RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11675758 CV EXPL 25-10358
datum uitspraak: 13 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.W. Kox,
tegen
1. [gedaagde 1] , en
2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigden: mr. C.C.M. Welten en mr. L.H. Fennema.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagden] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 23 april 2025, met bijlagen 1 tot en met 7;
het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 4;
de brief van Woonbron, met bijlagen 8 tot en met 10;
de mail van [gedaagden] , met bijlagen 5 en 6;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagden] .
Op 9 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens Woonbron aanwezig de heer [naam] (medewerker Woonbron) en de gemachtigde van Woonbron. Verder waren [gedaagden] met hun gemachtigden aanwezig.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[gedaagden] huren sinds 14 maart 2011 een woning van Woonbron. Het gaat om de woning aan het [adres] in [woonplaats] . Op 22 januari 2025 is de woning door de politie doorzocht. In de slaapkamer van [meerderjarige zoon] , een meerderjarige zoon van [gedaagden] , is een explosief (aan elkaar geknutselde Cobra’s) aangetroffen. Ook is een handelshoeveelheid verdovende middelen met bijbehorende attributen aangetroffen. Woonbron wil dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. De kantonrechter wijst deze vordering af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden
Aan haar vordering heeft Woonbron – samengevat – ten grondslag gelegd dat [gedaagden] , door illegaal vuurwerk en verdovende middelen op te (laten) slaan in hun woning, hebben gehandeld in strijd met bepalingen uit de huurovereenkomst en de wet. [gedaagden] hebben de aanwezigheid van het vuurwerk in hun woning erkend, zodat reeds daaruit volgt dat zij tekort zijn geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, althans zich niet hebben gedragen als een goed huurder. Dat zij geen weet hadden van de aanwezigheid van het vuurwerk, omdat zij de slaapkamer van [meerderjarige zoon] niet controleerden, maakt dit niet anders. Van [gedaagden] mag namelijk een zekere mate van oplettendheid verwacht worden voor wat er onder hun dak gebeurt.
De kantonrechter is het met Woonbron eens dat zij niet hoeft te dulden dat een van haar woningen wordt gebruikt voor de opslag van vuurwerk en verdovende middelen. Woonbron heeft immers een taak op het gebied van leefbaarheid, in die zin dat zij bijdraagt aan de leefbaarheid van de omgeving van de door haar verhuurde woningen. De aanwezigheid van vuurwerk is een factor die de woonomgeving in negatieve zin kan beïnvloeden en is zonder meer gevaarzettend. Woonbron heeft een zwaarwegend belang bij haar wens daar tegen op te treden en een strikt beleid te hanteren. Als [gedaagden] dan toch in de woning mogen blijven, kan dit een verkeerd signaal afgeven.
Daar tegenover staat het belang van [gedaagden] bij voortzetting van de huurovereenkomst en het behoud van hun woning. [gedaagden] wonen al sinds 2011zonder vermelding van incidenten in de woning en hebben, zo hebben zij onweersproken gesteld, hun sociale en maatschappelijke leven in en om de woning opgebouwd. Een gedwongen ontruiming zou hun leven op ingrijpende wijze verstoren, waarbij de kans op het vinden van een gelijkwaardige en betaalbare alternatieve woning op de (sociale) huurmarkt klein is. [gedaagden] hebben ook gewezen op het belang van hun inwonende dochter die nog studeert en kort geleden moeder is geworden. Voor haar is het behoud van deze stabiele woonomgeving van groot belang, zodat zij voor haar baby kan zorgen en haar opleiding zonder onnodige belemmeringen kan afronden.
In het kader van de belangenafweging acht de kantonrechter van belang dat [gedaagden] hebben gesteld dat zij niets van het vuurwerk en de verdovende middelen afwisten. Hoewel [gedaagden] aangesproken kunnen worden op wat zich in de woning afspeelt, heeft Woonbron niets aangevoerd waaruit blijkt dat [gedaagden] wisten van de aanwezigheid van het vuurwerk of de verdovende middelen. Verder is ook niet gesteld of gebleken dat het vuurwerk daadwerkelijk schade heeft toegebracht aan de woning of een (negatieve) invloed heeft gehad op de omgeving.
De kantonrechter onderschrijft de ernst van de aanwezigheid van in elkaar geknutseld (zwaar) vuurwerk in een woning. Uit wat [gedaagden] hebben aangevoerd, blijkt echter dat zij inmiddels maatregelen hebben getroffen om herhaling te voorkomen. Zij hebben [meerderjarige zoon] een brief geschreven waarin hem de toegang tot de woning is ontzegd. Ook weegt mee dat een aantal buren heeft verklaard met [gedaagden] fijne buren te hebben getroffen. Na de doorzoeking in januari 2025 hebben zich ook geen incidenten in of rond de woning meer voorgedaan.
Dat alles bij elkaar genomen leidt de kantonrechter tot de conclusie dat onder de gegeven omstandigheden de belangen van [gedaagden] bij voortzetting van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan de belangen van Woonbron bij de ontbinding hiervan. De kantonrechter benadrukt dat deze uitkomst absoluut geen vrijbrief is voor de aanwezigheid van vuurwerk of verdovende middelen in welke woning dan ook, maar het gevolg is van een zorgvuldige afweging van de belangen in deze specifieke zaak.
Het voorgaande betekent dat de eisen van Woonbron worden afgewezen.
De proceskosten
De kantonrechter vindt het in de gegeven omstandigheden billijk dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de eisen van Woonbron af;
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
62574