chessRECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Dordrecht
[nummer]: NL:TZ:2605501:R-RK
Vonnis van 1 mei 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1], [postcode 1] te [plaatsnaam 1],
verzoeker.
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank ziet ook aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 april 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker], verzoeker,
- mevrouw C. Knigge en mevrouw V. Hendriks, schuldhulpverleners van de Sociale Dienst Drechtsteden.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de schuldenlast niet binnen afzienbare termijn in kaart kan worden gebracht. [verzoeker] heeft op wisselende adressen gewoond en is zelfs een tijd dakloos geweest. Ook zijn er schulden geweest die op een andere naam hebben gestaan. [verzoeker] heeft geprobeerd deze schulden op zijn eigen naam te krijgen. Bij één vordering is het (nog) niet gelukt om die schuld op zijn naam te krijgen.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen een afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
De toelating
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De boetes bij het CJIB, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, zijn niet te goeder trouw zijn ontstaan. De boetes bij het CJIB zijn ontstaan doordat [verzoeker] niet de vereiste WA-verzekering had afgesloten op zijn voertuig. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
In dit geval bestaat echter aanleiding om [verzoeker] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan van deze schulden, onder controle heeft gekregen. [verzoeker] heeft inmiddels een andere auto, die wel is voorzien van een WA-verzekering. [verzoeker] leaset de auto voor zakelijk gebruik. De vaste lasten van de auto worden daarom door de leasemaatschappij voldaan. Hierdoor is het voor de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat er geen nieuwe boetes meer zullen ontstaan bij het CJIB. Ook heeft [verzoeker] blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding.
Daarnaast is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op achttien maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De schuldregelingsovereenkomst is op 9 januari 2026 door [verzoeker] ondertekend. De rechtbank stelt vast dat gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject niet is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van [verzoeker]. Daardoor is gedurende die maanden een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers is in dit geval niet toe te rekenen aan [verzoeker]. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum. In de periode van het schuldhulpverleningstraject is bovendien ook aan de inspanningsverplichting voldaan. [verzoeker] heeft in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject fulltime gewerkt.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 9 januari 2026, zijnde de dag waarop de schuldregelingsovereenkomst is getekend.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1],
[postcode 1] te [plaatsnaam 1],
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te [adres 2], [postcode 2] te [plaatsnaam 2];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.T.P. Pot
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
,
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. J.T.P. Pot, rechter, in samenwerking met S.R.L.T. Peek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.