RECHTBANK ROTTERDAM
Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1904
(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (het college).
(gemachtigde: mr. E. van Lunteren).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
Stichting Woonstad Rotterdam uit Rotterdam,
Bouwfonds Property Development B.V. uit Amsterdam (derde partijen)
(gemachtigde: mr. C.J. Dekker)
Procesverloop
1. Eiser heeft op 27 maart 2020 met een verzoek op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) het college verzocht om documenten openbaar te maken die zien op correspondentie, contacten en contracten (of vergelijkbare omschrijvingen) met woningcoöperatie-/woningbouwvereniging/stichting Woonstad Rotterdam (of vergelijkbare namen) over de Rotterdamse wijk de Wielewaal (of vergelijkbare omschrijvingen/namen) in 2019 en januari tot en met maart 2020.
Het college heeft bij besluit van 30 september 2020 (deelbesluit 1) en bij besluit van 8 oktober 2020 (deelbesluit 2) beslist op dit verzoek.
Eiser heeft op 29 oktober 2020 met afzonderlijke brieven bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.
Op 19 april 2022 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren.
Op 19 mei 2022 heeft het college alsnog op de bewaren van eiser beslist.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit.
Op 17 juni 2022 heeft eiser zijn gronden tegen het besluit van 19 mei 2022 ingediend. De derde partijen hebben op 15 november 2022 een schriftelijke reactie gegeven.
Bij brief van 16 december 2022 heeft het college meegedeeld zich – mede naar aanleiding van enkele recente uitspraken van de rechtbank in andere zaken en het tijdsverloop in deze zaak – nader te zullen beraden over de documenten die in dit dossier al dan niet deels niet openbaar gemaakt zijn en ernaar te streven begin maart 2023 een nader besluit bekend te maken.
Het college heeft uiteindelijk op 16 juli 2024 het besluit van 19 mei 2022 ingetrokken en opnieuw beslist op de bezwaren van eiser (bestreden besluit).
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit.
Bij brief van 18 juli 2024 heeft het college de stukken waar het verzoek om openbaarmaking op ziet in een gelakte en een ongelakte versie aan de rechtbank overgelegd met het verzoek om voor de ongelakte versie toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb, neemt alleen de rechtbank kennis van deze documenten.
Eiser heeft op 2 augustus 2024 gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde partijen hebben op 24 september 2024 schriftelijk gereageerd.
Bij brief van 16 januari 2026 heeft de rechtbank het college gevraagd om – zo nodig met een verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb – de zienswijzen van de derde partijen, in ieder geval de in het bestreden besluit genoemde zienswijzen van 10 oktober 2023 en 16 april 2024, over te leggen.
Het college heeft hierop bij brief van 22 januari 2026 de zienswijzen van de derde partijen van 10 oktober 2023 en 16 april 2024 overgelegd en daarbij een verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb gedaan.
De rechtbank heeft de beperkte kennisneming voorlopig gerechtvaardigd geacht. Eiser en de derde partijen hebben toestemming op basis van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Voor het college zijn verschenen gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] . Voor de derde partijen is verschenen hun gemachtigde.
Totstandkoming van en inhoud van de besluiten
2. Uit zijn onderzoek naar aanleiding van eisers Wob-verzoek is het college gebleken dat op 6 april 2020 een Wob-besluit over de Wijk Wielewaal openbaar is gemaakt. Dat besluit ziet voor een deel op eisers Wob-verzoek en daarom heeft het college besloten eisers Wob-verzoek in 2 deelbesluiten (deelbesluit 1 en deelbesluit 2) te behandelen.
Bij deelbesluit 1 verwijst het college voor zover eisers Wob-verzoek ziet op informatie over Wielewaal periode 2019 naar het besluit van 6 april 2020. Het college stelt dat de documenten van het besluit van 6 april 2020 onder de reikwijdte van dat verzoek van eiser vallen. Met het besluit van 6 april 2020 is besloten tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van 113 documenten en tot weigering van de openbaarmaking van 157 documenten (en is 1 al openbaar document voor het gemak schriftelijk overgelegd). Het college heeft aangegeven dat de weigeringsgronden zoals opgenomen in het besluit van 6 april 2020, integraal deel uitmaken van deelbesluit 1. Het college heeft verder aangegeven dat zij geen nieuwe documenten heeft aangetroffen die onder de reikwijdte van het eerste deel van eisers verzoek vallen.
Bij deelbesluit 2 heeft het college beslist op eisers Wob-verzoek dat ziet op informatie in de periode januari 2020 tot en met maart 2020. Het college heeft hierbij besloten tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van 2 documenten en tot weigering van de openbaarmaking van acht documenten.
Op de door eiser ingediende bezwaren tegen beide deelbesluiten heeft het college (uiteindelijk) bij besluit van 19 mei 2022 beslist. Daarbij zijn de bezwaren van eiser deels gegrond en deels ongegrond verklaard.
Bij het bestreden besluit van 16 juli 2024 heeft het college het besluit van 19 mei 2022 ingetrokken. In het bestreden besluit is getoetst aan de Wet open overheid (Woo). De eerdere toegepaste weigeringsgronden uit de Wob heeft het college vertaald naar de weigeringsgronden van de Woo. Het college heeft naar aanleiding van zienswijzen van de derde partijen een aantal beslissingen genomen. Zo heeft het college voor een viertal documenten beslist dat deze niet onder de reikwijdte van de Woo vallen. Ook heeft het college besloten dat een deel van de documenten informatie bevat die ziet op technische en financiële bedrijfsvoering dan wel op fabricagegegevens en daarom niet openbaar gemaakt wordt of concurrentiegevoelige informatie bevat die ziet op de financiële bedrijfsvoering die daarom niet openbaar gemaakt wordt. Ook heeft het in een vijftal documenten aanpassingen gedaan vanwege de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Verder heeft het college – mede naar aanleiding van de bezwaren van eiser – de documenten nogmaals bekeken in het licht van de weigeringsgronden van de Woo. Het college heeft zijn eerdere weigering om documenten openbaar te maken op de grond van onevenredige benadeling laten vallen. Dat heeft geleid tot openbaarmaking dan wel gedeeltelijke openbaarmaking (behoudens persoonsgegevens) van een aantal documenten. Voor het overige is het college gebleven bij zijn weigering om documenten (gedeeltelijk) openbaar te maken vanwege de economische en financiële belangen van de gemeente en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de door eiser ingediende gronden van beroep of het bestreden besluit in stand kan blijven.
Op de zitting is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers bezwaren ingetrokken. De rechtbank zal bij de einduitspraak beslissen over de proceskostenvergoeding en het griffierecht.
Op de zitting is ook het beroep tegen het besluit van 19 mei 2022 ingetrokken. Verder heeft eiser bevestigd dat het beroep niet ziet op de weigering tot openbaarmaking van persoonsgegevens en heeft hij de beroepsgrond die ziet op de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid aanhef onder e, van de Woo ingetrokken.
Bij de beoordeling van het beroep heeft de rechtbank kennis genomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken.
Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de rechtbank naar de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Op 1 mei 2022 is de Woo, zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo, in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is geen overgangsrecht. Nu het bestreden besluit na 1 mei 2022 is genomen, is de Woo hierop van toepassing.
Valt een aantal documenten niet onder de reikwijdte van de Woo?
4. Eiser betwist de beslissing van het college dat een viertal documenten (81a en 96a van inventarisatielijst deel 1 van deelbesluit 1 en 74a en 86a van inventarisatielijst deel 2 van deelbesluit 1) niet onder de reikwijdte van de Woo valt. In artikel 8:79 van de Awb (over afschrift van uitspraken of processen-verbaal van mondelinge uitspraken) is immers geen sprake van ‘andere tot het procesdossier behorende stukken’. De wetgever heeft er dus uitdrukkelijk voor gekozen om voor zulke andere stukken geen bijzondere openbaarmakingsregeling te treffen. De documenten waar het om gaat zijn immers geen uitspraken of processen-verbaal van mondelinge uitspraken en zijn dus onterecht op deze grond geweigerd.
Dat betoog volgt de rechtbank niet gelet op artikel 8:79 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8.8 en de Bijlage bij artikel 8.8 van de Woo. Daaruit blijkt dat documenten ‘opgesteld als processtuk’ buiten de reikwijdte van de Woo vallen. De rechtbank heeft na kennisname van de vertrouwelijke stukken geconstateerd dat de documenten waar het hier om gaat zijn opgesteld als processtuk, zodat het college terecht heeft gesteld dat die documenten niet onder de reikwijdte van de Woo vallen. Ze zijn terecht geweigerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Weigering inzage zienswijzen
5. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de zienswijzen van derde partijen onderdeel zijn van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Eiser betwist dat de zienswijzen geheel en uitsluitend bestaan uit informatie die in het kader van de Woo door het college wordt geweigerd. Het college erkent zelf al in zijn
besluit dat in de zienswijzen een motivering wordt gegeven waarom informatie volgens
de derde partijen geweigerd zou moeten worden. Dat is op zichzelf geen informatie die in de
verzochte documenten staat die geweigerd zou moeten worden. Daarnaast gaat het college eraan voorbij dat de terinzagelegging van de zienswijzen op grond van artikel 7:4 van de Awb geen openbaarmaking is als bedoeld in de Woo. Deze bepaling is uitsluitend bedoeld om de 'equality of arms' in de bezwaar- en beroepsprocedure te garanderen. Door de zienswijzen te weigeren, met uitzondering van de informatie waar het bezwaar/beroep op ziet, wordt eiser ernstig in zijn procespositie geschaad. Hij kan de aangevoerde argumenten, die hem worden onthouden, niet weerleggen.
Het college stelt dat in artikel 7:4, zevende lid, van de Awb wordt verwezen naar de Woo in die zin dat van gewichtige redenen geen sprake is als openbaarmaking op grond van de Woo geboden is en dat in dit geval de zienswijzen (grotendeels) bestaan uit informatie die op grond van uitzonderingsgronden niet openbaar kan worden gemaakt. Over de stelling van eiser dat de terinzagelegging op grond van artikel 7:4 Awb geen openbaarmaking is als bedoeld in de Woo merkt het college op dat informatie die op deze grondslag is verstrekt, op eenvoudige wijze kan worden verspreid en op het internet kan worden geplaatst zodat hierom de zienswijzen niet worden verstrekt. Dat gaat zover dat ook namen van bijvoorbeeld vergunninghouders geheim blijven.
De rechtbank oordeelt na kennisneming daarvan dat de zienswijzen van 10 oktober 2023 en 16 april 2024 – behalve voor zover sprake is van eventuele persoonsgegevens en met uitzondering van de bijlagen bij de zienswijzen waarin de derde partijen hebben gearceerd welke informatie naar hun mening geweigerd moet worden – geen informatie bevat die op grond van uitzonderingsgronden van de Woo niet openbaar kan worden gemaakt. De rechtbank draagt het college dan ook op om deze zienswijzen zonder bijlagen in te dienen als op de zaak betrekking hebbende stukken, zo nodig gelakt waar het persoonsgegevens betreft.
Toepassing van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo
6. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat de beroepsgronden zich nu nog richten op de toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, onder f en onder i, van de Woo. Daarbij is voor document 21a (en het identieke 9a) duidelijk geworden dat het college de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo niet meer toepast.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, van de Woo
Met het bestreden besluit weigert het college (gedeeltelijke) openbaarmaking van een aantal documenten op grond van economische en financiële belangen van de overheid. Het gaat om documenten:
24b (voor gegevens die zien op onderhandelingen);
31e, 32a (informatie ziet op de onderhandelingspositie van de gemeente en is actueel);
103c, (passages van) documenten 46, 46a en 47 (informatie geeft inzicht in verhoudingen met marktpartijen en de opstelling van de gemeente daarin en de openbaarmaking van deze informatie kan gevolgen hebben voor komende onderhandelingen);
137a (document bevat gegevens die zien op ramingen of uitgangspunten of beleidsmatige en commerciële overwegingen en/of prijzen van de gemeente als marktpartij).
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo
Bij documenten 31e, 32a en 103c heeft het college openbaarmaking ook geweigerd op grond van het belang van het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder f, van de Woo
Het college weigert ook openbaarmaking van een aantal documenten, omdat deze documenten informatie bevatten die ziet op technische en financiële bedrijfsvoering dan wel op fabricagegegevens. Het gaat dan om documenten:
27a en 32a;
48b (voor de bedragen);
48d;
62a; en
79b (ook actueel) van deelbesluit 1.
Ook weigert het college openbaarmaking van documenten, omdat die concurrentiegevoelige informatie bevat die ziet op de financiële bedrijfsvoering. Het gaat dan om documenten:
31c (informatie geeft inzicht in werkwijze en bedrijfsvoering van derden en van de gemeente);
42a, 43a, 63c en 64b (voor zover dat ziet op informatie onder punt 5 eerste zin van dat document); en
63b (informatie geeft inzicht in werkwijze en bedrijfsvoering ook al is de informatie 5 jaar oud).
Het college weigert ook openbaarmaking van het schema van document 7 van deelbesluit 2, omdat dit ziet op de onderhandelingspositie van partijen.
Eiser stelt allereerst dat door de traagheid in de afhandeling door het college van deze zaak inmiddels – uitgaand van de datum van het bestreden besluit – een aanmerkelijk deel van de informatie ouder is dan 5 jaar. Het gaat eiser dan (in elk geval) om de documenten 32a, 63b, 79b en 137a van deelbesluit 1. Eiser voert – onder verwijzing naar artikel 5.3 van de Woo – aan dat het college niet (voldoende) motiveert waarom deze informatie nog steeds, na meer dan 5 jaar, geweigerd zou moeten worden. De enkele stelling dat informatie nog actueel is, is geen grond voor weigering van openbaarmaking, althans niet zonder nadere motivering.
Verder stelt eiser dat het college op geen enkele wijze inzichtelijk maakt dat het hier daadwerkelijk om technische bedrijfsvoering gaat, of welke omstandigheden maken dat gegevens die de financiële bedrijfsvoering betreffen maken dat het hier gaat om bedrijfs- en fabricagegegevens. Bedrijfsvoering van de gemeente valt volgens eiser niet onder deze uitzonderingsgrond, het gaat alleen om technische of (in beperkte gevallen) financiële bedrijfsvoering van derden. Een werkwijze valt ook niet onder deze uitzonderingsgrond.
Ook motiveert het college niet waarom openbaarmaking van de informatie de economische en financiële belangen van de overheid schaadt. Eiser betoogt verder dat de belangenafweging geheel ontbreekt: het college motiveert niet waarom de ingeroepen belangen zwaarder wegen dan het zwaarwegende belang van openbaarheid.
Toetsing door de bestuursrechter
7. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan artikel 5.1, tweede lid, van de Woo zonder terughoudendheid toetst of het door het bestuursorgaan ingeroepen andere belang dan het algemeen belang bij openbaarmaking zich voordoet. Een bestuursorgaan heeft beoordelingsruimte bij de te maken afweging tussen het algemeen belang bij openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang, waardoor de bestuursrechter de afweging van een bestuursorgaan terughoudend toetst. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Het uitgangspunt van de Woo dat er een recht op toegang tot informatie bestaat, dient in deze afweging zwaar te wegen.
De systematiek van de Woo vergt in het algemeen een belangenafweging op documentniveau, waarbij de term "voor zover" in de aanhef van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo betekent dat binnen een document moet worden beoordeeld in hoeverre de uitzonderingsgronden aan de orde zijn. Een bestuursorgaan moet in beginsel per document of per passage van een document motiveren op welke grond openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Het kan daarvan afzien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Op grond van artikel 5.1, derde lid, van de Woo dient als het verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering te bevatten. Bij een verzoek om informatie die ouder is dan 5 jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet aan de hiervoor geschetste vereisten heeft voldaan en daarmee aan de weigering om bepaalde informatie uit documenten te openbaren een ondeugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank legt dit hieronder uit.
Het college heeft in de inventarislijst niet (consequent) per document aangegeven welke uitzonderingsgrond van de Woo van toepassing is en ook niet kort aangegeven om welke informatie het gaat die niet openbaar wordt gemaakt. Ook heeft het college in de gelakte documenten niet per passage aangegeven welke uitzonderingsgrond van toepassing is en ook niet per uitzonderingsgrond een motivering gegeven. Daarmee heeft het college niet per document of passage van een document gemotiveerd waarom openbaarmaking achterwege wordt gelaten. Ook in het bestreden besluit is niet (duidelijk) aangegeven per (passage van ieder) document welke uitzonderingsgrond van toepassing is en met welke motivering. Dat laatste geldt ook voor zover in het verweerschrift en ook nog ter zitting een (nadere) motivering is gegeven voor de toepassing van een uitzonderingsgrond.
De rechtbank wijst in dit verband als voorbeeld op de documenten 42a, 43a, 63c en 64b waar het college geen uitleg geeft waarom er sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens en op de documenten 31e en 137a. In het bestreden besluit wordt voor documenten 63b, 63c, 64b en 64c gezegd dat ze niet meer worden geweigerd op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo maar er wordt niet vermeld of en op welke grond openbaarmaking wordt geweigerd. In het verweerschrift wordt gesteld dat het hier gaat om specifieke bedragen die weliswaar van project/situatie tot project/situatie kunnen verschillen, maar waarbij toch andere partijen eventueel in de toekomst hun voordeel kunnen doen door hier naar te verwijzen. Dit raakt de onderhandelingspositie van de gemeente, aldus het college. De financiële belangen van het bestuursorgaan zijn hier in het geding evenals het goed functioneren van de gemeente Rotterdam. Deze afweging geldt ook voor de belangen van de derde-belanghebbenden. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat het college hier de uitzonderingsgrond van artikel 5, tweede lid, aanhef onder f en/of i, van de Woo wil toepassen. Of dit echter het geval is, en welke motivering daarvoor dan per document en per passage geldt, is ook ter zitting niet (voldoende) duidelijk geworden.
Verder blijkt in het bestreden besluit niet voldoende van een afweging tussen het algemeen belang van openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. De enkele stelling in het verweerschrift dat het college – ook al komt dat wellicht niet tot uiting in alle onderdelen van het bestreden besluit – bij alle documenten in beginsel is uitgegaan van openbaarmaking en wel degelijk heeft afgewogen of openbaarmaking zou moeten prevaleren boven de weigering, is te algemeen en doet dan ook niet af aan het geconstateerde motiveringsgebrek.
Eiser stelt ook terecht dat het college niet (voldoende) motiveert waarom de hier door het college ingeroepen belangen van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid. Het college stelt in het bestreden besluit enkel dat de informatie (nog) actueel is. De motivering die in het verweerschrift en op de zitting is gegeven door het college is algemeen en ook niet toegespitst per document en per passage.
Toepassing van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo
8. Eiser heeft aangegeven dat hem niet duidelijk is of het college bij het bestreden besluit nog openbaarmaking weigert op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
In het bestreden besluit heeft het college de documenten waarvan eerder (gedeeltelijke) openbaarmaking op grond van persoonlijke beleidsopvattingen was geweigerd opnieuw bekeken en aangegeven te beslissen dat documenten niet worden geweigerd op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo.
Op de zitting is besproken dat eerder in het bestreden besluit over passages in document 32a (stuurgroep 4/2/2019) is gesteld dat de inhoudelijke passages van dit document (naast de grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder i, van de Woo) niet openbaar gemaakt worden op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het college deze grond nog wel hanteert voor document 32a. Eiser heeft terecht aangevoerd dat op dit punt het bestreden besluit niet consistent is en – naast dat de informatie ouder is dan 5 jaar en hij de actualiteit betwist – gewezen op artikel 5.2, tweede lid, van de Woo waarin is bepaald dat het bestuursorgaan de informatie kan verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Het bestreden besluit is gelet hierop niet voldoende gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
9. Zoals hiervoor is overwogen, voldoet het college niet aan de onder 7.1 genoemde vereisten en is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet het college voor de documenten waar het geschil nog op ziet:
op de inventarislijst per (relevant) document vermelden welke uitzonderingsgrond van de Woo – beperkt tot artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, onder f en onder i en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo – van toepassing is en om welke (soort) informatie het gaat die niet openbaar wordt gemaakt;
in de relevante gelakte documenten per passage aangegeven welke uitzonderingsgrond – beperkt tot artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, onder f en onder i en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo – van toepassing is en per uitzonderingsgrond een motivering geven;
duidelijk maken dat een afweging tussen het algemeen belang van openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang is gemaakt en wat de uitkomst daarvan is;
bij een verzoek om informatie die ouder is dan 5 jaar bij een weigering van die informatie motiveren waarom de in artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, onder f en onder i of in artikel 5.2, eerste lid, bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid;
bij toepassing van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo gemotiveerd beslissen of de informatie kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.
10. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op 4 weken na verzending van deze tussenuitspraak.
11. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 2 weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen 4 weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
12. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten, vergoeding van het griffierecht en het verzoek om het college te veroordelen tot een schadevergoeding wegens overtreding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden), nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzitter, en mr. J.J. Klomp en mr. C.J. Wolswinkel, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen ... op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
BIJLAGE: toepasselijke wettelijke bepalingen
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:29
1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2 Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet open overheid de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3 De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5 Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
6 Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.
Artikel 8:79 voor zover relevant
1. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak stelt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen.
2 Anderen dan partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. […]
Woo voor zover relevant
Artikel 5.1:
2 Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
[…]
b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
[…]
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
[…]
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
3 Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.
Artikel 5.2
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
Artikel 5.3
Bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid.
Artikel 8.8.
De artikelen […] 5.1, eerste, tweede […] lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
Bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid
[…]
• Algemene wet bestuursrecht: de artikelen […], 8:79, voor zover bij het bestuursorgaan berustende documenten zijn opgesteld als processtuk, […].
[…]