RECHTBANK ROTTERDAM
[naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoekster
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2999
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 mei 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: [naam 2] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 heeft het UWV de hoogte van verzoeksters WIA-uitkering aangepast. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het om in deze zaak?
2. Verzoekster ontvangt een WIA-uitkering. Sinds 24 november 2020 is dat een loonaanvullingsuitkering op basis van een restverdiencapaciteit van € 1.060,90 per maand. Het UWV heeft in een eerder besluit op bezwaar van 19 december 2024 bepaald dat verzoekster deze uitkering ontvangt tot en met 31 januari 2026 en dat verzoekster kort voor deze datum een besluit van het UWV ontvangt voor de periode hierna. Met het bestreden besluit heeft het UWV dat besluit genomen. Hierin heeft het UWV bepaald dat verzoekster recht heeft op een vervolguitkering. Dit betreft een administratieve omzetting van verzoeksters uitkering van een loonaanvullings- naar een vervolguitkering. Verzoeksters uitkering bedraagt vanaf 1 tot en met 28 februari 2026 € 1.139,70 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Zij heeft meerdere malen verzocht om een medische beoordeling. Verzoekster wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat haar recht op een loonaanvullingsuitkering onverminderd wordt voortgezet totdat is beslist op haar bezwaar.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met het meegestuurde overzicht van inkomsten en uitgaven niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Nu het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het UWV evident onrechtmatig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met de overgelegde medische stukken (over de toegenomen enkel- en huidklachten) niet aangetoond dat het bestreden besluit van het UWV evident onrechtmatig is.
5. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster gelet op het tijdsverloop in deze specifieke situatie lang moet wachten. De voorzieningenrechter vraagt het UWV dan ook om de zaak van verzoekster met voorrang te behandelen en binnen vier maanden een besluit op bezwaar te nemen, gelet op het tijdsverloop.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treft. Er is verder geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: