ECLI:NL:RBROT:2026:5800

ECLI:NL:RBROT:2026:5800

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer C/10/690138 / FA RK 24-8845 (echtscheiding) en C/10/694423 / FA RK 25-1176 (verdeling)
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding en nevenverzoeken. De tijdens de mondelinge behandeling gewijzigde nevenverzoeken zijn buiten beschouwing gelaten vanwege strijd met de eisen van de goede procesorde. Tussen partijen is sprake van een belaste voorgeschiedenis waarin veel is geprocedeerd. Mede daarom is een raadsonderzoek gelast naar het gezag en de definitieve zorg- of omgangsregeling, en is een voorlopige regeling bepaald. Voor de kinderbijdrage is gerekend met het gemaximeerde bedrag in de behoeftetabel, omdat aan de hand van enkele foto’s van gezinsvakanties en -uitjes en een globale omschrijving met algemene uitgaven onvoldoende is onderbouwd dat en in hoeverre de behoefte hoger ligt. Het verzoek om een partnerbijdrage is afgewezen, omdat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd. Voor de woning, de saldi van de bankrekeningen en de lijfrentepolis is de wijze van verdeling gelast, rekening houdend met de aan de lijfrentepolis verbonden Aanmerkelijk Belang-claim. Voor de inboedel, de auto, de aandelen, de rekening-courantschuld en de hypotheekschulden is de verdeling vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummers / rekestnummers: C/10/690138 / FA RK 24-8845 (echtscheiding)

C/10/694423 / FA RK 25-1176 (verdeling)

Beschikking van 24 april 2026 over de echtscheiding en de verdeling

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. W.R. Arema te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 27 november 2024;

het bericht van de man van 4 februari 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 februari 2025;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 17 maart 2025;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 24 april 2025;

het bericht van de man van 6 februari 2026;

het bericht van de vrouw van 9 februari 2026;

het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 februari 2026;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 3 maart 2026;

het verweerschrift op het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 maart 2026;

het bericht van de man van 5 maart 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .

Tijdens de mondelinge behandeling is door beide advocaten een pleitnotitie overgelegd.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen op 24 maart 2026 en 25 maart 2026 de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt over de woonlasten.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [huwelijksdatum] .

De minderjarige zoon van partijen is:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .

Bij vonnis van deze rechtbank van 12 december 2024 is – voor zover hier van belang – aan de vrouw vervangende toestemming verleend voor vakantie met de minderjarige naar Disneyland Paris van 23 december 2024 tot en met 27 december 2024. Daarnaast is aan de vrouw vervangende toestemming verleend voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor de minderjarige. Ook is in dit vonnis een vakantieregeling vastgesteld voor de kerstvakantie 2024/2025 waarbij de minderjarige de eerste week van de kerstvakantie bij de vrouw is en de tweede week van de kerstvakantie bij de man.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 augustus 2025 is:

de onderlinge regeling van partijen over de zomervakantieverdeling opgenomen;

de man verboden om zich te bevinden in de straat waarin de vrouw en de minderjarige wonen, te weten de Brede Hilledijk te Rotterdam, in het gebied begrensd door de Brede Hilledijk, de Sumatraweg, de Maashaven Noordzijde en het Ambonpad te Rotterdam;

de man veroordeeld om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat hij na betekening van dit vonnis in strijd handelt met het hiervoor genoemde verbod, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt;

de vrouw vervangende toestemming verleend om de minderjarige aan te melden voor gesprekken tussen de minderjarige en de orthopedagoog van het wijkteam/Youz;

de vrouw toestemming verleend om met de minderjarige naar IJsland te reizen en aldaar te verblijven van 17 augustus 2025 tot en met 29 augustus 2025;

partijen geboden dat zij ervoor zorgdragen dat de minderjarige op de zaterdagen 9 augustus en 23 augustus om 10.00 uur met de andere ouder dan waar hij op dat moment is, telefonisch contact kan opnemen.

Bij beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2025 is in de voorlopige voorzieningenprocedure:

bepaald dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarige aan de vrouw, als deze niet al in de macht van de vrouw mocht zijn;

bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking tot 6 oktober 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres 1] te Rotterdam (hierna: de echtelijke woning);

de man bevolen, voor zover nodig, met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en hem verboden deze verder te betreden;

de onderlinge regeling opgenomen die partijen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) hebben getroffen, te weten:

de man heeft in de even weken de zorg voor de minderjarige van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;een specifieke vakantie- en feestdagenregeling voor de minderjarige.

Bij vonnis van deze rechtbank van 22 oktober 2025 is – voor zover hier van belang – aan de man vervangende toestemming verleend voor vakantie met de minderjarige naar Schotland van 17 oktober tot en met 25 oktober 2025. Daarnaast is vervangende toestemming verleend aan de man om met spoed een paspoort aan te vragen voor de minderjarige.

Bij beschikking van deze rechtbank van 10 december 2025 is in de (toen nog lopende) voorlopige voorzieningenprocedure met ingang van 3 oktober 2025:

bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderbijdrage), voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 447,- per maand;

ten laste van de man aan de vrouw een voorlopige uitkering tot levensonderhoud (hierna: de partnerbijdrage) toegekend van € 564,- per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij beschikking van deze rechtbank van 27 januari 2026 is:

aan de vrouw vervangende toestemming verleend om de minderjarige met ingang van het nieuwe schooljaar, na de zomervakantie 2026, in te schrijven op basisschool [naam school 1] te Rotterdam en hem uit te schrijven van basisschool [naam school 2] te Rotterdam;

bepaald dat de vrouw haar medewerking moet verlenen aan het aanvragen van het paspoort door het ID-bewijs van de minderjarige aan de man beschikbaar te stellen;

bepaald dat het paspoort van de minderjarige door de vrouw wordt bewaard gehouden en dat het ID-bewijs van de minderjarige door de man wordt bewaard.

Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft naast de Nederlandse nationaliteit ook de Wit Russische nationaliteit.

3. De beoordeling

Scheiding

Beide partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen en erkennen over en weer dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv overgelegd. Omdat voldoende is gemotiveerd en gebleken dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.

De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Gewijzigde nevenverzoeken

Tijdens de mondelinge behandeling is bezwaar gemaakt tegen de hieronder genoemde gewijzigde verzoeken van de man die pas tijdens de mondelinge behandeling zijn ingediend:

dat als het gezamenlijk gezag wordt beëindigd, niet de vrouw maar de man met het eenhoofdig gezag wordt belast;

dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man wordt bepaald;

dat de minderjarige zijn huidige school, basisschool [naam school 2] op Katendrecht, blijft bezoeken;

dat een 50/50-zorgregeling wordt vastgesteld.

Zoals medegedeeld tijdens de mondelinge behandeling, zijn deze wijzigingen vanwege het late moment in de procedure in strijd met de eisen van de goede procesorde (zie artikel 283 in verbinding met artikel 130 Rv). Om die reden worden zij buiten beschouwing gelaten.

Verblijfplaats

De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.

De man verzette zich tot de mondelinge behandeling hier niet tegen.

De rechtbank beslist volgens het verzoek van de vrouw, omdat dit verzoek tot aan de mondelinge behandeling niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich ertegen verzet dat de hoofdverblijfplaats bij de vrouw wordt bepaald. Omdat de vrouw de meeste zorg draagt voor de minderjarige, wordt hiermee de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Tot aan de mondelinge behandeling heeft de man zich daar niet tegen verzet. Al die tijd heeft het zwaartepunt van de zorg bij de vrouw gelegen. Dat is niet veranderd, ook niet toen de vrouw overbelast is geraakt en zij de man in de voorlopige voorzieningenprocedure uitdrukkelijk heeft gevraagd meer zorg op zich te nemen. Dat de man tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst het standpunt heeft ingenomen dat de vrouw overbelast is geraakt, kan niet leiden tot het oordeel dat de hoofdverblijfplaats bij de vrouw niet meer in het belang van de minderjarige zou zijn. Andere redenen die namens de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht om toe te lichten dat zijn standpunt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is veranderd – dat de man beschikbaar en betrokken is, een breed netwerk heeft, een substantieel deel van de tijd voor de minderjarige zorgt, de minderjarige mist en nu een grotere rol wil spelen – maken het oordeel niet anders.

Gezag en zorg- of omgangsregeling

De vrouw verzoekt:

het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat zij het eenhoofdig gezag over de minderjarige heeft;

een contactregeling vast te stellen, die inhoudt dat de minderjarige bij de man is:

- in de even weken: van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend in school;

- in de oneven weken: van donderdagmiddag uit school tot vrijdagochtend in school.

De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Van de man ligt alleen het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling conform de voorlopige zorgregeling van 3 oktober 2025 voor.

Raadsonderzoek

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeboden om een raadsonderzoek te verrichten naar het ouderlijk gezag en de contactregeling. De raad maakt zich veel zorgen om de minderjarige vanwege de impact van de verstoorde verstandhouding tussen partijen. Partijen hebben veel verschillende en wisselende ideeën. Beiden ervaren ook veel spanningen in hun leven. Verder spelen er negatieve patronen tussen partijen, waardoor het niet lukt om de samenwerking als ouders aan te gaan. Partijen hebben bovendien al veel geprocedeerd. In al die procedures heeft de raad die patronen niet zien verbeteren. De raad benoemt dat beiden betrokken ouders zijn, maar dat zij elk op hun eigen manier en vanuit hun eigen perspectief handelen.

Beide partijen verzetten zich tegen het raadsonderzoek vanwege de lange looptijd daarvan. Zij zijn beiden moe gestreden en hebben behoefte aan duidelijkheid en rust.

De rechtbank heeft er oog voor dat partijen toe zijn aan eindbeslissingen, terwijl een raadsonderzoek betekent dat er langer onduidelijkheid en onzekerheid zijn. Daartegenover staat dat de rechtbank de constatering van de raad deelt dat het zorgelijk is hoe het partijen tot nu toe als scheidende ouders is vergaan. De verhalen van partijen lopen uiteen. Vaststaat dat er sprake is van een belaste voorgeschiedenis waarin over en weer veel is geprocedeerd. Als deze gang van zaken een voorspeller is van de toekomst, zal de minderjarige daar de negatieve gevolgen van blijven ondervinden. Dat moet zoveel mogelijk voorkomen worden. De rechtbank acht het bovendien zorgelijk hoeveel partijen hebben geprocedeerd. Verder is tijdens de mondelinge behandeling al aan de orde gekomen dat de door de man gewenste strikte scheiding tussen de leefwereld van de minderjarige bij de man en de leefwereld bij de vrouw, zonder bemoeienis over en weer, niet realistisch is. Die leefwerelden zullen altijd overlap hebben en het is de minderjarige die daar last van zal hebben. Overleg tussen partijen is dan ook noodzakelijk, maar zij zijn niet in staat om dat samen vorm te geven. Het door de man gewenste parallel solo ouderschap kan alleen uitvoerbaar zijn als partijen daarover van tevoren om tafel zijn gegaan en afspraken hebben gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd verklaard dat hij dat niet wil. Het door de man gewenste alternatief dat er strakke beslissingen worden genomen is niet afdoende, omdat niet elke situatie simpelweg kan worden ondervangen in een beslissing.

Daarom acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat de raad een onderzoek zal verrichten naar het ouderlijk gezag en de contactregeling en de rechtbank hierover adviseert, zodat de situatie bij beiden beter in kaart wordt gebracht, de hulpverleningsmogelijkheden verder kunnen worden onderzocht en vervolgens zorgvuldige afwegingen en duurzame beslissingen kunnen worden gemaakt en genomen. De rechtbank weegt bij de beslissing om de raad te vragen om een onderzoek mee dat de door partijen beoogde duidelijkheid in ieder geval voor de aankomende tijd kan worden gegeven met een voorlopige beslissing over de zorgregeling.

Het voorgaande betekent dat de behandeling over het ouderlijk gezag en de contactregeling zal worden aangehouden en dat de zal de raad worden verzocht te rapporteren.

Voorlopige zorgregeling

De rechtbank zal als voorlopige zorgregeling de regeling vaststellen die de vrouw verzoekt. Voor de man wordt met deze regeling (deels) voorzien in de bij hem ontstane wens om meer zorgtaken op zich te nemen en een uitgebreidere ouderrol voor de minderjarige te vervullen. Voor de vrouw wordt de druk op de combinatie van zorg voor de minderjarige, werk en reizen tussen haar huidige woning en de school van de minderjarige verlicht. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich tegen de door de vrouw verzochte regeling verzet. De rechtbank weegt daarin mee dat de raad heeft uitgelegd dat voor de minderjarige waarschijnlijk niet zozeer uitmaakt hoe de zorg precies is verdeeld, als de regeling maar duidelijk is. Voor de minderjarige is het belangrijkst dat hij onbelast kind van zijn beide ouders kan zijn en dat hij onbelast kan genieten van het contact met en de activiteiten bij beide ouders.

Vakantieregeling

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de definitieve vakantieregeling. De rechtbank zal deze overeenstemming als onderling getroffen definitieve vakantieregeling opnemen in de beschikking. De rechtbank acht dit in het belang van de minderjarige.

Verjaardag minderjarige

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over de verjaardag van de minderjarige op 20 maart 2026. De man haalt de minderjarige op 20 maart 2026 om 08:30 uur/09:00 uur bij de vrouw en de vrouw brengt de minderjarige op 21 maart 2026 om 09:30 uur weer bij de man brengt. Omdat de verjaardag van de minderjarige inmiddels is geweest, hebben partijen er geen belang meer bij om deze afspraak in de beschikking op te nemen.

ID-kaart

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over de manier waarop en de week waarin de ID-kaart van de minderjarige beschikbaar wordt gesteld aan de man. De vrouw levert het identiteitsbewijs de week na de mondelinge behandeling in bij mr. Ray en de man haalt het identiteitsbewijs vervolgens bij mr. Ray op.

De betreffende week waarin de door partijen gemaakte afspraak uitgevoerd moest worden, ligt inmiddels in het verleden. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de afspraak zijn nagekomen en dat het paspoort door de man is aangevraagd en inmiddels bij de vrouw is. Dit sluit ook aan bij de beslissing dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw wordt bepaald. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is benadrukt is het in het belang van de minderjarige dat er tussen partijen over zulke praktische zaken geen strijd meer is.

Onderhoudsbijdragen

De vrouw verzoekt een door de man te betalen kinderbijdrage van:

€ 1.805,- per maand van 1 september 2024 tot 1 december 2025;

€ 2.325,- per maand van 1 december 2025 tot 1 september 2026;

€ 1.805,- vanaf 1 september 2026;

waarbij voor alle periodes geldt dat rekening wordt gehouden met de reeds door de man te betalen voorlopige kinderbijdrage.

De vrouw verzoekt te bepalen dat, indien er bij de behoeftebepaling geen rekening wordt gehouden met de taxikosten voor het vervoer van de minderjarige naar school, de man aan de vrouw een bedrag van € 600,- per maand moet voldoen naast de vast te leggen kinderbijdrage voor de periode van 1 december 2025 tot 1 september 2026.

De vrouw verzoekt ook een door de man te betalen partnerbijdrage van € 609,- per maand.

De man voert gemotiveerd verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Kinderbijdrage

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Partnerbijdrage

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Ingangsdatum

Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De vrouw verzoekt de kinderbijdrage vast te stellen per 1 september 2024 tot aan de datum van de voorlopige voorzieningenbeschikking van 3 oktober 2025, omdat de man de woning in augustus 2024 heeft verlaten en geen kinderbijdrage heeft betaald. De man voert gemotiveerd verweer.

Tijdens de mondelinge behandeling is beslist dat de kinderbijdrage zal worden vastgesteld per datum beschikking. In de voorlopige voorzieningenbeschikking van 10 december 2025 is immers al gemotiveerd afwijzend beslist over het verzoek de kinderbijdrage met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2025 vast te stellen. Voor een wijziging van de ingangsdatum is een verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening de geëigende procedure. Een dergelijk verzoek ligt niet voor. Het opnieuw voorleggen van datzelfde verzoek in de bodemprocedure komt in de optiek van de rechtbank neer op een verkapt hoger beroep. Het uitgangspunt is dat de kinderbijdrage wordt vastgesteld per datum beschikking. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.

Behoefte

De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot in 2024 in gezinsverband samengeleefd, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens over het jaar 2024.

Inkomen man

Tussen partijen is de hoogte van het inkomen van de man in geschil. De vrouw stelt primair dat moet worden gerekend met de management fee van € 150.000,-, omdat partijen daarvan hebben geleefd. De vrouw stelt subsidiair dat moet worden uitgegaan van zijn jaaropgaaf over het jaar 2024, waarop een jaarloon staat genoemd van € 93.761,-, en van een dividenduitkering/eindejaarsbonus van € 15.000,- in 2024 die staat genoemd in de waardeberekening aandelen van [bedrijf X] . De man voert gemotiveerd verweer.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar primaire standpunt. Een management fee kan immers niet één op één als inkomen worden beschouwd. De management fee betreft een bezoldiging aan een rechtspersoon en niet aan een natuurlijke persoon. Verder is nergens uit gebleken dat partijen hebben geleefd van dit bedrag. Omdat de vrouw zich wel op dit standpunt stelt, had het op haar weg gelegen om dit inzichtelijk te maken maar dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank volgt de vrouw wel in haar subsidiaire standpunt ten aanzien van de jaaropgaaf. Met de dividenduitkering/eindejaarsbonus 2024 zal de rechtbank echter geen rekening houden. De man heeft met een accountantsverklaring voldoende onderbouwd dat deze dividenduitkering is gereserveerd voor bonussen voor het personeel. maar niet voor de man (productie 10). De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze verklaring.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man over het jaar 2024 aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2024, waarop een jaarloon staat genoemd van € 93.761,-, op € 4.904,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

Inkomen vrouw

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw over het jaar 2024 € 63.480,- bedroeg. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de vrouw over het jaar 2024 aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2024, waarop voormeld jaarloon staat genoemd, op

€ 3.980,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting

De rechtbank becijfert het NBGI van partijen dus op € 8.884,- per maand.

De behoeftetabel is gemaximeerd tot een bedrag van € 6.000,-.

De vrouw stelt dat de behoefte van de minderjarige geëxtrapoleerd moet worden door volgens de stappen in de tabel door te tellen tot het daadwerkelijke NBGI van partijen. De man voert gemotiveerd verweer.

In het kader van de voorlopige voorzieningen is een vergelijkbaar standpunt ingenomen door de vrouw. De rechtbank heeft toen het volgende overwogen:

“2.3.7. (…) In de uitspraak van de Hoge Raad van 4 december 2015 ECLI:NL:HR:2015:3479) overweegt de Hoge Raad dat het niet voor de hand ligt dat de behoefte bij een netto maandinkomen van € 11.164,- gelijk zou zijn aan de behoefte bij het hoogste destijds in de tabel voorkomende netto maandinkomen van € 5.000,- of meer. Uit PHR:2023:1120 blijkt dat het hof in die zaak overweegt dat hoe hoger het werkelijke gezinsinkomen uitstijgt boven het hoogste tabelbedrag, hoe minder kan worden volstaan met forfaitaire bedragen en hoe meer maatwerk is geboden. Dat blijkt ook uit een artikel in het Echtscheidingsbulletin (EB 2012/29):

Er is sprake van een glijdende schaal: hoe hoger het inkomen, hoe groter de verwijdering van de onderzoeksresultaten van het CBS, hoe minder kan worden volstaan met forfaitaire bedragen en hoe meer maatwerk is geboden. Samengevat: bij gezinsinkomens lager dan € 5000 netto per maand wordt volstaan met de Nibud-tabellen (confectiewerk), bij gezinsinkomens hoger dan € 5000 netto per maand wordt aangesloten bij het eigen aandeel in de kosten van een kind dat voortvloeit uit een gezinsinkomen van € 5000 netto per maand, vermeerderd met middels justificatoire bescheiden aantoonbaar hogere kosten (pret-a-porter), en bij buitensporig hoge inkomens is maatwerk, door middel van behoeftelijstjes, noodzakelijk (haute couture).

De vrouw heeft niet althans onvoldoende voldaan aan haar stelplicht. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar stellingen met stukken te onderbouwen. Als het bijvoorbeeld gaat om vakanties en uitjes dan had van de vrouw verwacht mogen worden dat zij inzichtelijk zou maken om wat voor vakanties het ging en bijvoorbeeld vliegtickets of foto’s te overleggen. Het maakt een verschil of partijen zes maal per jaar voor meerdere weken naar exotische buitenlandse bestemmingen vlogen of een midweek naar een vakantiehuisje in Nederland gingen. Dat had de vrouw prima inzichtelijk kunnen maken. Omdat zij dit niet heeft gedaan, stelt de rechtbank de behoefte van de minderjarige vast op een bedrag van € 937,- per maand.”

De vrouw heeft in deze procedure als nadere onderbouwing foto’s met een korte toelichting overgelegd van reizen tijdens het huwelijk (productie 42-45). Deze onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Op basis van enkel foto’s van gezinsvakanties en -uitjes en de summiere en globale omschrijving met slechts algemene uitgaven daaronder kan de rechtbank niet afleiden welke kosten zij voor de minderjarige hebben gemaakt. Dat betekent dat de rechtbank ook niet kan vaststellen dat en in hoeverre de behoefte van de minderjarige hoger ligt dan het maximale bedrag uit de behoeftetabel. Dat betekent dat de rechtbank de behoeftetabel zal volgen zonder te extrapoleren.

Hiervoor genoemd NBGI van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 880,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 levert dat op een bedrag van

€ 980,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.

De vrouw stelt dat zij extra kosten voor de minderjarige moet maken, die niet in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen zijn verdisconteerd en waarmee de behoefte van de minderjarige moet worden verhoogd. Het gaat om de BSO-kosten en taxikosten tussen half december 2025 en 18 juli 2026.

De rechtbank zal geen rekening houden met de BSO-kosten en de taxikosten en wel om de volgende redenen.

De BSO-kosten zijn niet zulke buitengewone kosten, dat deze niet kunnen worden gecompenseerd met andere posten of uit de vrije ruimte voldaan kunnen worden.

De taxikosten zijn ontstaan door de omstandigheid dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, is gaan samenwonen met haar partner in een ander deel van de stad – ver weg van de huidige basisschool van de minderjarige – en de structurele (tijds- en emotionele) belasting van het op en neer fietsen tussen haar woning en de school in combinatie met haar werk en de druk van de (scheidings)procedures niet meer kon dragen. De vrouw verwijt de man dat hij zijn toestemming heeft gegeven voor de verhuizing maar heeft geweigerd voor de schoolwisseling en om mee te werken aan het halen en brengen. In de optiek van de rechtbank zijn de nadelige consequenties van de verhuizing van de vrouw echter het risico dat zij heeft genomen door te verhuizen zonder toestemming voor de schoolwisseling. Daarbij vallen de periode en frequentie waarin deze taxikosten voorkomen te overzien, omdat de vrouw ook mensen in haar netwerk bereid heeft gevonden om de minderjarige te halen en te brengen en omdat de vrouw per 1 september 2026 vervangende toestemming heeft voor de schoolwisseling. De rechtbank heeft ook meegewogen dat de vrouw niet in financiële nood zal komen, gelet op wat haar in het kader van de verdeling toekomt. Om dezelfde redenen zal de rechtbank het voorwaardelijke verzoek van de vrouw over de taxikosten afwijzen.

Draagkrachtberekening

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.

Hiertoe moet eerst het huidige NBI van partijen vastgesteld worden.

Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.

Draagkracht man

Tussen partijen is de hoogte van het inkomen in geschil. Het primaire standpunt van de vrouw dat rekening moet worden gehouden met de management fee van € 150.000,- wordt om dezelfde redenen die hierboven onder 3.6.12 zijn overwogen, niet gevolgd. Wel constateert de rechtbank net als de vrouw dat de inkomensgegevens van de man over het jaar 2025 ontbreken. Niet is gesteld of gebleken dat de onderneming van de man financieel is verslechterd. Daarom zal de rechtbank het huidige jaarloon van de man bij benadering vaststellen door het jaarloon van de man van € 93.761,- over het jaar 2024 te indexeren naar het jaar 2025. Dat levert een bedrag van (afgerond) € 99.855,- op. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van dit (geschatte) jaarloon op € 5.221,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [5.221 – (0,3 x 5.221 + 1.365)] en bedraagt € 1.603,- per maand.

De rechtbank zal geen extra lasten in de draagkrachtformule meenemen. Weliswaar stelt de man dat er een rekening-courantschuld is en dat er twee leningen aan partijen zijn verstrekt, maar het lag op de weg van de man om inzichtelijk te maken op welke wijze deze schuld meegenomen moet worden en op welke wijze wordt afgelost. Zonder die onderbouwing kan de rechtbank geen acht slaan op deze schulden, zodat zij in de alimentatieberekening buiten beschouwing worden gelaten.

Draagkracht vrouw

Tussen partijen is de hoogte van het inkomen van de vrouw in geschil. Omdat de vrouw ziek is en het nog onduidelijk is hoe haar herstel en re-integratie gaan verlopen, stelt zij dat net als in de voorlopige voorzieningenprocedure uitgegaan moet worden van haar loonstrook over oktober 2025. Daarbij is haar salaris van € 5.617,49 per maand verminderd met het onbetaald ouderschapsverlof van € 2.484,69 dat zij opneemt. Op die manier is in de voorlopige voorziening gerekend met een inkomen van € 3.132,-. De vrouw voert ook aan dat een werkweek van 36 uur voor haar niet meer realistisch is, omdat zij het grootste deel van de zorg voor de minderjarige heeft. De man meent dat rekening moet worden gehouden met haar verdiencapaciteit. De man voert aan dat als de vrouw arbeidsongeschikt is, zij het gebruikelijke percentage van haar gebruikelijke loon doorbetaald zou moeten krijgen in plaats van onbetaald ouderschapsverlof op te nemen, zoals zij nu doet.

De rechtbank overweegt als volgt. Als de vrouw staat ziekgemeld, gaat de rechtbank ervan uit dat zij 100% van haar loon doorbetaald krijgt zoals ook is te zien in haar loonstrook over januari 2026. Daarom zal de rechtbank geen rekening houden met onbetaald ouderschapsverlof. Wel acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een werkweek die niet langer is dan 32 uur, gezien de zorg voor de minderjarige. De rechtbank zal haar loon bij een 32-urige werkweek op basis van haar jaaropgaaf over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 64.099,-, schatten op een bedrag van € 56.976,88 (64.099 / 36 uur * 32 uur). De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van een geschat jaarloon van (afgerond) € 56.977,-, op € 4.130,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 327,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [4.130 – (0,3x 4.130 + 1.365)] en bedraagt € 1.068,- per maand

De rechtbank zal geen rekening houden met de werkelijke woonlasten van de vrouw. De vrouw heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de feitelijke lasten zijn die de vrouw aan haar partner voldoet.

Draagkrachtvergelijking

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen van € 2.671,- per maand hoger is dan de behoefte van de minderjarige van € 980,- per maand, moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 1.603 / € 2.671 x € 980 = € 588

het deel van de vrouw bedraagt: € 1.068 / € 2.671 x € 980 = € 392 +

samen € 980

Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 588,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 392,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gezien de nu vast te stellen zorgregeling van één weekend per 14 dagen en de helft van alle schoolvakanties stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld meer dan twee, maar minder dan drie dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige. Omdat deze situatie tussen een zorgkorting van 25 en 35% in zit, zal de rechtbank bij uitzondering een zorgkorting van 30% toepassen.

Omdat de behoefte van de minderjarige € 980,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 294,- per maand.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man van € 588,- verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 294- per maand.

Conclusie

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 294,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Partnerbijdrage

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot een partnerbijdrage afwijzen. Vaststaat dat de vrouw momenteel samenwoont met haar huidige partner als ware zij gehuwd. Dit was ook het standpunt dat de vrouw tot aan de mondelinge behandeling heeft ingenomen. Weliswaar heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij vanwege de grote wissel die de procedures hebben getrokken op het samenwonen inmiddels behoefte heeft aan een eigen woning, maar de rechtbank kan niet vooruitlopen op een onzekere toekomstige gebeurtenis. De vrouw heeft te weinig concrete plannen aangevoerd om daarvan uit te kunnen gaan.

Verdeling

De man verzoekt naar de rechtbank begrijpt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap te gelasten zoals door hem is voorgesteld in zijn inleidend verzoekschrift onder punten 29 tot en met 55.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap te gelasten zoals door de vrouw is opgenomen in punten 48 tot en met 65 van haar verweerschrift en zoals door haar opgenomen onder VIII. in haar aanvullend verzoekschrift van 13 februari 2026.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.

Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

Omdat partijen bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de Nederlandse nationaliteit gemeenschappelijk hadden en zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd, is Nederlands recht van toepassing.

Huwelijksregime

Omdat het huwelijk is gesloten tussen 1 januari 2012 en 1 januari 2018 en zij geen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld, zijn partijen in gemeenschap van goederen gehuwd.

Peildatum

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 27 november 2024.

Bestanddelen

Volgens partijen of één van hen bestaat de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:

Goederen:

echtelijke koopwoning aan de [adres 1] te Rotterdam;

woning aan de [adres 2] te Rotterdam;

inboedel;

auto van het merk Nissan en Tesla;

ondernemingen van de man;

saldi bank- en spaarrekeningen;

lijfrentepolis;

Schulden:

hypotheekschulden;

rekeningcourantschuld;

schuld aan de heer [persoon B] ;

schuld bij de buren;

schuld bij makelaarskantoor [kantoor X] .

Peildatum waardering

Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.

Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Voor een vordering vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de vordering op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de vordering na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

Echtelijke woning aan de [adres 1] te Rotterdam (a.)

Partijen zijn het erover eens dat er geen beslissing meer nodig is over deze woning.

Woning aan de [adres 2] te Rotterdam (b.)

Partijen zijn het erover eens dat deze woning onderdeel is van de (ontbonden) gemeenschap.

Alleen de man wenst de woning toegedeeld te krijgen. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de woning eerst getaxeerd moet worden. Wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen makelaar voor taxatie van de woning, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw drie erkende makelaarskantoren (NVM-Makelaars) en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Als de man binnen één week zonder opgaaf van redenen geen makelaar heeft gekozen, kiest de vrouw een makelaar.

De woning zal op grond van de redelijkheid en billijkheid worden getaxeerd op de datum van ontbinding van de gemeenschap (27 november 2024), omdat de man sindsdien alle woonlasten heeft betaald. De rechtbank acht deze peildatum ook passend, omdat partijen het erover eens zijn dat de peildatum voor de omvang van de hypotheek ook is gelegen op de datum van ontbinding van de gemeenschap. Dat betekent dat voor zover de hoogte van de hypotheek na deze peildatum is veranderd, het positieve of negatieve verschil geen onderdeel uitmaakt van de gemeenschap. De rechtbank verwijst naar wat daarover is opgenomen onder rechtsoverweging 3.7.12.

De woning zal voor de getaxeerde waarde worden toegedeeld aan de man, onder de voorwaarde dat hij binnen vier maanden (na ontbinding van het huwelijk) de financiering rond heeft, zodanig dat de wederpartij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.

Wanneer het de man niet lukt om de financiering binnen vier maanden rond te krijgen, dan moet de woning verkocht worden.

De kosten van de notaris worden door partijen bij helfte gedragen.

De onder- of overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op de peildatum van 27 november 2024 minus (verkoop)kosten) worden in alle voorgaande situaties door partijen bij helfte gedragen of gedeeld.

Inboedel woning [adres 1] en inboedel woning [adres 2] (c.)

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een regeling getroffen, die inhoudt dat de inboedel zonder nadere verrekening is verdeeld en dat ieder zijn/haar eigen inboedelgoederen behoudt. De rechtbank zal die overeenstemming opnemen.

Auto’s van het merk Nissan en Tesla (d.)

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er geen beslissing meer nodig is over de Nissan.

De Tesla zal worden toegedeeld aan de man, omdat vaststaat dat deze auto in gebruik is bij de man. Tussen partijen is de waarde in geschil. De rechtbank volgt de door de man gestelde waarde van € 20.000,-, omdat deze waarde is bevestigd door de accountant (productie 10), terwijl de door de vrouw gestelde waarde van € 37.097,- is berekend via een online tool en is ingevuld met een ongemotiveerde en niet met stukken onderbouwde kilometerstand. Dat betekent dat de helft van € 20.000,- moet worden verrekend met de vrouw.

Ondernemingen van de man (e.)

Partijen zijn het erover eens dat de aandelen worden toegedeeld aan de man tegen een netto waarde van € 1.036.408,- onder verrekening van de helft met de vrouw. De rechtbank beslist op die manier.

Saldi betaal- en spaarrekeningen (f.)

Volgens partijen of één van hen vormen de saldi op de volgende betaal- en spaarrekeningen onderdeel van de gemeenschap:

[rekeningnummer 1] ten name van beide partijen;

[rekeningnummer 2] ten name van de vrouw;

[rekeningnummer 3] zilvervloot van de minderjarige;

[rekeningnummer 4] spaarrekening ten name van de vrouw;

[rekeningnummer 5] spaarrekening ten name van de vrouw;

[rekeningnummer 6] spaarrekening ten name van de vrouw;

Betaalrekening Rabobank [rekeningnummer 7] ; ten name van de man;

Spaarrekening Rabobank [rekeningnummer 8] ; ten name van de man;

KNAB-rekening met onbekend nummer.

In afwijking van het bovenstaande, blijft de zilvervloot van de minderjarige met nummer [rekeningnummer 3] buiten de verdeling van de gemeenschap.

Tussen partijen staat het bestaan van de KNAB-rekening ter discussie. De vrouw stelt dat die rekening ook bestaat. De man betwist dat. De rechtbank heeft onvoldoende concrete aanwijzingen om deze rekening in de verdeling te betrekken. De rechtbank benadrukt dat als op enig moment blijkt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot verbeurt.

Dat de overige rekeningen onderdeel vormen van de gemeenschap, staat niet ter discussie. De rechtbank beslist als volgt. Partijen zullen elkaar over en weer inzage geven in de hoogte van de saldi op de peildatum van ontbinding van de gemeenschap. Partijen zullen elk hun eigen rekeningen voortzetten. De en/of rekening zal worden opgeheven, als dat nog niet is gebeurd. Partijen zullen positieve saldi gelijkelijk verdelen en negatieve saldi gelijkelijk dragen.

Lijfrentepolis (g.)

Partijen zijn het erover eens dat de lijfrentepolis wordt toegedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de waarde met de vrouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de daaraan verbonden Aanmerkelijk Belang-claim (hierna: AB-claim).

Bij het bepalen van de waarde van de lijfrentepolis die in de verdeling moet worden betrokken, moet rekening worden gehouden met de daaraan verbonden AB-claim, vergelijkbaar met de situatie waarin sprake is van het uitkeren van dividend of bij het vervreemden van aandelen. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.

In navolging van de Hoge Raad (HR 24 februari 2006, ECLI:NL:2006:AU6095 en HR 23 februari 2018, ECLI:NL:2018:281) wordt deze latente belastingclaim op dezelfde wijze gewaardeerd als het onderliggende vermogensbestanddeel waarover belasting zal worden geheven.

De rechtbank beslist dat bij de verdeling van de waarde van de lijfrentepolis de datum van feitelijke verdeling als uitgangspunt wordt genomen, zodat voor de berekening van de daarop in mindering te brengen belastingclaim ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op die peildatum wordt verschuldigd. De AB-claim die daarbij in aanmerking wordt genomen is 24,5%, gebaseerd op de door de man gestelde hoogte van de lijfrentepolis van ongeveer € 24.000,-.

Het voorgaande betekent dat de man de vrouw inzage moet geven in de waarde van de lijftentepolis op de datum van feitelijke verdeling.

De ‘verrekening’ van de waarde ziet dus op de waarde die aan de vrouw wordt vergoed ter hoogte van de helft van de waarde van de lijfrentepolis op de datum van feitelijke verdeling minus belastinglatentie van de lijfrentepolis die aan de man wordt toegedeeld. Voor de man levert dat een persoonsgebonden aftrekpost op, op grond van artikel 6.3 lid 1 letter d Wet IB 2001. De vrouw dient wat zij ontvangt als een periodieke uitkering in haar aangifte inkomstenbelasting als inkomen aan te geven, op grond van artikel 3.102 lid 3 letter b Wet IB 2001. Hiermee moet dus eveneens rekening gehouden worden.

Hypotheekschulden (h.)

Partijen zijn het erover eens dat de hypotheekschuld voor de woning aan de [adres 1] van € 124.350,- door partijen gelijkelijk wordt gedragen. De rechtbank beslist op die manier.

In geschil is de onderlinge draagplicht van de hypotheekschuld voor de woning aan de [adres 2] . De man stelt dat partijen gelijkelijk draagplichtig zijn voor deze schuld ter hoogte van in totaal € 259.114,87. De vrouw betwist dat, omdat zij zich niet herinnert dat zij daarvoor heeft getekend. De man onderbouwt zijn stelling met een door de vrouw op 2 maart 2021 mede ondertekende leningsovereenkomst. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vrouw dat haar handtekening een automatisch gegenereerde handtekening betreft, omdat zij ter onderbouwing van andere standpunten in deze procedure ook digitaal ondertekende stukken heeft ingediend (zoals productie 52, 89 en 100). Dat de vrouw zich deze overeenkomst niet kan herinneren, zegt nog niet dat de overeenkomst niet (rechtsgeldig) is gesloten. Niet is gesteld of onderbouwd dat de handtekening van de vrouw zonder haar medeweten of toestemming is gebruikt.

Rekening-courantschuld (i.)

Tussen partijen is de hoogte van de rekening-courantschuld die in de verdeling wordt betrokken, in geschil. De man wijst op zijn productie 6, waaruit een bedrag van € 79.964,72 blijkt. De vrouw verweert zich tegen dat standpunt, omdat de vrouw altijd is uitgegaan van een hoogte van € 43.500,-, de man pas bij zijn verweerschrift op 3 maart 2026 het standpunt heeft ingenomen dat de hoogte € 79.964,72 bedraagt en de hoogte is opgelopen door de advocaatkosten van de man. De vrouw meent dat de advocaatkosten van ongeveer € 8.000,- in mindering moeten worden gebracht op de hoogte.

De rechtbank constateert dat de rekening-courantschuld op 31 december 2024

€ 79.964,72 bedroeg. De rechtbank zal op grond van de redelijkheid en billijkheid het standpunt van de vrouw volgen, zodat de vrouw niet voor de helft meebetaalt aan de advocaatkosten van de man. Deze advocaatkosten zijn in totaal € 2.660,06 + € 1.052,94 +

€ 4.599,69 = € 8.312,69. Voor zover de vrouw meent dat ook andere posten in mindering moeten worden gebracht, had het op haar weg gelegen om aan de hand van productie 6 te concretiseren welke posten en welke bedragen dat zijn, maar dat heeft zij nagelaten.

De rekeningcourantschuld van € 79.964,72 bedraagt minus de advocaatkosten van

€ 8.312,69 in totaal € 71.652,03.

De rechtbank beslist dat de rekening-courantschuld ter hoogte van € 71.652,03 door partijen gelijkelijk wordt gedragen.

Schulden aan de heer [persoon B] , bij de buren en bij makelaarskantoor [kantoor X] (j., k. en l.)

Partijen zijn het erover eens dat deze schulden zijn afgelost. Dat betekent dat daarover geen beslissing meer nodig is.

Verrekenposten

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man verschillende bedragen aan de vrouw moet voldoen.

De man voert gemotiveerd verweer.

Overeenstemming

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de aanslag en teruggaaf inkomstenbelasting 2024. De rechtbank zal de onderling getroffen regeling opnemen in de beschikking.

Na de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de woonlasten, namelijk over de hypotheeklasten van de [adres 1] , de rentelasten van de leningen van [bedrijf X] . samenhangende met de [adres 1] en de [adres 2] , de gemeentelijke eigenaarslasten van beide adressen en de overige eigenaarsbelastingen/eigenaarsheffingen van beide adressen. De rechtbank zal de onderling getroffen regeling opnemen in de beschikking.

Geschilpunten

Gezien de bereikte overeenstemming resteren nog geschilpunten over:

het vonnis van 23 juni 2025;

het vonnis van 7 augustus 2025;

hypotheeklasten en overige lasten [adres 2] ;

e contractuele boete voor de woning aan de [naam locatie] .

Vonnissen van 23 juni 2025 en 7 augustus 2025 (a. en b.)

Omdat beide vonnissen op grond van art. 430 lid 1 Rv al een executoriale titel geven, heeft de vrouw geen belang bij een beslissing hierover. Voor zover dwangsommen zijn verbeurd, heeft de vrouw evenmin belang bij een beslissing omdat zij in zo’n geval kan overgaan tot inning (zie artikel 611c Rv).

Hypotheeklasten en overige lasten Katendrechtsestraat (c.)

De rechtbank zal dit verzoek op basis van de stelplicht afwijzen. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd om welke lasten dit gaat.

Contractuele boete [naam locatie] (d.)

De vrouw meent dat de man volledig aansprakelijk is voor deze contractuele boete en dat hij haar een bedrag van € 17.500,- moet voldoen. Voor zover hier nog een geschil over bestaat, is de rechtbank van oordeel dat de behandeling daarvan onredelijk vertragend voor deze procedure is en dat partijen een zaak daarover moeten aanbrengen bij het team Handel van de rechtbank.

Proceskosten

De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de proceskosten.

De man voert gemotiveerd verweer.

Het uitgangspunt in familiezaken is dat proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, vanwege de relatie. De rechtbank ziet gaan aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat zou anders kunnen zijn als een echtgenoot een procedure aanbrengt om met het enkele doel de ander te schaden, maar dat het partijen niet is gelukt om de gevolgen van de echtscheiding in onderling overleg af te wikkelen, kwalificeert niet als misbruik van de rechtsgang. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/690138 / FA RK 24-8845:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 16 januari 2017 te Rotterdam;

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;

stelt vast dat de minderjarige in het kader van de voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zijn als volgt;

- in de even weken: van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;

- in de oneven weken: van donderdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school;

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de definitieve vakantieregeling hebben getroffen, die inhoudt dat:

tijdens de voorjaarsvakantie is de minderjarige in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

tijdens de meivakantie is de minderjarige:

- in de eerste week: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

- in de tweede week: in even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

- tijdens de zomervakantie is de minderjarige:

- in de oneven jaren: in week 1 bij de man, in week 2 bij de vrouw, in week 3 en 4 bij de man en in week 5 en 6 bij de vrouw;

- in de even jaren: in week 1 bij de vrouw, in week 2 bij de man, in week 3 en 4 bij de vrouw en in week 5 en 6 bij de man;

- tijdens de herfstvakantie is de minderjarige in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

- tijdens de kerstvakantie is de minderjarige:

o in de eerste week (inclusief beide kerstdagen) vanaf de vrijdag voor de kerstvakantie (dus laatste schooldag) uit school tot één week later zaterdag 09.30 uur: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

o in de tweede week (inclusief Oud en Nieuw) vanaf zaterdag 09.30 uur tot één week later zaterdag 09.30 uur: in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw. Daarna bij de ouder wiens weekend het is volgens het reguliere schema;

op zijn verjaardag is de minderjarige: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, waarbij geldt dat de minderjarige op de dag van zijn verjaardag vanuit school (of vanaf 14:00 uur) tot de volgende dag naar school (of tot 08:30 uur) bij die ouder zal zijn waar hij volgens de regeling dat jaar op zijn verjaardag is;

tijdens Sinterklaas is de minderjarige tijdens de oneven jaren bij de vrouw en tijdens de even jaren bij de man, waarbij geldt dat de minderjarige op de dag van Sinterklaas vanuit school (of vanaf 14:00 uur) tot de volgende dag naar school (of tot 08:30 uur) bij die ouder zal zijn waar hij volgens de regeling dat jaar tijdens Sinterklaas is;

tijdens Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Pinksteren en Koningsdag, verjaardag van opa en oma en studiedagen van school is de minderjarige bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere of vakantieregeling is;

tijdens Moederdag is de minderjarige bij de vrouw en tijdens Vaderdag bij de man;

waarbij de wisselmomenten – tenzij hierboven anders aangegeven – voor en na schooltijd plaatsvinden;

waarbij de wisselmomenten in de schoolvakanties als volgt zijn:

vakanties van één week

- van vrijdag 14:00 uur (na schooltijd) voorafgaand aan de vakantie tot maandag 08:30 uur (brengen naar school);

vakanties van twee weken of langer (zoals mei- en kerstvakantie)

- Eerste periode: van vrijdag 14:00 uur (na schooltijd) voorafgaand aan de vakantie tot zaterdag 09:30 uur (einde eerste weekend);

- Tweede periode: van zaterdag 09:30 uur (aanvang tweede weekend) tot maandag 08:30 uur (brengen naar school).

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 294,- per maand;

wijst af het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man een bedrag van € 600,- per maand moet voldoen naast de vast te leggen kinderbijdrage voor de periode van 1 december 2025 tot 1 september 2026;

wijst het verzoek van de vrouw om een uitkering tot levensonderhoud aan haar ten laste van de man af;

en voordat verder wordt beslist:

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het ouderlijk gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht wordt aangehouden tot 1 februari 2027 PRO FORMA;

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over het ouderlijk gezag en de zorg- of omgangsregeling en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

verzoekt de griffier een afschrift van deze beschikking en van de relevante processtukken te doen toekomen aan de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht;

bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/694423 / FA RK 25-1176:

gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres 2] , de saldi van de bank- en spaarrekeningen en de lijfrentepolis als volgt:

Woning aan de [adres 2] te Rotterdam

de woning wordt getaxeerd tegen de waarde op de datum van ontbinding van de gemeenschap (27 november 2024). Wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen makelaar voor taxatie van de woning, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw drie erkende makelaarskantoren (NVM-Makelaars) en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Als de man binnen één week zonder opgaaf van redenen geen makelaar heeft gekozen, kiest de vrouw een makelaar;

de woning wordt toegedeeld aan de man tegen de taxatiewaarde onder de opschortende voorwaarde dat de man in staat is deze toedeling binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk te financieren, zodanig dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;

als het de man niet lukt om de financiering tijdig rond te krijgen en/of te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dan moet de woning worden verkocht aan een derde. In dat geval verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:

- geven van de opdracht tot verkoop aan een door partijen gezamenlijk ingeschakelde makelaar, die op dezelfde manier als hierboven beschreven onder a. zal worden geselecteerd, waarbij de tweewekentermijn ingaat vanaf het moment onder c. beschreven;

- aanleveren van door de makelaar verzochte documenten,

- betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,

- leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

- meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,

- meewerken aan geplande bezichtigingen,

- zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,

- alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,

- het tekenen van de koopovereenkomst,

- het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.

Bij dit alles geldt nog het volgende:

- voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,

- in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,

- partijen dragen de aan de verkoop en overdracht verbonden kosten ieder bij helfte,

- als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,

- met de verkoopopbrengst van de woning wordt de hoogte van de hypothecaire geldlening op de peildatum van 27 november 2024 afgelost;

d. de onder- of overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op de peildatum van 27 november 2024 minus (verkoop)kosten) worden in alle voorgaande situaties door partijen bij helfte gedragen of gedeeld;

Saldi betaal- en spaarrekeningen

- de saldi van onderstaande betaal- en spaarrekeningen worden in de verdeling betrokken:

o [rekeningnummer 1] ten name van beide partijen;

o [rekeningnummer 2] ten name van de vrouw;

o [rekeningnummer 4] spaarrekening ten name van de vrouw;

o [rekeningnummer 5] spaarrekening ten name van de vrouw;

o [rekeningnummer 6] spaarrekening ten name van de vrouw;

o betaalrekening Rabobank [rekeningnummer 7] ; ten name van de man;

o spaarrekening Rabobank [rekeningnummer 8] ; ten name van de man;

partijen geven elkaar over en weer inzage in de hoogte van de saldi op de peildatum van 27 november 2024;

partijen zetten elk hun eigen rekeningen voort;

de en/of-rekening ten name van beide partijen is of wordt opgeheven;

positieve saldi worden gelijkelijk tussen partijen verdeeld;

negatieve saldi worden gelijkelijk door partijen gedragen;

Lijfrentepolis

de lijfrente polis wordt toegedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de waarde op de datum van feitelijke verdeling minus de daaraan verbonden verbonden AB-claim met de vrouw;

de man geeft de vrouw inzage in de waarde van de lijfrentepolis op de datum van feitelijke verdeling;

de man geeft het met de vrouw verdeelde ten aanzien van de lijfrentepolis bij de Belastingdienst op als persoonsgebonden aftrekpost;

de vrouw geeft het ontvangene ten aanzien van de lijfrentepolis bij de Belastingdienst op als periodieke uitkering;

bij de berekening van de onder- en overbedelingsvordering wordt rekening gehouden met deze aftrekpost en IB-claim;

stelt de verdeling van de inboedel, de auto van het merk Tesla, de onderneming van de man, de rekening-courantschuld en de hypotheekschulden vast als volgt:

Inboedel woning

de inboedel is zonder nadere verrekening verdeeld;

elk van partijen behoudt zijn/haar eigen inboedelgoederen;

Auto van het merk Tesla

- de auto van het merk Tesla wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van

€ 20.000,- onder de verplichting de helft daarvan, zijnde € 10.000,-, aan de vrouw te voldoen;

Ondernemingen van de man

- de aandelen worden toegedeeld aan de man tegen een netto waarde van

€ 1.036.408,- onder de verplichting de helft daarvan, zijnde € 518.204,-, aan de vrouw te voldoen;

Rekening-courantschuld

- de rekening-courantschuld wordt ter hoogte van een bedrag van € 71.652,03 door partijen gelijkelijk gedragen, dus elk draagt een bedrag van € 35.826,02;

Hypotheekschulden

de hypotheekschuld voor de woning aan de [adres 1] van € 124.350,- wordt door partijen gelijkelijk gedragen, dus elk draagt een bedrag van € 62.175,-;

de hypotheekschuld voor de woning aan de [adres 2] van

€ 259.114,87 wordt door partijen gelijkelijk gedragen, dus elk draagt een bedrag van € 129.557,44;

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de verrekenposten hebben getroffen, die het volgende inhoudt:

de man voldoet de helft van de door de vrouw betaalde belastingaanslag over het jaar 2024, te weten een bedrag van € 1.758,50;

de man voldoet de helft van het door de man ontvangen belastingteruggaaf over het jaar 2024, te weten een bedrag van € 1.476,-;

de woonlasten worden bij helfte tussen partijen gedeeld over de periode 27 november 2024 tot 6 oktober 2025, waarbij onder woonlasten worden verstaan:

- de hypotheeklasten van de [adres 1] ;

- de rentelasten van de leningen van [bedrijf X] ., samenhangende met de [adres 1] en de [adres 2] ;

- de gemeentelijke lasten (eigenaarsgedeelte) van de [adres 1] en [adres 2] ;

- overige eigenaarsbelastingen/eigenaarsheffingen van de [adres 1] en [adres 2] ;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 24 april 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand