15:41:20
UPI, Scorpio New
UPI
Ok
14 mei 2020
15:41:34
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Ok duidelijk
14 mei 2020
15:41:35
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Manke spreek ik niet meer heeft een nieuwe telefoon, zou me daarop toevoegen bolle had hem me sky gegeven maar had me nooit meer toegevoegd
14 mei 2020
15:42:13
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Bolle spreekt manke af en toe
14 mei 2020
15:42:39
UPI, Scorpio New
Scorpio New
[naam 3] mail ik soms vragen hoe het gaat
14 mei 2020
15:42:51
UPI, Scorpio New
Scorpio New
En oké duidelijk zal met sv weer praten
14 mei 2020
15:43:21
UPI, Scorpio New
UPI
… denkt nu beter dat [naam 5] en bol en u op afstand. Rustiger voor u. Maar denkt nog.
14 mei 2020
15:47:40
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Yes op moment ook spreek ik meerendeel alleen bolle [naam 5] rasta en sv. En dan houden [naam 5] en bolle mij op de hoogte zo wilt … dat toch?
14 mei 2020
15:48:03
UPI, Scorpio New
UPI
Begreep inderdaad u beter op afstand. Zodat gewoon eigen leven. Ik spreek u weer volgende week dan.
14 mei 2020
15:53:47
UPI, Scorpio New
UPI
Ok. Ik ga volgende week weer. Vermoedelijk donderdag.
14 mei 2020
15:55:29
UPI, Scorpio New
UPI
Daar zei hij niets over.
14 mei 2020
15:55:29
UPI, Scorpio New
UPI
Dus zal nog vragen.
De verdachte begint in dit gesprek zelf met “of u Manke en [naam 3] nog spreekt”, wat past bij iemand die op dat moment een vraag doorgeeft. En ook “en of goed met al die mensen” verwijst naar informatie die de vraagsteller wil weten.
Zij vraagt aan [zoon betrokkene 1] of hij nog contact heeft met bepaalde personen en daarbij wordt aan hem de kwestie voorgelegd “dat bij SV 21 of 22 zou moeten zijn”.
[zoon betrokkene 1] geeft vervolgens aan dat het hem duidelijk is en dat hij weer met ‘sv’ zal praten.
De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte boodschappen dan wel instructies doorgeeft aan [zoon betrokkene 1] die hierop direct antwoord geeft, dan wel aangeeft het te zullen navragen bij andere personen. Vervolgens geeft de verdachte aan dat ze [zoon betrokkene 1] volgende week weer spreekt en volgende week weer bij [betrokkene 1] langsgaat.
30 mei 2020
Ook op 30 mei 2020 wordt er tussen de verdachte en [zoon betrokkene 1] gechat:
Datum/tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
30 mei 2020
16:15:56
UPI, Scorpio New
UPI
En of bol naar Hermano om manke opzoeken. Nota bene schijnt die nog schuld en broeken.
30 mei 2020
16:16:34
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Oké duidelijk
30 mei 2020
16:17:36
UPI, Scorpio New
UPI
En of [naam 3] en esco weten hoe het met broers staat
30 mei 2020
16:17:49
UPI, Scorpio New
UPI
En ten aanzien van sv
30 mei 2020
16:20:42
UPI, Scorpio New
UPI
Hello sir how are you and family and bold. Hope all is good with you and stay safe! Sir I have asked you many times. So we have the same numbers. But for months no correct answer.
30 mei 2020
16:21:20
UPI, Scorpio New
Scorpio New
[naam 3] zei telkens na Ramadan zal hij nieuws hebben over broers, maar nog niks gaan vandaag weer vragen
30 mei 2020
16:22:32
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Oké ik zal sv vandaag weer mailen
30 mei 2020
16:22:35
UPI, Scorpio New
UPI
Ik ga dinsdag weer naar hem en mijn zuster in de middag
30 mei 2020
16:24:05
UPI, Scorpio New
UPI
Zij gaat in de middag dus.
30 mei 2020
16:24:07
UPI, Scorpio New
UPI
Was er nog wat van uw kant? Dus over [naam 2] of over dat vliegtuig?
In dit gesprek gaat het over personen, schulden en ‘broeken’. De verdachte vraagt aan [zoon betrokkene 1] of ‘[naam 3]’ en ‘Esco’ weten hoe het met broers staat waarop [zoon betrokkene 1] opmerkt dat hij nog niets heeft gehoord en het weer gaat vragen. Ook stuurt de verdachte een Engels bericht door dat kennelijk bedoeld is voor [betrokkene 2] . Uit dit bericht kan worden opgemaakt dat het afkomstig is van [betrokkene 1] die van [betrokkene 2] wil weten wat de juiste cijfers zijn. Dit sluit aan bij het eerdere bericht dat zag op ‘sv’ waarin werd gesproken over 21 of 22. [zoon betrokkene 1] antwoordt op het doorgestuurde bericht dat hij [betrokkene 2] weer gaat mailen. Vervolgens vraagt de verdachte of [zoon betrokkene 1] nog iets van zijn kant heeft, waarbij de verdachte dus ook actief bij [zoon betrokkene 1] zaken navraagt en informatie ophaalt.
Uit het dossier blijkt dat [zoon betrokkene 1] dit gesprek op 30 mei 2020 om 17:00:11 uur naar zijn andere account [SkyECC-account 6] doorstuurt. Enkele uren later wordt er dan een gesprek gestart tussen [zoon betrokkene 1] ( [SkyECC-account 6] ) en [SkyECC-account 12] , waarvan is vastgesteld dat het in gebruik is bij [betrokkene 2] . De berichten van [SkyECC-account 6] zijn niet ontsleuteld aangetroffen in de dataset, maar de reactie van [betrokkene 2] daarop wel.
Datum/tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
30 mei 2020
20:16:05
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
Why he said stay safe did he heard something?
30 mei 2020
20:20:06
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
No i cant have this amount because I paid familia and the different between the price of the bits
30 mei 2020
20:21:07
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
Look one of this days if you want we cant meet and we do bookhouding together
30 mei 2020
20:22:33
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
F said to not pay any one but I paid familia already 2ml something like that
30 mei 2020
20:32:59
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
I think this different must best familia money and also we paid 200 for picasso
30 mei 2020
20:32:59
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
Familia maybe was 2.2./2.5 something like that
30 mei 2020
20:44:02
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
If I remember bill is about 17ml you add the 2 / 2.5 familia is 19.5 and if we do 34 for 450 bits is another 1.4 so make 21ml total I think your f mean that ammount
30 mei 2020
20:48:18
[SkyECC-account 6] , [SkyECC-account 12]
[SkyECC-account 12]
Im trying tot think how to reach to 21/22 ml
Uit deze berichten die [betrokkene 2] verstuurde volgt zonder twijfel dat hij daar reageert op het Engelstalige bericht dat [zoon betrokkene 1] aan hem doorstuurde nadat de verdachte dit aan [zoon betrokkene 1] had verstrekt. Zo vraagt [betrokkene 2] “why he said stay safe” en gaat hij in op de 21/22 vraag uit het bericht. Zelf spreekt hij hierbij over “21/22 ml”. Gelet op het feit dat hij eerst ingaat op welke betalingen er zijn gedaan concludeert de rechtbank dat het hier gaat over geldbedragen en dat er van moet worden uitgegaan dat hiermee 21/22 miljoen wordt bedoeld.
In de latere berichtenwisseling op 5 juni 2020 tussen [betrokkene 2] en [zoon betrokkene 1] wordt ook nog verder gesproken over de 21/22 ml en de stand van de financiën.
Datum/tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
5 juni 2020
12:55:25
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
I would like to check the number together because you told me last time f said that he had 21/22 ml and I don’t want any miss understanding because f is not here
5 juni 2020
12:56:49
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
And when father was here price was very high and when new year star droop so quick down
5 juni 2020
14:06:40
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
Please when you have time can we check the number with the phone and we write note so we sent for your f
5 juni 2020
14:09:04
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
I have from f 453 bits
5 juni 2020
14:09:15
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
Have 250 bits from holland
5 juni 2020
14:09:24
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
And profit from the 250
5 juni 2020
14:14:23
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
453x 33600 = 15.220.800
250X29.000= 7.250.000
Profit 250. = 562.500
-------------------
23.033.300
Minus Africa 2.973.600
-------------------
20.059.700
5 juni 2020
14:14:55
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
If we don’t mix all each other we only talk about last job I can’t reach 21/22 I’m trying all my best but I can’t
5 juni 2020
14:15:55
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
The price is 33600 because 400 takes familia for stash and bring material to Barcelona
De rechtbank concludeert hieruit dat het bericht dat de verdachte aan [zoon betrokkene 1] heeft doorgegeven, bestemd was voor [betrokkene 2] en kennelijk ziet op de financiële afhandeling van zaken die hij heeft met [betrokkene 1] . Daarbij wordt gesproken over ‘bits’, prijzen van 33600 en 29.000, ‘stash’, grote geldbedragen en winst, termen die passen bij de handel in verdovende middelen en de (illegale) opbrengst daarvan.
17 juni 2020
Op 17 juni wordt er weer gesproken tussen de verdachte en [zoon betrokkene 1] , waarbij met name de verdachte in detail instructies aan [zoon betrokkene 1] verstrekt:
Datum/tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
17 juni 2020
16:28:09
UPI, Scorpio New
UPI
Nog iets voor sv
17 juni 2020
16:28:20
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Jazeker echt heel goed om te horen
17 juni 2020
16:29:18
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Gisteren was een rare dag in de zin van was het eerste keer dat [naam 3] mij voor zo lang mailde
17 juni 2020
16:31:01
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Gisteren iedereen waarmee gewerkt wordt gaf een update en zag er uit als de bal begint te draaien ahah
17 juni 2020
16:32:46
UPI, Scorpio New
UPI
Hello sir. How are you and family. With me all good sir. Dit I reallifesoap need send money to lawyer. 200. Look is you van fix it for me sir. And look our account is very easy and clear but for months I na waiting from you side sir. What is the problem? We had part [naam 3] . Hij part all clear and what you had of me and the 250 sir. And how is all going with [naam 4] I ASK many times. Big salam and to bold.
17 juni 2020
16:34:25
UPI, Scorpio New
UPI
Voorts beter van Google nemen en in dub laten geven snel
17 juni 2020
16:34:26
UPI, Scorpio New
UPI
Overigens is dit buiten wat ik al had gestuurd over die twee rek
17 juni 2020
16:34:26
UPI, Scorpio New
UPI
Dan voor [naam 3]
17 juni 2020
16:37:46
UPI, Scorpio New
UPI
Ola Hermano. Mi todobi en er mimo juma sele. Mucho besos. Tiwuiro mucho Hermano mio. Hermano mio troef geestig [naam 10] oe [naam 11] kifas nestimi oe [naam 4] maked job. Waldi ma ked koeti waloe gesoema ! Mucho besos Hermano mio. Action H h
17 juni 2020
16:38:24
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Dit i reallifesoap need send money to lawyer. 200
17 juni 2020
16:38:58
UPI, Scorpio New
UPI
Ja. Maar dus zal nog in delen moeten. Naast wat al die 2. Dus moet weten over volgende. Omdat nu zo lastig ging/gaat.
17 juni 2020
16:39:00
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Wat bedoelde u daarmee denk is type fout
17 juni 2020
16:39:11
UPI, Scorpio New
UPI
Nee is geen typefout dus
17 juni 2020
16:39:54
UPI, Scorpio New
UPI
Er is wat er al gezonden was en dit zal ook nog komen. Maar zal nog in delen dan als rek.
17 juni 2020
16:40:17
UPI, Scorpio New
UPI
Hij vroeg zich namelijk af of nog wel überhaupt serieus ook hier over
17 juni 2020
16:48:46
UPI, Scorpio New
UPI
Nog het volgende
17 juni 2020
16:50:20
UPI, Scorpio New
UPI
Salam mijn king. Ben supertrots op je. Zorg goed voor moeder en broertjes en zusjes en vraag hoe met sv en [naam 4] en [naam 3] gaat.
17 juni 2020
16:52:57
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Heb gisteren voor het eerst een goeie gesprek gehad met [naam 3]
17 juni 2020
16:53:19
UPI, Scorpio New
UPI
Ok.
17 juni 2020
16:54:26
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Legde een paar dingen goed uit, wie [naam 4] is en als ik wou dat die mij contact zet met [naam 4] en dat dan alles via mij gaat tussen sv en [naam 4] maar zei is oké hij zei toen dat die [naam 4] zou vragen om hem op de hoogte te houden tussen hem en sv en dat hij mij dan updates geeft
17 juni 2020
16:59:34
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Alleen manke en dir moeten nog hun schuld betalen, maar met manke begint er wel weer eindelijk gewerkt mee te worden en hij zei dat wanneer hij in dub is alles wat hij nog moet betalen in persoon geeft
17 juni 2020
17:03:57
UPI, Scorpio New
Scorpio New
Had hij ook wat over grillo kunnen zeggen ahah
17 juni 2020
17:05:11
UPI, Scorpio New
UPI
Dat blijkt een misverstand met namen. Is hol. Dus die kent u al.
17 juni 2020
17:06:39
UPI, Scorpio New
UPI
Zie nu dat ik had over realitysoap. Bedoelde reality.
17 juni 2020
17:08:24
UPI, Scorpio New
UPI
Niets of contact. Maar is al oud verhaal. Dus geen punt.
17 juni 2020
17:08:53
UPI, Scorpio New
Scorpio New
En wat bedoelde u met Hij vroeg zich namelijk af of nog wel überhaupt serieus ook hierover
17 juni 2020
17:09:00
UPI, Scorpio New
UPI
Vanwege dat sv zoals u ook steeds zegt zo traag. En dit ook al zo raar met die rek.
In dit gesprek worden door de verdachte opnieuw berichten doorgestuurd aan [zoon betrokkene 1] om door te sturen naar anderen en navraag te doen bij bepaalde personen.
Zo wordt er een Engelstalig bericht doorgegeven dat bestemd is voor [betrokkene 2] . In dit bericht lijkt [betrokkene 1] zijn ongenoegen te uiten over het uitblijven van een reactie van [betrokkene 2] . Daarnaast wordt door de verdachte een bericht doorgegeven wat bestemd is voor ‘[naam 3]’. Door [zoon betrokkene 1] wordt in dit gesprek ook aan de verdachte doorgegeven dat iedereen waarmee gewerkt wordt een update heeft gegeven en wordt er door hem teruggekoppeld hoe het staat met de schulden en betalingen van diverse personen.
Ook hier is weer te zien dat [zoon betrokkene 1] het gesprek diezelfde dag om 17:24:25 uur eerst doorstuurt naar zijn andere account [SkyECC-account 6] . Vervolgens is er dan vanaf 17:48:49 uur een gesprek zichtbaar tussen [SkyECC-account 6] en [SkyECC-account 14] , in gebruik bij [betrokkene 2] . Ook hier zijn de berichten die door [zoon betrokkene 1] zijn gestuurd niet aangetroffen in de ontsleutelde dataset, maar uit de reactie van [betrokkene 2] kan worden opgemaakt dat hij reageert op de inhoud van het Engelstalige bericht dat de verdachte eerder die dag aan [zoon betrokkene 1] had toegestuurd.
Hij geeft namelijk aan dat hij de betaling van 200 gaat regelen, en spreekt weer over de financiën en in dat kader over “the [naam 4] job” en “we have the 250” en “investment Panama”.
Datum/tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
17 juni 2020
17:52:51
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
Pff in so sorry what happen with the lawyer I'm on it and I will fix it the all
200 but please give me this week because all this problem with this idiot
of the attorney please talk to F
17 juni 2020
17:53:52
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
Please say my best regard form me and bold and of course the account very clean tomorrow I should have e new phone I will pass you with all account
17 juni 2020
17:54:23
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
About [naam 4] they check box taking form the boat so we decide to
work after summer
17 juni 2020
17:54:57
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
To be safe
17 juni 2020
17:57:50
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
Account is very easy because is very simple we have the [naam 4] job
we have the 250 some exapansove and investment Panama
tomorrow hope we have new phone I make you all ready
17 juni 2020
18:38:52
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
Problem l'm sure I will not get 22/23 because I don't have that on
My hand
17 juni 2020
18:39:39
[SkyECC-account 14] , [SkyECC-account 6]
[SkyECC-account 14]
We will have [naam 4] and 250
Conclusie op basis van de chats attachments
De rechtbank concludeert uit deze gesprekken dat de verdachte boodschappen heeft doorgegeven aan [zoon betrokkene 1] die instructies of vragen bevatten, dan wel berichten die hij rechtstreeks moet doorsturen aan andere personen, steeds afkomstig van [betrokkene 1] . Ook geeft [zoon betrokkene 1] antwoord op vragen en geeft hij de stand van zaken aan de verdachte door, onmiskenbaar met de bedoeling om [betrokkene 1] daarvan op de hoogte te brengen. In de berichten gaat het over grote bedragen en ‘bits’, ‘the [naam 4] job’, en ‘boat’.
USB-sticks
In juni 2020 is bekend geworden dat een vergelijkbare dienst voor versleutelde communicatie (Encrochat) door de politie was onderzocht en dat politie en justitie met de versleutelde berichten mee had kunnen lezen. Uit het dossier blijkt dat vanaf juli 2020 [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] de optie bespreken om met een USB-stick te gaan werken voor het doorgeven van informatie aan [betrokkene 1] .
Op 14 juli 2020 zegt [zoon betrokkene 1] namelijk tegen [zus betrokkene 1] : “Ja echt moeilijk nu geen een manier van communicatie veilig meer is. Had ze verder 3amto meer gezegd over de USB of iets over papa, sinds ze geen tele meer gebruikt geeft ze nauwelijks dingen door pff”.
De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte geen SkyECC-telefoon meer wil gebruiken, waarna zij nauwelijks nog berichten doorgeeft.
Hieruit volgt al dat de verdachte tot dan toe nog wel informatie deelde. Het verweer van de verdediging dat in die periode sprake moet zijn geweest van een andere communicatiestroom vanuit de EBI, wordt weerlegd doordat blijkt dat [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] juist naarstig op zoek gaan naar een andere vorm van communicatie, omdat de informatiestroom via de telefoon van de verdachte is opgedroogd en kennelijk niet gemist kan worden.
Zouden er andere manieren zijn geweest om te communiceren, dan had het voor de hand gelegen dat daarvan gebruik was gemaakt op het moment dat de verdachte had laten weten haar telefoon niet meer te willen gebruiken. De verdediging wordt daarin dus niet gevolgd.
De rechtbank merkt daarbij op dat reguliere communicatie in de EBI wordt opgenomen en het hier steeds gaat om gesprekken die men gezien de (criminele) aard daar niet opgenomen wil zien worden. Dat het berichten over de criminele activiteiten van [betrokkene 1] en zijn netwerk betreft blijkt verder ook uit het ongemak dat nadien wordt uitgesproken in de gesprekken tussen [neef betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] , waar zij bespreken hoe gedetailleerd de informatie over de criminele activiteiten op de USB-sticks moet worden geplaatst en de onrust bij [zus betrokkene 1] als zij zich afvraagt wat ‘zij met al die info doet’.
Op vrijdag 24 juli 2020 gaat het hiervoor genoemde gesprek over de USB-sticks verder en schrijft [zus betrokkene 1] aan [zoon betrokkene 1] : “was woensdag bij haar, ze zei je moet USB met ww maken en dan de stand van zaken doorgeven alles wat hij moet weten” en “ik weet ook welke ww je moet doen maar we wachten nu even tot maandag weer”. [zoon betrokkene 1] vraagt vervolgens aan [zus betrokkene 1] of ze vandaag op bezoek was gegaan, waarop [zus betrokkene 1] bevestigt dat ze vandaag zou gaan. Uit de bezoekersgegevens van de EBI blijkt dat de verdachte nog diezelfde dag (24 juli 2020) bij [betrokkene 1] op bezoek is geweest. Uit dit gesprek leidt de rechtbank af dat de verdachte instructies geeft aan [zus betrokkene 1] om een USB-stick met wachtwoorden te maken waar de stand van zaken op kan worden doorgegeven met “alles wat hij moet weten”.
Vanaf 27 juli 2020 spreekt ook [neef betrokkene 1] over het gebruik van USB-sticks in een gesprek met [zoon betrokkene 1] . Hij spreekt over een “encrypted usb” en vraagt waar het opgehaald moet worden. De dag erna meldt hij dat hij een “encrypted usb” klaar gaat laten maken. Op 30 juli 2020 laat [neef betrokkene 1] weten dat hij zaterdag de “encrypted usb” heeft en dat 'ze' maandag vertrekken. Ook zegt hij dat hij een tweede gaat laten maken en maandag aan 'kl’ laat vragen of 'zijn usbs' goed zijn om te gebruiken. Op 31 juli 2020 krijgt hij het bericht dat ‘nor’ net bij de ‘advo’ is geweest terwijl [neef betrokkene 1] dacht dat dit pas maandag zou zijn en geeft hij aan dat hij wou vragen of ‘die usb via kl klas goed was’. Ook wilde hij vragen of ‘hij dingen kort en krachtig moet houden of alles in details’. Zijn reactie daarna is ‘oke oke dus puur admin cous.’
In de tussentijd spreken ook [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] over de USB-sticks. Op 31 juli 2020 zegt [zus betrokkene 1] dat zij zo ‘de ad’ gaat zien bij de gevangenis en zij vraagt aan [zoon betrokkene 1] wat ze allemaal door moet geven. Dit sluit aan bij het bericht dat [neef betrokkene 1] op 31 juli ontving dat ‘nor’ net bij de ‘advo’ was geweest. [zoon betrokkene 1] geeft vervolgens aan dat iemand maandag gaat komen en dat hij 2 USB’s krijgt; op één komen alle privé dingen en op één administratie. [zus betrokkene 1] reageert hier op met de woorden ‘Oke twww 1 met werk en 1 privé.” Uit de bezoekersgegevens van [betrokkene 1] in de EBI blijkt dat de verdachte op 31 juli 2020 van 13:30 uur tot 16:30 uur bij [betrokkene 1] op bezoek is geweest. Op 31 juli 2020 om 16:42 uur stuurt [zus betrokkene 1] vervolgens naar [zoon betrokkene 1] “dat 2 us goed is mailt ze nu” waarop [zoon betrokkene 1] vraagt “daarmee bedoelde je 2 usb toch?” waarna [zus betrokkene 1] antwoordt “Haha ja”. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte heeft aangegeven akkoord te zijn met twee USB-sticks: eén met privézaken en de andere met administratie.
Op 6 augustus 2020 stuurt [neef betrokkene 1] een bericht naar [zoon betrokkene 1] dat ‘Helle’ morgen vertrekt en ‘2 usbs’ bij zich heeft. Even later stuurt hij aan [zoon betrokkene 1] “en denk beste voor admin dat we fotos excel sturen gewoon toch snelste manier ook”. In de SkyECC-berichten hierna is te zien dat [neef betrokkene 1] bezig is om financiële overzichten te krijgen. Hij spreekt over de ‘admin’ en stuurt daarbij Exceloverzichten van rekeningen rond in een groepsgesprek met andere SkyECC-deelnemers. Verder wordt er gesproken over ‘pap’ wat nog gecontroleerd moet worden.
Op 8 augustus 2020 bericht [zoon betrokkene 1] aan [zus betrokkene 1] dat hij de USB-sticks heeft ontvangen.
Van die dag is ook een audiofile beschikbaar waarin [zoon betrokkene 1] aan de ontvanger van het audiobestand vraagt “wanneer zij de advo weer ziet want misschien kan zij dan aan haar vragen of die dingetjes mee naar binnen mogen.”
Op 12 augustus 2020 om 2:56 uur ontvangt [zoon betrokkene 1] op zijn account [SkyECC-account 6] via het account F54B26 van [neef betrokkene 1] de notitie ‘Broth’. [neef betrokkene 1] checkt in dit gesprek bij [zoon betrokkene 1] of ze echt zeker weten dat ‘kl’ heeft gezegd alles te melden en zegt daar bij: “desnoods doen we de rek op de 2e usb met een andere code”.
In de notitie ‘Broth’ staat het volgende vermeld over ‘Manke’: “Manke zegt al maanden elke dag dat we de 20br.gaan laden maar komt er niet van het is vandaag 11-08 en ik heb hem al een maand niet gesproken, ik heb begrepen dat Putin hem in de week van u arrestatie heeft gezien in dub met de Bosniër uit Breda. ook heeft hij niets van ze schuld betaald en 20br in zijn beheer”.Dit sluit aan bij het bericht dat op 30 mei 2020 door de verdachte aan [zoon betrokkene 1] is verstuurd: “En of bol naar Hermano om manke opzoeken. Nota bene schijnt die nog schuld en broeken” en de berichten over Manke in de notitie ‘2 kroontjes “dat hij 20 broeken moet geven”. Hieruit leidt de rechtbank af dat uitvoering wordt gegeven aan het bericht van 30 mei 2020 dat door de verdachte is doorgegeven.
In de notitie wordt verder vermeld “de openstaande bedragen op het begin zijn allemaal gecollecteerd broth”, er worden updates gegeven, vragen gesteld en voorstellen gedaan: “we kunnen een test beginnen en tot 100-125 broeken sturen”. Dat de notitie bestemd is voor [betrokkene 1] blijkt uit het feit dat [neef betrokkene 1] aan [zoon betrokkene 1] vraagt of hij zeker weet dat ‘kl’ heeft gezegd alles te melden, waarbij is vastgesteld dat ‘kl’ een bijnaam voor [betrokkene 1] is. Daar komt nog bij dat in de notitie wordt gesproken over “de week van u arrestatie”. Op grond van deze feiten concludeert de rechtbank dat de notitie afkomstig van [neef betrokkene 1] bestemd was voor [betrokkene 1] .
Gelet op de inhoud van deze notitie en het gesprek daarover tussen [neef betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] kan deze niet anders geduid worden dan het weer doorgeven van de door [betrokkene 1] gevraagde stand van zaken. Die conclusie wordt ondersteund door het feit dat [neef betrokkene 1] op 14 augustus 2020 aan [zus betrokkene 1] vraagt: “en wanneer gaat advo langs? Ben echt benieuwd hoe kl zal reageren” en “heb veel gestuurd haha”.
Op 13 augustus 2020 zegt [zoon betrokkene 1] tegen [zus betrokkene 1] dat hij twee wachtwoorden heeft gebruikt. Hij geeft daarbij de instructies hoe ‘ze’ de usb moet ontgrendelen en zegt daarbij “ik denk is makkelijkste als ze alles uitprint”. Op 14 augustus 2020 geeft [zus betrokkene 1] aan dat ze de twee koffers met de beide USB-sticks heeft ontvangen. Hierna geeft [zoon betrokkene 1] aan [zus betrokkene 1] de instructies door voor het gebruik van de USB-sticks.
Datum/tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
14 augustus 2020
11:28 uur
[SkyECC-account 1] , [SkyECC-account 5]
[SkyECC-account 1]
De wachtwoord moet pas gedaan worden wanneer ze de document wilt openen
14 augustus 2020
11:30 uur
[SkyECC-account 1] , [SkyECC-account 5]
[SkyECC-account 1]
Gaat ze maandag de hele dag?
14 augustus 2020
11:31 uur
[SkyECC-account 1] , [SkyECC-account 5]
[SkyECC-account 1]
Oké en was duidelijk hoe dat ding werkt waarvan er 2 zijn toch
14 augustus 2020
11:31 uur
[SkyECC-account 1] , [SkyECC-account 5]
[SkyECC-account 1]
Had eentje extra gekocht mocht de eerste kwijt geraakt worden
14 augustus 2020
11:32 uur
[SkyECC-account 1] , [SkyECC-account 5]
[SkyECC-account 1]
Zij is niet de slimste met technologie lijkt het soms
Uit de bezoekersgegevens van [betrokkene 1] in de EBI blijkt dat de verdachte op maandag 17 augustus 2020 bijna de hele dag bij [betrokkene 1] op bezoek is geweest. De rechtbank leidt hieruit af dat met ‘ze’ in deze berichten de verdachte wordt bedoeld en dat de instructies voor het gebruik van de USB-sticks aan haar door moeten worden gegeven. Dit wordt ondersteund door een bericht van [zoon betrokkene 1] aan [zus betrokkene 1] op 16 augustus 2020 waarin [zoon betrokkene 1] zegt dat het is gelukt “yes pff uiteindelijk in het begin kon ze de document niet vinden… dacht pfff… maar uiteindelijk wel hamdullah en “kon wel de privé vinden maar niet de andere”. Vervolgens blijkt uit de berichten dat een reactie van de verdachte uitblijft. Op 26 augustus 2020 vraagt [zoon betrokkene 1] aan [zus betrokkene 1] “weet jij wanneer de ad weer op bezoek gaat” en hij zegt daarbij “want wat zij doet is gewoon absurd en … moet weten dat zei zo doet zijn al 2 weken verder en wie weet wat zij met al die info doet”.
Op 23 september 2020 wordt door [zus betrokkene 1] tegen [zoon betrokkene 1] gezegd “nou die dingen zijn volgende week klaar hoopt ze” en “dus morgen gaat ze een ochtend en volgende week hele dag dan is klaar”. [zoon betrokkene 1] vraagt vervolgens “en weer dezelfde manier of anders” waarop [zus betrokkene 1] reageert “zelfde manier dus je krijgt de us terug”. Hieruit leidt de rechtbank af dat het de bedoeling is dat de informatie die door [betrokkene 1] wordt verstrekt weer via de USB-sticks en via de verdachte naar [zoon betrokkene 1] verstuurd zal worden.
Uit een gesprek van 18 november 2020 tussen [zoon betrokkene 1] en [betrokkene 2] blijkt dat [zoon betrokkene 1] een bericht heeft ontvangen van [betrokkene 1] . Hij begint het gesprek met “i just received a today messages from f” en “he also has a message for you i’ll send it, the message is from like 4-5 weeks ago a bit old”. Vervolgens wordt er een Engelstalig bericht aan [betrokkene 2] doorgegeven waarin wordt gesproken over betalingen en nummers die niet kloppen. [betrokkene 2] reageert met “really i’m very very very sorry because I respect your father and I respect your family” en “I’m very very sorry that your father is disappointed but is not exact what he see from inside”. Hij zegt daarna: “i will write you message for father ok”.De rechtbank concludeert hier uit dat het bericht inderdaad afkomstig is van [betrokkene 1] die (opnieuw) zijn ongenoegen uit aan [betrokkene 2] over betalingen en nummers die niet kloppen.
De conclusie is dan ook dat de via de USB-sticks aan [betrokkene 1] doorgegeven informatie ook daadwerkelijk bij hem is aangekomen en dat – zij het met de nodige vertraging – langs dezelfde route via de verdachte ook informatie van [betrokkene 1] weer is terug gekomen.
Conclusie ten aanzien van de USB sticks
De rechtbank concludeert dat de verdachte (ten minste) heeft ingestemd met het gebruik van twee USB sticks om informatie door te geven aan [betrokkene 1] , één voor privé informatie en één voor administratie. Zij krijgt hierbij instructies om de informatie die op de USB-sticks staat uit te printen. Deze informatie omvatte onder meer de inhoud van de notitie Broth die kennelijk was bedoeld om [betrokkene 1] op de hoogte te brengen van de stand van zaken met betrekking tot de handel in verdovende middelen. De verdachte werd geacht deze informatie aan [betrokkene 1] door te geven, waarna het antwoord weer via de USB-sticks aan [zoon betrokkene 1] zou worden doorgegeven. Uit de inhoud van de berichten en de reacties daarop leidt de rechtbank af dat die berichten [betrokkene 1] ook daadwerkelijk hebben bereikt en dat hij daarop heeft gereageerd. De conclusie is dat op deze wijze de communicatie tussen [betrokkene 1] en de buitenwereld werd voortgezet met hulp van de verdachte.
. Notities
[zoon betrokkene 1] heeft onder meer op 12 en 15 juni 2020 diverse notities doorgestuurd van zijn account [SkyECC-account 4] naar de accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 6] . Zoals eerder overwogen gaat het bij notities om platte tekst die uit een bericht is geknipt/geplakt of die door de gebruiker zelf is geschreven. Door het ontbreken van de metadata van een opgenomen bericht kan niet zonder meerhet tijdstip en de wijzevan totstandkoming van dat overgenomen bericht afgeleid worden. Datum, tijd en afzender daarvan moeten op basis van andere aanknopingspunten vastgesteld worden. In een aantal gevallen blijken de notities echter (delen van) berichten te bevatten, waarvan op andere wijze kan worden vastgesteld dat ze door de verdachte zijn doorgegeven aan [zoon betrokkene 1] .
Notitie ‘twee kroontjes’
Op 12 juni 2020 om 1:13 uur verstuurt [zoon betrokkene 1] vanaf het account [SkyECC-account 4] naar het account [SkyECC-account 1] de notitie ‘twee kroontjes’. In deze notitie staat – voor zover relevant – de volgende tekst:
Manke zeggen dat vab I tjon a tj plus geld wat uw vader gegeven heeft en 20 broeken moet hij geven. Manke weet dit wel degelijk.
Manke zou van 350 milj van 1 ton 12 milj TP. 55 milj van larache. 67 milj,oud en had hem nog meer gegeven. En dus 20 broeken heeft hij in bergen. Moet manke geven.
Vraag of alles goed met sv. En of u contact met holly en rasta en peace en of ok
Vraag of de broeken uit bergen weg gewerkt met [naam 3]
Vraag: hoe met biga door bolle is gedaan?
Dus of dat ok is
Of u tegen bolle en [naam 5] zegt dat voor [naam 6] 6 k voor hele Jaar kan geven. Dus niet per maand meer dan
Of u bolle vraagt wat hij nodig heeft
Sv moet alle pap verzamelen van uw vader en verstoppen tot u het pakt. !! Dus dit is alleen voor u bericht
Directeur moet ook nog pap geven. Of u met [naam 5] kijkt hoeveel nog
[naam 3] heeft nog 115 milj van uw vader en nog oude rekening van wat is weggegooid en [naam 3] kreeg nog 87 k.
Begrijp Juist dat niet alles aan [naam 5] gezegd over sv Hij heeft al brieven voor jullie geschreven Die gaat hij versturen zodra kan
Probleem is dat wel zou kunnen in principe maar dat dan gescreend ook moeten worden dus adres enz en dan wellicht dat dan eerst in dub wordt nagetrokken
Dus wil eerst even kijken
En wil manier om via hier dan toch jullie bereiken
Hele dag laatste verhoor. Dus alleen aanhoren en dan geen verhoren meer. Wij hebben gezegd dat geen zin
Ja. Over spullen en [naam 12]
Over directeur begreep ik dat uw vader zei dat u met [naam 5] kijkt hoeveel dat nog is.
Hoop dat dit allemaal in toekomst anders kan. Dus niet ik met voetbaluitslagen als het ware. Ha
U kunt uw moeder zeggen en ook u zeg ik dat hij alle laatste foto’s heeft gezien
Vond heel fijn
En dat hij nu meer fruit en groente eet
En beetje sla
Dus is al beter.
Dus wellicht vandaar dat u met hem en [naam 3] contact
Anders dat u met manke en [naam 3] spreekt
[naam 3] moest kennelijk nog 115 geven
Alle pap moet blijkbaar naar correctmen en b h dient met u samen met [naam 5] en bol
Als sv alle pap heeft dan mag alleen u.
Ook van belang dat bol voor veiligheid van tam zorgt met roman en af
Is absoluut beter dat u en rest kinderen en gezin niet naar ned op vakantie
Hier allemaal vragen over allerlei berichten ter identificatie van wie. Oude berichten
De brieven van uw vader zullen naar huisadres van zijn moeder gaan
En prima als meester uit marok naar dub voor bezoek
Hij doorstaat wel. Is alert.
Wees u ook alert
Dank. Hou u taai
In de notitie wordt meermalen gesproken over “uw vader”. Om vast te kunnen stellen van wie deze berichten afkomstig zijn, is – zoals hiervoor al aangestipt – onderzoek gedaan naar het gebruik van deze woorden binnen de SkyECC-accounts die in gebruik zijn bij [zoon betrokkene 1] . In de ruim 30.000 berichten die van hem zijn uitgelezen komt de combinatie “uw vader” tweemaal voor. Eén keer in een berichtenwisseling op 8 januari 2020 tussen [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] .
Datum Tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
08-01-2020
21:38
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Uw vader zei dat hij dan wel iemand stuurde naar adres met code en dan dat uw fam ophaalde. En nimmer contact met iemand daar over verder voor u en moeder. Dus weet verder niet. Meende dat hij gewoon inkomen. Enz.
08-01-2020
21:38
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Begreep dat niet
08-01-2020
21:39
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Kunt u haar morgen erover vragen om duidelijkheid
[zoon betrokkene 1] vraagt hier kennelijk aan [zus betrokkene 1] om ‘haar’ morgen ernaar te vragen omdat hij het eerste bericht waarin wordt gesproken over ‘uw vader’ niet begreep. Uit de bezoekersgegevens van de EBI blijkt dat de verdachte op 8 januari 2020 tussen 9:30 uur en 16:30 uur bij [betrokkene 1] op bezoek is geweest. Uit de mastgegevens van het SkyECC-account [SkyECC-account 5] van [zus betrokkene 1] blijkt dat zij zich op 9 januari 2020 in de directe omgeving bevond van het advocatenkantoor van de verdachte. Dit komt overeen met de vraag van [zoon betrokkene 1] “kunt u haar morgen erover vragen om duidelijkheid”. De rechtbank leidt hieruit af dat met ‘haar’ in dit bericht de verdachte wordt bedoeld, die op dat moment de enige was die in contact stond met [betrokkene 1] , omdat hij zich toen nog in beperkingen bevond.
Ook komen de woorden ‘uw vader’ naar voren in een gesprek op 2 februari 2020 tussen [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] .
Datum Tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
02-02-2020
21:41
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Ben nu in contact met …
02-02-2020
22:07
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
De brieven van uw vader zullen naar huisadres van zijn moeder gaan
02-02-2020
22:09
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Ja ahah
02-02-2020
22:10
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Was een korte gesprek weer zei ze moet weer werken
02-02-2020
22:10
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Toen ik vroeg hoe het met hem ging
02-02-2020
22:10
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Stuurde ze dit
02-02-2020
22:10
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Hij doorstaat wel. Is alert.
De rechtbank leidt uit deze conversaties af dat ‘uw vader’ verwijst naar [betrokkene 1] . De tekst uit dit bericht komt één op één overeen met delen van de notitie ‘2 kroontjes’. Het kan niet anders dan dat de schrijver van deze berichten in direct contact staat met [betrokkene 1] . Zo wordt er aangegeven dat ‘hij’ blij was met de foto’s en “weer meer groente en fruit at”. Daarnaast wordt gezegd: “Hele dag laatste verhoor. Dus alleen aanhoren en dan geen verhoren meer. Wij hebben gezegd dat geen zin.” Uit de bezoekersgegevens van de EBI blijkt dat [betrokkene 1] op 2 februari 2020 bezoek heeft gehad van “politie + [verdachte] ”.
Verder valt op dat de berichten over dezelfde personen gaan die in de chats attachments zijn genoemd die door de verdachte zijn gestuurd, en dat er weer ‘zakelijke’ boodschappen worden doorgegeven aan [zoon betrokkene 1] met daar tussendoor persoonlijke berichten over [betrokkene 1] . Omdat deze berichten verder steeds vloeiend in elkaar overlopen concludeert de rechtbank hieruit dat de berichten uit de notitie ‘2 kroontjes’ door de verdachte aan [zoon betrokkene 1] zijn doorgegeven, die deze vervolgens in een notitie heeft opgeslagen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze (delen van) berichten een andere herkomst dan deze hebben, zoals de verdediging heeft gesuggereerd.
De berichten uit deze notitie bevatten naast persoonlijke boodschappen verschillende opdrachten van [betrokkene 1] aan diverse personen. Er wordt onder meer gesproken over het verzamelen van ‘alle pap’ bij ‘sv’, het wegwerken van ‘broeken’ en de schulden / verdelingen van grote hoeveelheden geld. Daarnaast geeft de verdachte aan “Hoop dat het in de toekomst allemaal anders kan. Dus niet ik met voetbaluitslagen als het ware”.
Notitie ‘Bh’
De notitie ‘BH’ bevat de volgende tekst:
Dokter moet 1.512.500 aan [naam 8] en bolle geven en dat moet aan [naam 9] geven en zoon moet dat noteren en dan samen met bolle en [naam 8] doornemen
Bolle weet totaal moet 4.352.500 mi/j hebben
Amigo 7.740mi/j
Croko /dokter 1. 512. 500 en bolle 600kplus 502k
Schoonvader heeft 21 miljoen corectman 5 miljoen
Hij zegt is zelfde straat als [naam 7] 300 meter verder bij een park tegenover 3e of 4e huis
Op 7 januari 2020 stuurt [zoon betrokkene 1] met zijn account [SkyECC-account 4] het volgende bericht naar [zus betrokkene 1] :
Datum Tijd
Gesprek
Verzender
Bericht
07-01-2020
22:47
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
3amto
07-01-2020
22:47
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Bedoelde u sandman
07-01-2020
22:48
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Toen u zei [naam 9]
07-01-2020
22:48
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Chats attachments
07-01-2020
22:49
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Misschien door de automatisch toetsenbord
07-01-2020
22:49
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Ging het van sandman naar [naam 9]
07-01-2020
22:49
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Niemand weet wie [naam 9] is
07-01-2020
22:49
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Komt niemand bekend voor
07-01-2020
22:49
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Bolle ook niet
07-01-2020
22:50
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Heb gevraagd of ze kan vragen om andere bijnamen
07-01-2020
22:51
[SkyECC-account 5] , [SkyECC-account 4]
[SkyECC-account 4]
Ja geen een van hun weet wie [naam 9] is
Het chats attachment in bovenstaand bericht dat [zoon betrokkene 1] verstuurt is exact gelijk aan de eerste passage in de notitie ‘BH’: Dokter moet 1.512.500 aan [naam 8] en bolle geven en dat moet aan [naam 9] geven en zoon moet dat noteren en dan samen met bolle en [naam 8] doornemen. Dit bericht heeft [zus betrokkene 1] op 7 januari 2020 om 14:22:16 uur aan [zoon betrokkene 1] verstuurd. Uit de historische verkeersgegevens van het SkyECC-account [SkyECC-account 5] blijkt dat dit account op 7 januari 2020 tussen 13:17 uur en 16:15 uur gebruikt is via de telefoonmast gelegen aan de [adres] , in de directe omgeving van het kantoor van de verdachte. Uit de bezoekersgegevens van de EBI blijkt verder dat de verdachte de dag ervoor bij [betrokkene 1] op bezoek is geweest die op dat moment in volledige beperkingen zat en met niemand anders mocht communiceren.
Uit bovenstaand bericht volgt dat [zoon betrokkene 1] om verduidelijking vraagt omdat niemand weet wie ‘ [naam 9] ’ is. Daarbij vermeldt hij “heb gevraagd of ze kan vragen om andere bijnamen”. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte tijdens haar bezoek op 6 januari 2020 informatie heeft gekregen van [betrokkene 1] , die zij vervolgens op 7 januari 2020 met [zus betrokkene 1] deelt, die het op haar beurt via SkyECC aan [zoon betrokkene 1] doorgeeft. De verdachte was op dat moment de enige die met [betrokkene 1] kon communiceren omdat hij in beperkingen zat. Ook in deze berichten gaat het over grote geldbedragen die betaald moeten worden. Kennelijk is voor [zus betrokkene 1] niet duidelijk wie met [naam 9] bedoeld wordt, waarna ze aan haar heeft gevraagd dat nog even na te vragen.
Tussenconclusie berichten
Op basis van hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de chats attachments, USB-sticks en notities stelt de rechtbank vast dat door de verdachte op verschillende manieren berichten van [betrokkene 1] zijn doorgegeven aan de buitenwereld en vice versa. Hiermee heeft zij de communicatielijn tussen [betrokkene 1] en zijn netwerk in stand gehouden.
Deelname aan een criminele organisatie
Juridisch kader artikel 140 Sr
Van een ‘organisatie’ met een crimineel oogmerk als bedoeld in artikel 140 Sr is pas sprake wanneer er een samenwerkingsverband is, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Daarbij hoeft niet komen vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt, of bekend moet zijn geweest met álle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts sprake zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Vereist is dat de verdachte opzet moet hebben gehad op het criminele oogmerk van de organisatie en zijn eigen handelen.
Is er sprake van een criminele organisatie?
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in de relevante periode, waarover hierna meer, sprake is van een criminele organisatie. Wat betreft de aanvang en de duur van die periode stelt de rechtbank het volgende vast. Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de periode van 19 december 2019 tot en met 8 maart 2021 in totaal 79 keer bij [betrokkene 1] op bezoek is geweest. Meermaals vonden twee bezoeken op één dag plaats. Daarnaast zijn er in totaal 82 telefoongesprekken gevoerd tussen hen. Er was dus sprake van een intensieve samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] . Dit kan deels verklaard worden door de juridische bijstand die zij hem op dat moment verleende in het Marengo-proces.
Echter, uit het dossier blijkt dat er gedurende deze periode ook berichten door de verdachte zijn doorgegeven aan [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] die op geen enkele wijze in verband staan met de juridische bijstand die de verdachte op dat moment verleende aan [betrokkene 1] . Zij gaf de inhoud van die berichten door, beantwoordde vragen daarover en gaf de antwoorden weer door aan [betrokkene 1] . [zoon betrokkene 1] op zijn beurt stuurde de berichten door aan weer andere personen die daar op reageerden met gerichte antwoorden voor [betrokkene 1] . Deze berichten hebben steeds gezien op de activiteiten van het netwerk van [betrokkene 1] op het gebied van de internationale handel in hard- en softdrugs en de verwerking van de daaraan verbonden opbrengst.
Aanvankelijk vond de berichtenuitwisseling plaats via de PGP-telefoon in de periode van 19 december 2019 tot juni 2020. Daarna werd overgestapt op de werkwijze met de UBS-sticks om berichten door te geven.
Binnen de criminele organisatie is sprake geweest van een zekere rolverdeling. [betrokkene 1] was de leider van de criminele organisatie. Uit de doorgegeven berichten blijkt dat hij via zijn zoon [zoon betrokkene 1] de overige deelnemers van de criminele organisatie aanstuurt en ook vanuit detentie nog steeds bepaalt hoe dingen uitgevoerd moeten worden. Ook blijkt dat hem om toestemming wordt gevraagd voor de uitvoering van plannen en de keuze die daarin gemaakt moeten worden. De verdachte gaf de berichten van [betrokkene 1] door aan [zoon betrokkene 1] en [zus betrokkene 1] . Zij hadden beiden een sturende rol in de organisatie. [zus betrokkene 1] met name als contactpersoon van de verdachte en veelvuldig aanspreekpunt voor [neef betrokkene 1] . [zoon betrokkene 1] was verantwoordelijk voor het doorgeven van de opdrachten en vragen van zijn vader aan de andere deelnemers zoals [betrokkene 2] . Reacties die terugkwamen werden vervolgens ook weer door hem teruggekoppeld aan de verdachte. Ook hield [zoon betrokkene 1] zich bezig met de administratie van de activiteiten en opbrengsten van de organisatie en informeerde hij zijn vader daarover via de verdachte.
Op grond van deze feiten concludeert de rechtbank dat er in die periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen in ieder geval [betrokkene 1] , [zoon betrokkene 1] en [zus betrokkene 1] .
Crimineel oogmerk van de organisatie
De rechtbank is voorts van oordeel dat de organisatie zowel het oogmerk had om te handelen in verdovende middelen als het oogmerk op witwassen. Uit de eerder aangehaalde chats attachments, notities en berichten volgt dat er door de deelnemers van de criminele organisatie onder meer wordt gesproken over grote geldbedragen, ‘pap’ en ‘broeken’. In een andere notitie van [zoon betrokkene 1] wordt ook gesproken over ‘assie’. Zoals blijkt uit het dossier zijn dit termen die binnen het criminele circuit gebruikt worden voor respectievelijk geld en verdovende middelen (vaak in kilo vorm) als hasj en cocaïne. Ter ondersteuning daarvan neemt de rechtbank ook een gesprek tussen [zoon betrokkene 1] en [neef betrokkene 1] op 15 juni 2020 in aanmerking waarin specifiek wordt gesproken over ‘oogsten’, ‘geld’ en ‘hasj deel’.
Datum
Verzender
Bericht
15-06-20
15:31
FAMILY GUY/prive
Cous we moeten ook nog de ooms betalen
15-06-20
15:32
FAMILY GUY/prive
En tantes
15-06-20
23:38
FAMILY GUY/prive
Werkerslijst staat nu op 2.1 miljn cous en we hebben nog werk waar we mee bezig zijn en sturen we ook de ooms hun deel cous?
15-06-20
23:41
FAMILY GUY/prive
Kwam uit op volgens mijn +- 4 miljn cous als we ze 2000dh per kg gaan geven is wel heel mager cous
15-06-20
23:57
Scorpio New
Over oogsten. Nee. Alleen bomen op grond mama en \n De ooms en tantes alleen hun hasj deel. Geen geld.
15-06-20
23:57
Scorpio New
Dat is wat die erover zie
Ook wordt door onder anderen [zoon betrokkene 1] en [neef betrokkene 1] een administratie bijgehouden van betalingen die zijn gedaan en nog moeten worden gedaan zoals blijkt uit de eerder genoemde Excel-overzichten. Er wordt gesproken over geldbedragen in de orde van grootte die in combinatie met het gebruik van woorden als ‘broeken’ en ‘assie’ en gesprekken over ‘hasj’ naar het oordeel van de rechtbank slechts kunnen passen bij de handel in verdovende middelen. Daarmee is het crimineel oogmerk bewezen, ook waar het gaat om het oogmerk op witwassen, omdat het in de berichten onmiskenbaar ook gaat over het verwerven, voorhanden hebben, overdragen of omzetten van opbrengsten van grootschalige drugshandel.
Was de verdachte deelnemer?
Zoals de rechtbank eerder heeft vastgesteld, heeft de verdachte op 20 december 2019 een PGP-telefoon in ontvangst genomen. Deze telefoon was bedoeld om te kunnen communiceren met [zus betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] en was ook al geprepareerd door het toevoegen van ‘Putin’ als contact. Uit berichten die op 31 december 2019 door [zoon betrokkene 1] naar [zus betrokkene 1] zijn verstuurd blijkt dat de ‘advo’ ‘paranoid’ was en dat zij wilde dat hij een telefoon met alleen haar zou hebben. Op 24 december 2019 is die telefoon nog even in de omgeving van het kantoor van de verdachte gebruikt. Vanaf 25 december 2019 is de telefoon met het UPI account echter uitsluitend gebruikt in de directe omgeving van de woning van de verdachte. Dit zijn allemaal handelingen die op geen enkele wijze passen binnen de normale taakuitvoering van een advocaat en illustreren dat die telefoon buiten de reguliere werkzaamheden op kantoor gehouden moest worden. Uit het feit dat de verdachte persé een één-op-één-telefoon wilde met [zoon betrokkene 1] en deze thuis heeft bewaard, in combinatie met de inhoud van de met die telefoon gevoerde gesprekken leidt de rechtbank af dat de verdachte dit ook wist.
Vervolgens is de verdachte berichten van [betrokkene 1] gaan doorgeven met de PGP-telefoon. De verdachte denkt ook mee en beantwoordt vragen van [zoon betrokkene 1] . Zij doet actief navraag bij hem of hij nog punten heeft. Vanaf het moment dat de verdachte geen gebruik meer wil maken van de PGP-telefoon, precies rond de tijd dat de Encrochat- hack bekend gemaakt is, wordt de telefoon niet meer gebruikt en wordt overgegaan op het gebruik van USB-sticks. De verdachte stemt in met deze werkwijze, en zij houdt daarmee communicatie tussen [betrokkene 1] en zijn netwerk in stand.
De inhoud van het overgrote deel van die berichten ziet onmiskenbaar op drugshandel en de opbrengst daarvan. In de berichten die de verdachte doorgeeft wordt gesproken over grote geldbedragen, schulden, en woorden als ‘broeken’ en ‘pap’. Dat de verdachte paranoïde was over het gebruik van een PGP-telefoon in dit verband wijst er ook op dat zij zich ervan bewust was dat de inhoud van deze berichten het daglicht niet kon verdragen en dat die inhoud zag op de internationale handel in verdovende middelen. Door op deze wijze berichten door te geven heeft zij de organisatie in staat gesteld om de handel in verdovende middelen voort te zetten. Het opzet van de verdachte op het deelnemen aan de criminele organisatie is daarmee bewezen.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte [betrokkene 1] bijstond in geweldzaken en als advocaat nooit in drugszaken heeft bijgestaan, illustreert de grote afstand tussen hetgeen nog tot haar taak als rechtsbijstandverlener had kunnen behoren en de onderwerpen waarbij zij hier was betrokken.
Het verweer dat [betrokkene 1] nooit vervolgd geweest is voor drugsfeiten of witwassen en dus niet vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een criminele organisatie op dat gebied miskent de inhoud van de gevoerde gesprekken, maar ook de context waarin de geweldsfeiten waarvoor hij inmiddels wel is veroordeeld hebben plaatsgevonden. Dit verweer wordt verworpen.
Conclusie
Het is bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie zoals is ten laste gelegd en dat haar opzet daar ook op gericht was. Wel zal de bewezenverklaarde periode beperkt worden van 19 december 2019 tot 1 december 2020, omdat het dossier geen bewijs bevat dat zij na die datum nog handelingen heeft verricht, die duiden op deelname aan de criminele organisatie.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
de verdachte in de periode van 19 december 2019 tot 1 december 2020 in Nederland,
heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestaande uit haar, de verdachte,
en [betrokkene 1] en [zoon betrokkene 1] en [zus betrokkene 1] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten):
- witwassen (als bedoeld in artikel 420bis van het wetboek van strafrecht) en
- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het
verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren en/of aanwezig hebben van
(verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 2 jo 10 lid 4 en 5
van de Opiumwet) en/of
- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen,
afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben van (verdovende)
middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens
artikel 3a lid 5 van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 3 jo 11 lid 2, 4 en 5 van de
Opiumwet).
4. Voorwaardelijke verzoeken
De verdediging heeft bij enige bewezenverklaring voorwaardelijk verzoeken gedaan om nader onderzoek te verrichten. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van deze verzoeken het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is.
. Verzoeken ten aanzien van SkyECC
Op vier zittingen in deze zaak (de raadkamerzitting van 18 maart 2025 met betrekking tot verzoeken als bedoeld in artikel 182 Sv en de regiezittingen van 10 april en 2 september 2025 en 23 februari 2026) zijn onderzoekswensen van de verdediging besproken, waarop nadien gemotiveerd is beslist op respectievelijk 7 april en 22 mei 2025, 3 oktober 2025 en 10 maart 2026. Wanneer de rechtbank voor de beoordeling van de voorwaardelijke verzoeken naar die uitspraken verwijst, dient de daar opgenomen motivering ten behoeve van dat verzoek als hier ingelast te worden gelezen.
Ten aanzien van de forensische betrouwbaarheid van de SkyECC-data en de mogelijkheid de bewijswaarde te toetsen acht de verdediging het noodzakelijk om de [deskundige 1] te horen over de authenticiteit van de SkyECC-data, de waarde van het NFI-rapport en de door hem noodzakelijk geachte chain of custody om de authenticiteit van de data te kunnen toetsen.
De rechtbank acht het horen van deze deskundige hierover niet noodzakelijk omdat de rechtbank, ook met inachtneming van de forensische conclusies van de deskundige, op andere gronden dan door de deskundige aangedragen punten tot een gemotiveerd oordeel is gekomen dat de data betrouwbaar zijn en bruikbaar voor het bewijs. Dit verzoek wordt afgewezen.
De verdediging heeft voorts, onder verwijzing naar de toelichting daarop gegeven in de raadkamerzitting van 18 maart 2025 en de regiezittingen van 10 april 2025 en 2 september 2025, wederom en thans voorwaardelijk verzocht de volgende personen als getuige te horen:
de officier van justitie van onderzoeken Yucca en Argus (LAP 0814);
de officier van justitie van onderzoek Werl (LAPO813);
de officier van justitie van onderzoek Argus (LAP 0832);
verbalisant 824;
de officier van justitie van onderzoek 13Werl;
de (plv.) officier van justitie bij de rechtbank Lille betrokken bij het onderzoek naar SKY ECC;
verbalisanten 749, R1913 en R1914 en
de opsteller van het Franse proces-verbaal D2.
De rechtbank acht zich echter voldoende ingelicht op basis van de stukken van het dossier, de uitvoerige behandeling van die verzoeken en de gewisselde standpunten op die zittingen. Er hebben zich na die zittingen geen (nieuwe) feiten of omstandigheden voorgedaan die een nieuw licht op de eerder door de rechtbank ingenomen standpunten werpen. Onder verwijzing naar de betreffende beslissingen is van de noodzaak tot het horen van de door de verdediging verzochte personen niet gebleken. De verzoeken worden afgewezen.
De verdediging heeft voorts wederom en thans voorwaardelijk verzocht de volgende stukken ter inzage en ter eventuele voeging aan de verdediging te verstrekken:
de communicatie en/of verslaglegging van bijeenkomsten en/of afspraken tussen de betrokken lidstaten, Eurojust en/of Europol in kader van de interceptie van de SkyECC-data van gebruikers, de oprichting van het JIT, de verdeling van bevoegdheden en opsporingshandelingen en communicatiestrategieën;
de vorderingen/machtigingen toestemmingen van de RC in onderzoek 26Argus, waaronder in ieder geval die van 8 september 2022 en 24 april 2021;
gedetailleerde verslaglegging van het onderzoek aan de SkyECC data (binnen de onderzoeken Yucca, Werl, Argus, Mandel en Palma) waarbij ook is toegelicht welke middelen/software/methoden zijn toegepast en waaronder dus ook de zo geheten chain of custody verwerkingen SkyECC-data vanaf verkrijging t/m presentatie in dossier;
informatie over de aard en werking van de interceptietool(s);
de zoektermen die kennelijk door de RC zijn goedgekeurd om kennisname van en onderzoek aan de SkyECC data te ‘rechtvaardigen’.
Voor zover die verzoeken niet al op eerder genoemde zittingen zijn behandeld en daarop is beslist, heeft de rechtbank geconstateerd dat de onderwerpen waarop de verzochte informatie ziet, al voldoende in het dossier zijn toegelicht en ook in dit vonnis zijn besproken. Van de noodzaak om nadere informatie aan het dossier toe te voegen is de rechtbank niet gebleken, zodat de verzoeken worden afgewezen.
Met betrekking tot de SkyECC-database heeft de verdediging verzocht de beschikking te krijgen over de ruwe data van de interceptie om deze aan een eigen deskundige voor te kunnen leggen en zo de forensische betrouwbaarheid evenals de (omvang van de on)volledigheid te kunnen controleren in het licht van het recht op een eerlijk proces.
De rechtbank verwijst naar de hiervóór op dit punt genomen beslissing en ziet ook overigens geen noodzaak tot het verstrekken van die data. Ook dit verzoek wordt afgewezen.
Verzoeken ten aanzien van de detentie
Er is voldaan aan de voorwaarde waaronder de verdediging voorwaardelijk heeft verzocht de zaak aan te houden en alsnog de op 2 september en 10 september 2025, bij brieven van 10 en 11 februari 2026, en ter zitting van 23 februari 2026 geformuleerde onderzoekswensen toe te wijzen. Deze zien op het completeren van het dossier, het horen van getuigen en het houden van een schouw van de geheime detentielocatie. De rechtbank heeft zich naar aanleiding van eerdere verzoeken voldoende voorgelicht geacht omtrent de detentie(situatie). Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht leidt thans niet tot een andersluidend oordeel. De voorwaardelijke verzoeken worden afgewezen.
5. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit wordt gekwalificeerd als:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Strafbaarheid van de verdachte
Door de verdediging is gesuggereerd dat er sprake zou kunnen zijn van psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. De verdediging heeft aan dit verweer slechts de hypothetische situatie ten grondslag gelegd – door de rechtbank zelfs nog wat concreter geformuleerd – dat de verdachte zich in een klemsituatie zou hebben kunnen bevinden.
De verdachte zelf heeft hierover geen uitlatingen gedaan. Haar enige toespeling daarop in de beschrijving van haar werkzaamheden als advocaat in de zaak Marengo (‘Ik bevond mij in een ring van vuur en daar sta je dan…’) is voor velerlei uitleg vatbaar, maar in ieder geval onvoldoende om dit verweer feitelijk te kunnen onderbouwen.
Bij gebreke van feitelijke onderbouwing wordt psychische overmacht dan ook niet aangenomen. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon of hoefde te bieden. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Straf
Eis van de officieren van justitie
De verdachte moet voor het ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden. De onderbouwing daarvan wordt onder 6.3.7. besproken.
Standpunt van de verdediging
Er kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf met toepassing van artikel 9a Sr. Mocht strafoplegging wel aan de orde zijn, dan moet als compensatie voor onherstelbare vormverzuimen in het strafproces op grond van artikel 359a Sv alsnog van strafoplegging worden afgezien.
De detentie heeft voor de verdachte grote fysieke en mentale gevolgen gehad. De verdediging verwijst hiervoor onder meer naar de rapportages van [deskundige 2] , [de psychiater] , en van de huisarts van de verdachte. Daaruit volgt dat bestaande somatische klachten, waaronder hartfalen en diabetes, zijn verergerd en bij de verdachte na de detentie PTSS is geconstateerd, terwijl zij voorafgaand aan haar detentie geen specifieke psychische klachten had. De klachten van de verdachte zijn na haar vrijlating niet verminderd, eerder is sprake van het tegendeel. De drastische effecten van de detentie zelf, maar ook van de periode erna ontnemen aan bestraffing haar doel. Het eventueel beoogde leed heeft zij reeds inmiddels ruimschoots ondergaan. Daar komt bij dat de medische zorg in de penitentiaire instellingen volgens de verdediging zozeer te kort schiet, dat de verdachte gezien haar medische en psychische toestand feitelijk detentieongeschikt is en het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor haar onevenredig en onverantwoord zou zijn. Zou de rechtbank daar anders over denken dan is nader onderzoek naar de detentiegeschiktheid van de verdachte aangewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal aan de verdachte een straf opleggen en zal uitleggen waarom. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de volgende punten meegewogen:
de ernst van de feiten;
de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte ;
de overschrijding van de redelijke termijn;
compensatie voor procedurele schendingen;
media-aandacht.
Nadat deze vijf punten zijn besproken, volgen de concrete afwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot de straf die aan de verdachte wordt opgelegd.
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft gedurende een aantal maanden berichten van [betrokkene 1] met vragen en instructies tijdens zijn detentie in de zaak Marengo doorgespeeld aan leden van zijn internationaal opererende criminele organisatie en hun reacties daarop weer aan hem doorgegeven. Zij stond hem in de zaak Marengo bij als strafadvocaat. Door te fungeren als ‘doorgeefluik’ van [betrokkene 1] heeft zij de communicatielijn tussen [betrokkene 1] , als leider van die organisatie, en de leden daarvan in stand gehouden. Daarmee heeft zij eraan bijgedragen dat die organisatie de internationale handel in verdovende middelen en het witwassen van de illegale opbrengsten ondanks die detentie van [betrokkene 1] kon voortzetten.
Het feit dat [betrokkene 1] toen in de extra beveiligde inrichting (EBI) in Vught was gedetineerd draagt bij aan de ernst van dit strafbare handelen. Gedetineerden in de EBI gelden immers als hoogrisicogedetineerden. Juist om de onaanvaardbare maatschappelijke risico’s verbonden aan het voortzetten van crimineel handelen vanuit detentie te voorkomen vindt in de EBI ieder mondeling en schriftelijk contact van de gedetineerde met de buitenwereld onder zeer streng toezicht plaats.
Alleen voor het contact met de advocaat is daarop een uitzondering gemaakt, omdat het belang van de gedetineerde om in volledige vertrouwelijkheid met zijn/haar advocaat te kunnen spreken groot is en ook essentieel voor een eerlijk proces. Daarvoor is evenzeer essentieel dat de advocaat op zorgvuldige en integere wijze met dat privilege omgaat. En juist van dat privilege heeft de verdachte ernstig misbruik gemaakt. Dit is extra kwalijk omdat de verdachte al jaren als advocaat [betrokkene 1] heeft bijgestaan en zij als geen ander wist van welke zware strafbare feiten hij door justitie werd verdacht.
Uit het dossier blijkt daarentegen ook dat de verdachte zich op sommige momenten voor de organisatie moeilijk bereikbaar heeft gehouden en ook wel traag of afhoudend heeft gereageerd. Of zij zich hiermee van de organisatie heeft willen distantiëren of dat dit alleen is voortgekomen uit zorgen over de kans op ontdekking van die communicatie kan de rechtbank niet beoordelen. De verdachte heeft zich daarover immers niet uitgelaten. Wel is duidelijk dat de verdachte al zeer kort na de arrestatie van haar cliënt een geprepareerd PGP-toestel via de zus van de verdachte heeft geaccepteerd.
Met het doorgeven van informatie heeft de verdachte niet alleen bijgedragen aan de (voortzetting van de) illegale activiteiten van de criminele organisatie, maar heeft zij ook het algemeen vertrouwen in de advocatuur ernstig beschaamd. Zij heeft de advocatuur hiermee in een kwaad daglicht gesteld en dergelijk handelen ondermijnt de rechtsstaat. De rechtsorde is hierdoor dan ook ernstig geschokt.
In strafverzwarende zin weegt verder mee dat de verdachte een zeer ervaren advocaat was, die zich ongetwijfeld bewust is geweest van de ernst van wat zij deed.
Een verklaring voor haar handelen heeft zij niet gegeven. Daarmee blijft ook ongewis of zij zich, bijvoorbeeld vanwege de grote veiligheidsrisico’s die zich opdrongen rond het Marengo-proces nog vrij voelde om de deken van de orde van advocaten te benaderen voor advies of om melding te doen van de ontstane situatie.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank niet alleen gelet op de ernst van de feiten, maar ook op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo heeft de rechtbank er kennis van genomen dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
De verklaring van de huisarts van 16 december 2025
De huisarts van de verdachte heeft op 16 december 2025 een verklaring opgesteld, waarin hij onder meer heeft vermeld dat de verdachte bekend is met diabetes mellitus type 1 met sterk wisselende suikerwaarden, in 2022 een ernstig hartinfarct heeft doorgemaakt en dat na haar vrijlating uit detentie sprake is geweest van meerdere spoedeisende incidenten van hartfalen en ziekenhuis-opnames. Inmiddels heeft zij onder meer een pacemaker en last van diabetische retinopathie en macula oedeem, passend bij die wisselende suikers. Met psychische klachten was de huisarts voorafgaand aan haar detentie niet bekend. Nu is sprake van heftige spanning, klachten, piekeren, tobben en slapeloosheid. Ook heeft de verdachte zich regelmatig suïcidaal geuit.
Het rapport van 8 januari 2026 van [de psychiater]
De psychiater heeft op verzoek van de verdediging op 8 januari 2026 gerapporteerd over de psychische gesteldheid van de verdachte.
Het is de psychiater naar eigen zeggen slechts ten dele gelukt om meer inzicht te krijgen in de persoonlijkheid van de verdachte. De verdachte heeft niet met hem willen spreken over de ten laste gelegde periode, over het Marengo-proces, noch over mogelijk handelen onder druk of dreiging. De psychiater heeft de implicaties van de aan de detentie voorafgaande periode voor de wijze waarop de verdachte haar detentie heeft ervaren dan ook niet (volledig) kunnen meenemen. Hij merkt op, dat in het verslag van de arrestantenzorg in Houten over betrokkene wordt gerapporteerd dat zij mogelijk suïcidaal was en onder grote druk leek te verkeren. Dit soort zorgen over betrokkene heeft de rapporteur ook bij herhaling teruggevonden in verslagen van bewakers, van medisch personeel en van psychologen, die betrokkene hebben gezien in de periode dat zij op de geheime detentielocatie en in de PI Nieuwersluis verbleef. Haar hartfalen en diabetes mellitus worden verergerd bij onverwachte situaties, chaos, spanningen etc. Deze stressfactoren hebben zich tijdens haar detentie in 2023 voorgedaan en in het bijzonder tijdens haar verblijf op de geheime detentielocatie.
Hij rapporteert dat de verdachte door de tegenwerking die zij ervaart bij het verkrijgen van helderheid over haar vervolging en detentie ervan overtuigd is geraakt dat zij dit proces niet tijdens haar leven tot een eind ziet komen. Rapporteur ziet dit gevoel van uitzichtloosheid weerspiegeld in relatie tot het psychosomatische ziektebeeld van betrokkene.
Volgens de psychiater voldoet de verdachte volledig aan de kenmerken van PTSS, chronische type. Andersoortige pathologie werd niet aangetroffen. De verergering van de somatische klachten (hartfalen, diabetes mellitus) hebben een grote rol van betekenis gespeeld. De psychiater concludeert dat, hoewel ook sprake lijkt te zijn van periodes van extreme spanningen in haar persoonlijke en werk gerelateerde leven, de voorliggende stoornis (PTSS) pas is ontstaan na het ten laste gelegde en vooral tijdens haar verblijf op de geheime locatie.
De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater ten aanzien van het bestaan van PTSS bij de verdachte over. Zoals hiervoor onder 2.9.3.17 reeds is overwegen acht de rechtbank -— anders dan de psychiater -— een causaal verband tussen het ontstaan van die stoornis en de detentieomstandigheden niet aannemelijk geworden.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte is gediagnosticeerd met PTSS en dat medisch en psychisch gezien bij de verdachte thans sprake is van een uiterst broos evenwicht, dat gemakkelijk verstoord kan worden.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 21 april 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en een maand verstreken. In het vooronderzoek heeft echter een aantal wisselingen van advocaten plaatsgevonden, waardoor opvolgende advocaten zich hebben moeten inwerken en tussentijds zijn meerdere (klaagschrift)procedures gevoerd. Daarnaast is een groot aantal onderzoekswensen van de verdediging op meerdere zittingen ingediend, besproken en beoordeeld. De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat er, gelet op het voorgaande geen reden is om dit te compenseren door matiging van de op te leggen straf.
Compensatie voor procedurele schendingen
In het voorafgaande heeft de rechtbank al geoordeeld dat in het voorbereidend onderzoek sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen. Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim ook daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Hierover overweegt de rechtbank het volgende:
Inbreuken op het klachtrecht van een gedetineerde vertalen zich normaliter niet in de strafzaak zelf, maar worden doorgaans afgehandeld in het executietraject. In dit geval acht de rechtbank echter het besluit van DJI om de klachtbrief van de verdachte bewust niet voor te leggen aan een klachtcommissie zozeer in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde dat een compensatie van het daardoor geleden nadeel in deze strafzaak aan de orde is. Het nadeel heeft zich met name verwezenlijkt in de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, omdat zij als gedetineerde al geen sturing kan geven en overgeleverd is aan zorgvuldig handelen van anderen, maar dat het gevoel van machteloosheid nog eens is vergroot door de ongebruikelijke plaats van detentie en het uitblijven van iedere reactie op haar klachtbrief en het naderhand ook ‘verdwijnen’ daarvan. Dit nadeel is geschikt voor compensatie door strafvermindering;
ij de inbreuken op het verschoningsrecht als overwogen onder 2.8.3.37. gaat het om een ernstig verzuim dat de verdachte als voormalige strafadvocaat buiten het rechtstreekse verband van deze strafzaak nadeel toebrengt in haar hoedanigheid van hoedster van verschoningsgerechtigd materiaal van haar voormalige cliënten. Tegen die achtergrond ziet de rechtbank ook hierin aanleiding om de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim te matigen. Het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt, voor zover de omvang zich daarvan in deze zaak al laat vaststellen, kan langs deze weg in enige mate worden gecompenseerd.
Media-aandacht
De rechtbank ziet, anders dan de verdediging heeft betoogd, geen aanleiding om bij de strafoplegging rekening te houden met de wijze waarop de strafzaak in de media is besproken. Zoals al onder 2.10.4. e.v. overwogen hebben zowel de verdediging en de verdachte zelf als het OM ongelukkige en soms kwetsende uitspraken in de media gedaan. De rechtbank houdt er daarbij rekening mee dat het ook de verdachte is geweest die met het publiceren van haar boek en het optreden in een televisieprogramma zelf die aandacht heeft opgezocht. Een reden voor strafvermindering ziet de rechtbank daarin dan ook niet.
Oplegging straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, ook gelet op de straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. Hieruit blijkt dat doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt
opgelegd. De duur daarvan loopt uiteen.
Motivering van de eis van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben op de zitting gemotiveerd waarom zij vinden dat in deze zaak de verdachte een lange gevangenisstraf moet ondergaan. Zij gaan er vanuit dat de verdachte als ervaren advocaat als geen ander weet wat er plaatsvindt in de wereld van georganiseerde verdovende middelenhandel, en dat zij zich bewust is geweest van de druk die het bijstaan van een dergelijke cliënt en organisatie kan meebrengen. Ook wanneer daarvan sprake zou zijn geweest had, gezien haar 45 jaar ervaring als strafadvocaat, van haar verwacht mogen worden dat zij daaraan weerstand had geboden en zich had weerhouden van het behartigen van de criminele belangen van de cliënt. Zou sprake zijn geweest van een ontoelaatbare druk of dreiging dan had zij haar geheimhouding mogen doorbreken en had zij hulp moeten zoeken bij de deken van de orde van advocaten en de overheid.
De officieren van justitie hebben er bij de hoogte van hun eis rekening mee gehouden dat bij aanvang van de detentie van de verdachte op de geheime locatie nog niet alles in orde was, maar zij stellen daarbij ook dat bij de keuze van DJI voor die locatie de zorg om de veiligheid van de verdachte en haar psychische gesteldheid voorop hebben gestaan. Toen die veiligheid in een reguliere penitentiaire inrichting voldoende geborgd kon worden is zij direct overgeplaatst. Dat de detentie op de verdachte en haar familie een grote impact heeft gehad nemen de officieren van justitie aan, maar die impact zou er ook geweest zijn wanneer de verdachte direct in een reguliere penitentiaire inrichting was ingesloten.
De officieren van justitie meten uit het oogpunt van rechtsgelijkheid de duur van de te eisen gevangenisstraf met name af aan de straf die eerder is opgelegd aan een andere voormalige advocaat van [betrokkene 1] , te weten [naam 1] . Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5,5 jaar en zijn zaak vertoont grote overeenkomsten met de strafzaak tegen de verdachte. Het verschil in het type criminele organisatie, de actievere rol van [naam 1] in die organisatie, alsmede het verschil in leeftijd en gezondheid maken dat de officieren van justitie de eis in deze zaak matigen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4,5 jaar.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de kernwaarden van de advocatuur in het hart heeft geraakt én de georganiseerde drugscriminaliteit heeft gefaciliteerd. Vanwege de ernst van het feit kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het opleggen van een andere (lichtere) strafsoort is niet passend.
Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat de bijzondere omstandigheden in deze zaak van een zodanig gewicht zijn dat een straf, die betekent dat de verdachte terug moet naar de gevangenis, niet meer op zijn plaats is. De rechtbank legt dat als volgt uit.
Bij het bepalen van de duur van de straf sluit de rechtbank, anders dan het OM, niet aan bij de straf die aan [naam 1] in de zaak 26Mandel is opgelegd. In die zaak is de advocaat immers veroordeeld voor meer, en voor zwaardere feiten, waaronder deelname aan een criminele organisatie, waarop de wet een maximale strafbedreiging van 10 jaar gevangenisstraf stelt (artikel 140, derde lid Sr). De criminele organisatie waaraan de verdachte in deze zaak heeft deelgenomen kent een strafmaximum van zes jaar (artikel 140, eerste lid Sr). Daarnaast is de rol van [naam 1] bij die organisatie veel groter en actiever geweest dan de rol die de verdachte in deze zaak in de organisatie heeft vervuld. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het aantal berichten waarmee de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, voor zover kenbaar uit het dossier, relatief beperkt lijkt te zijn.
De strafdoelen
Een straf heeft meerdere doelen: vergelding (afstraffen van de verdachte), algemene preventie (er moet een signaal uitgaan naar de maatschappij dat dergelijke strafbare feiten ernstig zijn en niet onbestraft worden gelaten), speciale preventie (de verdachte moet ervan worden weerhouden nogmaals de fout in te gaan) en herstel/resocialisatie (terugkeer van de veroordeelde in de samenleving).
Vanuit het oogpunt van vergelding is in beginsel een gevangenisstraf van langere duur gerechtvaardigd, gelet op de hiervoor al omschreven ernst van het feit en de bijdrage van de verdachte aan (het voortbestaan van) de criminele organisatie van [betrokkene 1] . Dit zou meebrengen dat de verdachte terug moet naar de gevangenis. Toch zal de rechtbank daarvoor niet kiezen. Vanuit het oogpunt van speciale preventie ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in het opleggen van een hogere straf. De verdachte heeft haar werkzaamheden als advocaat immers al meteen beëindigd en staat niet meer ingeschreven als advocaat. Het is onaannemelijk dat zij haar praktijk als advocaat nog zal hervatten, waardoor het gevaar op herhaling ontbreekt.
Over de generale preventie overweegt de rechtbank het volgende. Deze strafzaak heeft vérstrekkende gevolgen voor de verdachte gehad. Zo is er een ontluisterend einde aan haar carrière gekomen, en betekent deze veroordeling voor haar verlies van haar reputatie en maatschappelijke positie en verslechtering van haar geestelijke en lichamelijke gezondheid. Hieruit blijkt voldoende welke zware consequenties aan het plegen van dit soort strafbare feiten zijn verbonden. Het opleggen van een straf als door de officieren van justitie geëist acht de rechtbank daarom niet noodzakelijk om anderen van soortgelijk handelen te weerhouden. Het feit dat de verdachte, ondanks haar gevorderde leeftijd en na beëindiging van haar carrière, alsnog strafrechtelijk is vervolgd en veroordeeld, onderstreept dat de geldende normen ook dan onverkort worden gehandhaafd.
Zoals hiervoor al overwogen acht de rechtbank verder een matiging van de straf aangewezen als compensatie voor de onherstelbare vormverzuimen.
Tot slot is ter terechtzitting gebleken dat de medische en psychische situatie van de verdachte zorgwekkend is. Voor een groot deel van haar medische klachten bestaat geen uitzicht meer op herstel en haar mentale gesteldheid (PTSS) beïnvloedt die klachten negatief. Ook in vrijheid zijn die klachten in de laatste drie jaar niet verbeterd, maar lijken deze verergerd.
De rechtbank oordeelt dan ook dat, gelet op al deze feiten en omstandigheden, geen reëel strafdoel meer gediend wordt met een straf die inhoudt dat de verdachte weer terug naar de gevangenis moet. Om die reden zal de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
Gezien dit oordeel behoeft de detentiegeschiktheid van de verdachte en het daaraan gekoppelde voorwaardelijke verzoek tot onderzoek geen verdere bespreking meer.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 5 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
en mrs. A.J.P. van Essen en P. Putters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 mei 2026.