RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716587 / JE RK 26-503
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.C. van ’t Hek, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe, kantoorhoudende in 's-Gravenhage.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 17 maart 2026, ontvangen op diezelfde datum;
het gezinsplan van 1 mei 2026, ontvangen op diezelfde datum;
de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder, ontvangen op 4 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 mei 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] wordt belast met volwassenzaken en zit in een loyaliteitsconflict als gevolg van de strijd tussen haar ouders. Zij kan niet van beide ouders genieten zoals dat hoort. De ouders zijn na zes jaar nog steeds niet in staat om in het belang van [minderjarige] samen te werken. [minderjarige] heeft recht op rust, stabiliteit en veiligheid bij beide ouders. De GI wil de komende periode opvoedondersteuning inzetten voor beide ouders. Ook is het belangrijk dat er een vertrouwenspersoon voor [minderjarige] komt met wie zij haar gevoelens en ervaringen kan bespreken. Tenslotte is het belangrijk dat er een duidelijke zorgregeling komt waar de ouders zich aan kunnen houden.
4. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder wordt primair verzocht het verzoek af te wijzen. Voor een ondertoezichtstelling is vereist dat sprake is van een concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarvan is geen sprake. Het gaat goed met [minderjarige] , ook op school. In deze zaak is er sprake van een omgangsondertoezichtstelling en volgens de Hoge Raad geldt daarom een verzwaarde motiveringsplicht. Op de zitting van 30 juni 2026 zal het verzoekschrift van de moeder tot wijziging van de zorgregeling worden behandeld. Dit betreft een gedetailleerde zorgregeling die zal zorgen voor rust en duidelijkheid. De moeder is sinds vorig jaar bezig om in het kader van het Parallel Solo Ouderschap (hierna: PSO-traject) afspraken voor elkaar te krijgen. Hier zou de GI een rol in spelen, maar dit is niet van de grond gekomen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling heeft dus geen meerwaarde. Subsidiair wordt verzocht de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlengen en het overige verzochte aan te houden omdat dan de uitspraak in de bodemprocedure over de zorgregeling is gedaan.
5. Het standpunt van de vader
Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd vanwege vechtscheidingsproblematiek. [minderjarige] zit in een loyaliteitsconflict en er is een reële kans dat dit haar schade toebrengt. Dit blijkt ook uit het kindgesprek, waarin [minderjarige] heeft verteld over de last die zij ervaart van de problematiek van haar ouders. De ondertoezichtstelling loopt al zes jaar. Hieruit blijkt dat sprake is van een complexe situatie en niet enkel van een omgangsondertoezichtstelling. [minderjarige] heeft hulp gehad vanuit Agathos, maar deze is door de moeder eenzijdig beëindigd, terwijl [minderjarige] hier veel baat bij had. Wat betreft de communicatie met de moeder geldt dat het PSO-traject de communicatie tussen de ouders niet vervangt. Het beperkt de communicatie tot een minimum, maar er blijven altijd afspraken nodig. De vader wenst uitsluitend minimale, zakelijke en feitelijke communicatie, zonder verwijten. Er is een zorgregeling van 11 juni 2024 die op verzoek van de vader door de rechtbank is bepaald. Een belangrijke positieve stap is dat deze regeling sinds december 2025 wordt uitgevoerd, maar dit is nog pril. De betrokkenheid van de GI blijft dus nodig.
6. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] wordt belast door complexe echtscheidingsproblematiek tussen haar ouders. Zij zit klem tussen de ouders en bevindt zich in een loyaliteitsconflict. Dit blijkt onder andere uit het kindgesprek met [minderjarige] waarin zij aangeeft last te hebben van de situatie en niet te begrijpen waarom andere gescheiden ouders wel normaal met elkaar kunnen omgaan. [minderjarige] heeft hier veel verdriet van. De strijd tussen haar ouders en het gebrek aan onderlinge communicatie bedreigen de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] .
Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat het belangrijk is dat er een vertrouwenspersoon komt voor [minderjarige] met wie ze kan praten en bij wie ze haar gevoelens kan uiten. Ook is het van belang dat voor beide ouders opvoedondersteuning wordt ingezet die erop is gericht dat [minderjarige] in de omgang met de ouders niet wordt belast met volwassenzaken. Ten slotte zal de komende periode moeten worden gebruikt om opvolging te geven aan het ingezette PSO-traject. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om deze hulpverlening in te zetten en om regie te voeren. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig.
[minderjarige] heeft haar beide ouders nodig en het is in haar belang dat de ouders zich over hun onderlinge verschillen heen zetten en zich richten op wat [minderjarige] nodig heeft. De GI kan daarbij helpen maar de sleutel ligt bij de ouders zelf. De kinderrechter verwacht daarom van beide ouders dat zij de komende periode actief meewerken aan de hulpverlening en daartoe samenwerken met de GI.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 7 mei 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 door mr. L.L.H. Roebroek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 20 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.