ECLI:NL:RBROT:2026:5786

ECLI:NL:RBROT:2026:5786

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 15-05-2026
Datum publicatie 20-05-2026
Zaaknummer C/10/718136 / KG ZA 26-359
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Kort geding. Geldvordering. Gedeeltelijke toewijzing. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen, is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat eiseres het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in een bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld. Slechts een klein deel van de geldvordering van eiseres is in voldoende mate komen vast te staan. Dit deel is dan ook toegewezen. De rest van de vordering is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/718136 / KG ZA 26-359

Vonnis in kort geding van 15 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. C.W.F. Jansen,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. E. Kafa.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[eiser] en [gedaagde] zijn op dit moment nog echtgenoten. Zij hebben drie kinderen, waarvan één kind inmiddels meerderjarig is. Namens [gedaagde] is op 11 december 2025 de echtscheiding aangevraagd. In deze kort gedingprocedure vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van gesteld door [gedaagde] achtergehouden toeslagen en kinderbijslag aan [eiser] . De vordering wordt grotendeels afgewezen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 8; - de conclusie van antwoord, met bijlagen 1 tot en met 10;

- de aanvullende bijlage 9 van [eiser] ;- de mondelinge behandeling van 1 mei 2026.

3. De vordering

[eiser] vordert – na vermindering van haar eis ter zitting – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 5.491,36 aan [eiser] .

[eiser] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget voor zichzelf gehouden, terwijl die gelden ten goede hadden moeten komen van het gezin en bestemd waren voor het doen van gezinsuitgaven als huur en ziektekostenpremies. Hierdoor handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens haar.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

4. De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding

De vordering van [eiser] is een geldvordering. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen, is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat [eiser] het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in een bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.

Spoedeisend belang

[eiser] heeft gesteld en onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij de geldvordering omdat sprake is van oplopende schulden, waaronder een huurachterstand, en de ziektekostenverzekering dreigt te worden stopgezet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van [eiser] onder deze omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. [eiser] heeft voldoende spoedeisend belang.

De vordering wordt grotendeels afgewezen

[eiser] vordert betaling van € 5.491,36. Dit bedrag splitst zij als volgt uit:

- kindgebonden budget januari t/m april 2026 € 1.720,00

- zorgtoeslag december 2025 € 115,00

- zorgtoeslag januari t/m april 2026 € 460,00

- huurtoeslag 2025 € 455,00

- huurtoeslag januari t/m april 2026 € 1.540,00

- kinderbijslag € 1.201,36

-------------

Totaal € 5.491,36

[gedaagde] betwist dat er grond is om hem te veroordelen tot betaling van die bedragen. Hij onderbouwt zijn betwisting met bankafschriften, stukken van de Belastingdienst en van de SVB.

Opmerking vooraf

De voorzieningenrechter bespreekt de deelposten hierna afzonderlijk. Zij gaat daarbij – zoveel mogelijk – uit van de daadwerkelijk ontvangen bedragen, zoals die blijken uit de bankafschriften.

Het kindgebonden budget

De voorzieningenrechter wijst het gevorderde bedrag aan kindgebonden budget grotendeels af. Volgens [eiser] loopt zij vooralsnog het kindgebonden budget over de maanden januari tot en met april 2026 mis, omdat [gedaagde] nog steeds staat ingeschreven op het adres. De advocaat van [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat [gedaagde] zich inmiddels heeft uitgeschreven van het adres, wat overigens reden was voor intrekking van een tot uitschrijving strekkende vordering van [eiser] .

Uit de bankafschriften blijkt dat [gedaagde] in januari 2026 een voorschotbetaling heeft ontvangen voor het kindgebonden budget over de maand februari 2026 van € 490,00. Dat bedrag is niet doorgestort aan [eiser] . Het kindgebonden budget komt echter toe aan de ouder die de kinderbijslag ontvangt. [eiser] heeft gesteld dat zij inmiddels heeft geregeld dat de kinderbijslag van het eerste kwartaal van 2026 aan haar wordt uitbetaald. Dit brengt met zich dat ook het kindgebonden budget gedurende die periode aan haar moet toekomen. [gedaagde] betwist dit niet en heeft ook geen verklaring gegeven voor het niet doorstorten van dit bedrag aan [eiser] . De voorzieningenrechter wijst dit deel van het gevorderde kindgebonden budget daarom toe.

De huur- en zorgtoeslag

De voorzieningenrechter wijst de gevorderde huur- en zorgtoeslag af. Uit de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften blijkt dat hij de (onder andere voor de maand december 2025) ontvangen voorschotten in november 2025 heeft doorgestort op de privérekening van [eiser] . Verder heeft [eiser] onvoldoende gesteld om tot de conclusie te kunnen komen [gedaagde] de huur- en zorgtoeslag over de periode januari tot en met april 2026 voor zichzelf heeft gehouden. Uit de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften blijkt bovendien dat [gedaagde] over die periode geen toeslagen heeft ontvangen. Het is daarom onvoldoende aannemelijk dat sprake is van het achterhouden van ontvangen huur- en zorgtoeslagen over de periode vanaf januari 2026.

Voor zover de stelling van [eiser] ziet op het mislopen van toeslagen vanwege de inschrijving van [gedaagde] op het adres, geldt dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit het geval is.

De kinderbijslag

De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] betaling vordert van de kinderbijslag die ziet op het vierde kwartaal van 2025. Het gevorderde bedrag van € 1.201,36 komt, zoals [gedaagde] betoogt, niet overeen met het, blijkens een bankafschrift, daadwerkelijk door [gedaagde] ontvangen bedrag van € 1.186,77.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat [gedaagde] voldoende heeft aangetoond dat hij gedurende de periode waarover [eiser] de kinderbijslag vordert de nodige betalingen heeft verricht ten behoeve van de kinderen. Met andere woorden, er is niet gebleken dat [gedaagde] de kinderbijslag voor zichzelf heeft achtergehouden ten nadele van zijn kinderen of gezamenlijke verplichtingen.

Conclusie

De conclusie is dat [gedaagde] wordt veroordeeld om € 490,00 aan kindgebonden budget over de maand februari 2026 aan [eiser] te betalen en dat de vordering van [eiser] voor het overige wordt afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd

Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om daarvan af te wijken.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 490,00;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.

4041/2009

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand