Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 12 maart 2026
op het verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaatsnaam] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 10 september 2024. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 26 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker] ,
- mevrouw A. Changur, schuldhulpverlener,
- mevrouw S. Emelina, maatschappelijk werkster.
Schuldhulpverlening heeft, op verzoek van de rechtbank, op 2 maart 2026 aanvullende stukken toegezonden.
2. De beoordeling
De toelating
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat schulden aan het CJIB en de Belastingdienst die binnen de in artikel 288 lid 1 onder b Faillissementswet bedoelde driejaarstermijn zijn ontstaan, naar hun aard in beginsel niet als te goeder trouw ontstaan worden aangemerkt en daarom aan toelating tot de Wsnp in de weg kunnen staan. De schuld aan het CJIB bestaat uit diverse boetes over de jaren 2023, 2024 en een boete uit 2025. De schuld aan de Belastingdienst heeft betrekking op motorrijtuigenbelasting uit 2023, 2024 en 2025.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoeker] , met toepassing van de hardheidsclausule, toch tot de Wsnp toe te laten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van de betreffende schulden inmiddels onder controle heeft gekregen.
Uit het dossier en het behandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat het merendeel van de boetes en de verschuldigde wegenbelasting betrekking heeft op auto’s die weliswaar op naam van [verzoeker] stonden, maar waar hij geen weet van had en waarmee hij zelf niet heeft gereden. Het betrof bedrijfsvoertuigen, die na het overlijden van de zakenpartner van [verzoeker] op zijn naam zijn gesteld zonder dat hij zich hiervan bewust was. Inmiddels staan deze voertuigen niet meer op naam van [verzoeker] en is de onderneming per 14 september 2023 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het onbetaald laten van de motorrijtuigenbelasting dan wel het laten ontstaan van nieuwe boetes acht de rechtbank in zoverre dan ook niet aan de orde.
[verzoeker] beschikt nog wel over een privévoertuig op zijn naam en er is één boete aan hem opgelegd in juli 2025. [verzoeker] heeft echter ter zitting verklaard dat hij zich ervan bewust is dat hij geen nieuwe verkeersboetes mag laten ontstaan. Hij wil graag van zijn schulden af en heeft ter zitting blijk gegeven van een saneringsgezinde houding.
Gelet op het voorgaande is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoeker] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
[verzoeker] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) vast op vierentwintig maanden. Het Wsnp traject duurt in beginsel 18 maanden. Ter zitting is met [verzoeker] besproken dat de aard van de schulden een reden kan zijn om daaraan gevolgen te verbinden. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen, gelet op de hoge schuld aan de belastingdienst inzake motorrijtuigenbelasting van totaal ruim € 16.000,- . De rechtbank zal [verzoeker] daarom in beginsel toelaten tot de schuldsaneringsregeling voor de duur van 24 maanden (zie artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet).
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank kan niet vaststellen dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan, in het bijzonder de afdrachtverplichting. In het verzoekschrift zijn weliswaar berekeningen van het vrij te laten bedrag opgenomen, maar de onderliggende stukken op basis waarvan deze berekeningen zijn gemaakt ontbreken. Hierdoor kan de rechtbank niet controleren of de berekeningen juist zijn en evenmin of [verzoeker] gedurende het minnelijke traject daadwerkelijk geen afloscapaciteit had.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste dertien maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker] .
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] -1977 te [geboorteland] ,
wonende te [adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1], [handelsnaam 2] en [handelsnaam 3];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken
en tot bewindvoerder [naam] ,
gevestigd te [postadres]
;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Franken, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.