RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11782033 CV EXPL 25-14950
datum uitspraak: 10 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.M.F. Prickartz,
tegen
Miro Amehoela B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: de heer S. Rokette.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Miro’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 juni 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de e-mail van de gemachtigde van [eiseres] van 27 februari 2026, met bijlagen.
Op 12 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiseres] en haar gemachtigde aanwezig. Namens Miro was niemand aanwezig, hoewel zij wel was opgeroepen voor de zitting.
2. De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
[eiseres] is van 1 tot en met 27 maart 2025 bij Miro in dienst geweest als horeca keuken medewerker. De arbeidsovereenkomst is geëindigd omdat [eiseres] binnen de afgesproken proeftijd heeft besloten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
Miro heeft [eiseres] niet betaald voor de werkzaamheden die zij heeft verricht. Zij heeft aan de Belastingdienst opgegeven dat een brutoloon van € 2.044,32 verschuldigd zou zijn. Dat bedrag is op de uitkering van [eiseres] in mindering gebracht.
[eiseres] eist in deze procedure betaling van € 2.044,32 bruto aan achterstallig loon, € 163,55 bruto aan vakantiegeld, € 191,52 bruto als vergoeding voor niet genoten vakantiedagen en € 1.191,70 bruto aan wettelijke verhoging, dit alles vermeerderd met wettelijke rente, € 484,- aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Ook wil [eiseres] nog een deugdelijke bruto-nettospecificatie over de uit te keren bedragen ontvangen.
Miro heeft een schriftelijke reactie gegeven op de dagvaarding. Zij vindt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Volgens Miro heeft [eiseres] in de opgegeven periode maar 42,25 uur gewerkt en bestond dat werk uit training en inwerkmomenten, waarbij Miro niet heeft kunnen profiteren van de werkzaamheden van [eiseres] .
Miro moet het achterstallig loon van € 2.044,32 bruto betalen
De kantonrechter wijst de loonvordering van € 2.044,32 toe. [eiseres] heeft voor de zitting een overzicht overgelegd waaruit blijkt voor welke uren zij was ingeroosterd door Miro. Dat [eiseres] feitelijk minder uren heeft gewerkt, is volgens [eiseres] te verklaren door de omstandigheid dat Miro haar regelmatig eerder naar huis stuurde. Dat betekent echter niet dat Miro de niet gewerkte uren niet hoeft te betalen. In artikel 6 lid 3 van de arbeidsovereenkomst staat immers dat [eiseres] haar recht op loon behoudt als een oproep binnen vier dagen wordt ingetrokken. Miro heeft de stellingen van [eiseres] op dit punt niet weersproken; de kantonrechter gaat er daarom vanuit dat die stellingen juist zijn.
Dat Miro zegt dat zij niet van de werkzaamheden van [eiseres] heeft geprofiteerd, is niet relevant. Uit niets blijkt dat zou zijn afgesproken dat [eiseres] gedurende de periode dat zij werd ingewerkt of trainingen volgde geen recht had op het volle loon, als zo’n afspraak al rechtsgeldig zou zijn.
Voor wat betreft de hoogte van het bedrag volgt de kantonrechter het salarisbedrag dat Miro zelf aan de Belastingdienst heeft doorgegeven.
Miro moet vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen betalen
Miro heeft niet betwist dat zij het opgebouwde vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen moet uitbetalen. Vast staat dat zij dit niet heeft gedaan. Deze vorderingen worden toegewezen.
Miro moet de wettelijke verhoging van 50% betalen
Uit artikel 7:625 BW volgt dat Miro de wettelijke verhoging aan [eiseres] moet betalen in geval van te late betaling van het salaris. Die verhoging is gemaximeerd op 50%. De kantonrechter is bevoegd om de verhoging (ambtshalve) te matigen, maar daar ziet hij in deze zaak geen aanleiding voor. Uit het verweer dat Miro heeft ingediend volgt dat sprake is van moedwillige te late en niet-volledige betaling. Miro moet dan de maximale wettelijke verhoging betalen.
Miro moet een bruto-nettospecifiatie verstrekken
Miro heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. Die wordt daarom toegewezen.
Miro moet incassokosten van € 484,- betalen
De incassokosten van € 484,- worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Miro moet rente betalen
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en Miro dat niet heeft betwist.
Miro moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van Miro, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Miro aan [eiseres] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 810,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Miro daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt Miro om aan [eiseres] te betalen € 3.591,09 bruto met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 27 juni 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt Miro om aan [eiseres] te betalen € 484,- aan buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt Miro om aan [eiseres] een bruto-nettospecifiatie te verstrekken betreffende het onder 3.1 toegewezen bedrag;
veroordeelt Miro in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 810,-;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909