Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 maart 2026
[verzoeker] ,
[adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 8 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van
26 februari 2026.
De schuldhulpverlener van verzoeker heeft, op verzoek van de rechtbank, op 2 maart 2026 aanvullende stukken toegezonden.
2. De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 48.021,78.
3. De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft schulden bij het CJIB ten bedrage van in totaal € 14.924,50. Het merendeel van deze schulden ziet op verkeersboetes. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat niet alle verkeersboetes door hem persoonlijk zijn veroorzaakt. Hij heeft toegelicht dat hij samen met zijn broer een onderneming heeft gehad, waarbij voertuigen op zijn naam stonden geregistreerd. Volgens verzoeker zijn in dat kader boetes opgelegd voor gedragingen waarop hij geen directe invloed had. Uit de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting blijkt echter dat een deel van de boetes betrekking heeft op het kenteken van een voertuig dat bij verzoeker privé in gebruik is. Deze boetes dateren uit de periode van 2022 tot en met december 2024. Daarmee vallen een aanzienlijk aantal boetes binnen de in artikel 288 lid 1 onder b Faillissementswet bedoelde driejaarstermijn. Deze boetes zijn aan verzoeker toe te rekenen. Dergelijke schulden worden naar hun aard niet als te goeder trouw ontstaan aangemerkt.
Daarnaast heeft verzoeker een schuld aan de Belastingdienst van € 9.879,00. Het merendeel van deze schuld bestaat uit motorrijtuigenbelasting. Motorrijtuigenbelasting is een periodieke betalingsverplichting die voortvloeit uit het op naam hebben van een voertuig. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker om, zolang een voertuig op zijn naam staat geregistreerd, tijdig aan deze fiscale verplichting te voldoen dan wel zorg te dragen voor schorsing of overschrijving van het kenteken indien het voertuig niet (meer) wordt gebruikt. Verzoeker heeft ter zitting geen omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan hem ter zake van het onbetaald laten van deze belastingschulden geen verwijt kan worden gemaakt. Ook uit deze schuldenlast is het grootste deel in de afgelopen drie jaar ontstaan, waardoor deze naar hun aard als niet te goeder trouw ontstaan worden aangemerkt.
Geen wending ten goede
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoeker een gemotiveerde houding toont, hulp krijgt van een budgetbeheerder en binnenkort de stap wil zetten naar beschermingsbewind om zijn financiele situatie verder te stabiliseren. Verzoeker is aldus op de goede weg. Deze gestelde gewijzigde omstandigheden zijn momenteel echter onvoldoende om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling waaruit blijkt dat schuldenaar greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkelingen onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) zijn om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.