RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
Cetorhinus Maximus B.V., uit Rotterdam, eiseres
Autoriteit Consument en Markt (de ACM)
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6678
(gemachtigde: mr. A.P. IJkelenstam en mr. I. Hermans),
en
(gemachtigden: mr. A. Bouman en mr. dr. LM. F. Hummel).
1. Deze uitspraak gaat over de door de ACM gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van eiseres om op grond van de Instellingswet Autoriteit Consument en markt (Instellingswet) en de Wet open overheid (Woo) om meer dan één document openbaar te maken over het niet-innen of kwijtschelden van door de ACM opgelegde boetes en/of andersoortige publiekrechtelijke geldschulden.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ACM niet gehouden is meer documenten openbaar te maken dan zij heeft gedaan. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot openbaarmaking van documenten. Bij besluit van 24 januari 2025 heeft de ACM één document openbaar gemaakt en de aanvraag voor het overige afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juli 2025 op het bezwaar van eiseres, heeft de ACM haar besluit van 24 januari 2025 gehandhaafd.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De ACM heeft een verweerschrift ingediend. Na verzoek van de rechtbank heeft de ACM stukken ingediend waarop de aanvraag betrekking heeft. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft alleen de rechtbank kennis genomen van de stukken waarop de weigering om openbaarmaking ziet.
6. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
7. Op 28 april 2026 heeft de ACM – zoals ter zitting met partijen is besproken – twee versies van een inventarislijst met onderwerpaanduiding ingediend van de niet openbaar gemaakte stukken. Na kennisneming daarvan ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Deze stukken vallen naar haar oordeel volledig onder het bereik van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb, zodat een nader partijendebat over dit stuk niet zinvol is.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
8. Op 13 november 2024 heeft eiseres verzocht om de openbaarmaking van alle documenten met betrekking tot het kwijtschelden of niet-innen van boetes en andersoortige publiekrechtelijke geldschulden die door marktpartijen aan de ACM zijn verschuldigd in de periode van 1 januari 2019 tot en met 13 november 2024. Het verzoek ziet op de volgende vier onderwerpen:
Tijdens een telefonisch gesprek op 3 december 2024 is het verzoek nader gespecificeerd.
9. Naar aanleiding van het openbaarmakingsverzoek heeft de ACM een document gevonden dat ziet op intern beleid met betrekking tot het kwijtschelden en niet-innen van boetes en andersoortige publiekrechtelijke geldschulden, wat valt onder het derde onderwerp van het openbaarmakingsverzoek. De ACM heeft dit document genaamd “Proces Debiteuren Vorderingen” openbaar gemaakt, geschoond van persoonsgegevens en andere vertrouwelijkheden. Voor het overige heeft de ACM het verzoek afgewezen en is bij dat besluit gebleven.
10. De ACM heeft in dit verband overwogen dat het verzoek ziet op door de ACM zelf opgestelde documenten die vallen onder het openbaarmakingsregime van artikel 12w van de Instellingswet en dat openbaarmaking in strijd komt met het belang van het aan de ACM opgedragen toezicht. De gevraagde documenten bevatten vertrouwelijke gegevens van en over partijen die betrokken zijn in handhavingsdossier van de ACM. De gegevens betreffen bovendien gevoelige informatie over de financiële draagkracht van deze partijen. De ACM hanteert als uitgangspunt dat documenten uit dit soort dossiers in beginsel niet openbaar worden gemaakt. De ACM merkt verder op dat het via de band van artikel 12w van de Instellingwet openbaar maken van gegevens in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Instellingwet de effectieve werking van de geheimhoudingsplicht niet mag ondergraven. Openbaarmaking van de gevraagde gegevens zou dit wel doen. Daarom weigert ACM integraal de openbaarmaking van deze stukken. De ACM heeft in reactie op het bezwaar voorts overwogen dat zij niet gehouden is te onderzoeken of en welke documenten zich in geanonimiseerde vorm deels wel zouden lenen voor openbaarmaking (vgl. ECLl:NL:RBROT:2025:864). Ten overvloede heeft de ACM zich beroepen op de grond voor geheimhouding onder artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de van de Woo, waaruit gelet op vaste rechtspraak volgt dat openbaarmaking kan worden geweigerd indien een bestuursorgaan diens toezichthoudende taak anders niet meer naar behoren zal kunnen uitoefenen (vgl. ECLI:NL:RVS:2015:1881 en ECLI:NL:RBMNE:2023:2217).
Standpunten van eiseres
11. Eiseres stelt voorop dat zij eerder een vergelijkbaar openbaarmakingsverzoek bij de ACM heeft ingediend, wat is afgewezen en heeft geleid tot een procedure die is geëindigd met een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:392). In die uitspraak heeft het College de uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:1948) waarin het beroep van eiseres ongegrond is verklaard, bevestigd. Onder punt 6.1 van de uitspraak van 11 juni 2024 overwoog het College echter:
“Het College overweegt allereerst dat het bij zijn beoordeling van de (wijze van) toepassing van artikel 12w van de [Instellingwet] uitgaat van de tekst van dit artikel, zoals die luidde op het moment van het nemen van het bestreden besluit. Dit betekent dat het College het huidige vijfde lid van artikel 12w van de [Instellingwet], dat pas op 1 mei 2022 in werking is getreden (Stb. 2021, 499), niet bij de beoordeling betrekt. Overigens valt niet uit te sluiten dat in de toekomst, in gevallen waarin de huidige tekst van artikel 12w van de [Instellingwet] wel van toepassing is, van een enigszins aangepast toetsingskader zal moeten worden uitgegaan als een verzoek om openbaarmaking is gedaan.”
12. Deze overweging van het College is voor eiseres aanleiding geweest om na de wetswijziging van 1 mei 2022 opnieuw een openbaarmakingsverzoek te doen. Anders dan onder de redactie van artikel 12w van de Instellingswet zoals deze ten tijde van het eerdere openbaarmakingsverzoek van CM luidde, is het naar de mening van eiseres niet langer ter vrije bepaling van de ACM of andere documenten dan boetebesluiten en bindende aanwijzingen openbaar worden gemaakt. Indien een verzoek op grond van artikel 12w, vijfde lid, van de Instellingswet wordt ingediend, zal de ACM dit verzoek inhoudelijk langs de lijnen van de weigeringsgronden van de Woo dienen af te handelen.
13. De regeling van openbaarmaking op verzoek is sinds 1 mei 2022 van toepassing. Daarbij is echter niet beoogd om de regeling van openbaarmaking op verzoek te beperken tot documenten die vanaf 1 mei 2022 zijn opgesteld. Aangezien niet in enig overgangsrecht is voorzien, kunnen openbaarmakingsverzoeken met toepassing van het huidige artikel 12w, vijfde lid, van de Instellingswet ook op documenten van voor 1 mei 2022 betrekking hebben.
14. Volgens eiseres mag de ACM niet categorisch weigeren documenten openbaar te maken meet een beroep op artikel 7 van de Instellingswet. Eiseres wijst er in dit verband op dat het College in de uitspraak van 11 juni 2024 heeft geoordeeld dat openbaarmaking van de verzochte gegevens op zichzelf nuttig en nodig is uit een oogpunt van voorlichting en transparantie. Om die reden meent eiseres dat de ACM het verzoek niet categorisch c.q. integraal mocht weigeren omdat (slechts) onderdelen van documenten informatie als bedoeld in artikel 7 van de Instellingswet bevatten. De ACM zal daarom ook per document moeten nagaan of en in hoeverre artikel 7 van de Instellingswet in de weg staat aan gedeeltelijke openbaarmaking. Dit betekent dat de ACM bepaalde documenten deels openbaar zal moeten maken.
15. Volgens eiseres staat het doel van het toezicht door de ACM niet in de weg aan openbaarmaking. In dit verband is hetgeen het College in de uitspraak van 11 juni 2024 onder 7.1. heeft overwogen van belang:
“Het College is, anders dan de ACM, van oordeel dat openbaarmaking van de verzochte gegevens over de vermeende vermindering van de betalingsverplichting van aan [naam 2] opgelegde boetes op zichzelf nuttig en nodig is uit een oogpunt van voorlichting en transparantie. Deze gegevens bieden namelijk inzicht aan consumenten en marktpartijen over de (mogelijke) handelwijze van de ACM over vermindering van boetes als een partij de boete niet dreigt te kunnen betalen. In dit kader wijst het College erop dat het belang bij openbaarmaking van gegevens over de inning van boetes minder zwaar weegt dan het belang bij openbaarmaking van sanctiebesluiten, waarvoor op grond van de artikelen 12u en 12v van de [Instellingwet] openbaarmaking in beginsel verplicht is.”
De ACM verwijst in het bestreden besluit in dit verband naar een latere uitspraak van de rechtbank (ECLl:NL:RBROT:2025:864), maar die uitspraak verwijst op haar beurt weer naar een eerdere uitspraak van de rechtbank (ECLI:NL:RBROT:2024:35), die gelet op de uitspraak van het College van 11 juni 2024 is achterhaald. De ACM zou zich in haar besluitvorming dus moeten richten op de genoemde uitspraak van 11 juni 2024.
16. Eiseres heeft hierbij aangegeven dat zij zich kan voorstellen dat eventuele bedrijfsvertrouwelijke informatie in documenten onleesbaar wordt gemaakt, maar dit betreft een andere weigeringsgrond en vereist op basis van vaste jurisprudentie over de (voormalige) Wet openbaarheid bestuur (Wob) en de Woo dat de ACM documenten passagegewijs beoordeelt en documenten niet integraal weigert. Van belang is om hierbij voor ogen te houden dat CM met haar informatieverzoek wil bereiken dat zij meer inzicht krijgt in de wijze waarop de ACM omgaat met het kwijtschelden en niet-innen van boetes.
17. Eiseres heeft in bezwaar ook gewezen op de wetstoelichting over de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woo, waaruit volgt dat de vrees voor verminderde medewerking van ondertoezichtgestelden geen aanleiding mag zijn voor het inroepen van de weigeringsgrond (Kamerstukken 2023/14, 33328, nr. 9). De ACM heeft in het bestreden besluit echter verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wob, waarin een vergelijkbare weigeringsgrond was opgenomen. Omdat eiseres in bezwaar heeft verwezen naar de wetsgeschiedenis van de Woo, is reeds om die reden het bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd.
Verweer van de ACM
18. De ACM ziet ook dat de openbaarmaking van documenten over het niet-innen van een boete nuttig en nodig kan zijn in het belang van voorlichting en transparantie. Daarom heeft zij naar aanleiding van het verzoek van CM in haar besluit van 24 januari 2025 het document genaamd “Proces Debiteuren Vorderingen” openbaar gemaakt. Dit betekent echter niet dat voor elk document het belang van openbaarheid opweegt tegen het belang van vertrouwelijkheid. In de overige documenten waar CM om verzoekt weegt het belang van vertrouwelijkheid zwaarder dan het belang van openbaarheid.
19. De aanpassing van artikel 12w van de Instellingswet per mei 2022 maakt niet dat de belangenafweging nu anders uitvalt. Met die wijziging is bepaald dat de ACM verzoeken tot openbaarmaking op grond van artikel 12w toewijst, tenzij dit in strijd komt met het doel van het toezicht van de ACM. De bescherming van in vertrouwen met de ACM gedeelde gevoelige informatie is een relevant onderdeel van dat toezicht van de ACM, zodat de afweging hetzelfde uitvalt.
20. Anders dan eiseres lijkt te stellen, doet de door haar aangehaalde overweging van het College geen afbreuk aan de uitspraken van de rechtbank van 23 januari 2025 en 10 januari 2024. In die uitspraken oordeelde de rechtbank dat de ACM verzoeken op grond van artikel 12w van de Instellingswet mocht afwijzen wanneer openbaarmaking naar het oordeel van de ACM in strijd komt met het belang van het aan de ACM opgedragen toezicht. De ACM moet in dat geval toereikend motiveren waarom zij niet overgaat tot openbaarmaking. Volgens de rechtbank deed zij dit door toe te lichten dat de weigering gebaseerd is op het uitgangspunt dat de openbaarmaking van documenten uit handhavingsdossiers in beginsel niet openbaar worden gemaakt. Openbaarmaking van dergelijke gegevens zou het toezicht van de ACM ernstig bemoeilijken. Het is aannemelijk dat partijen terughoudender zouden zijn met de verstrekking van vertrouwelijke informatie wanneer de geheimhoudingsplicht van de ACM in de praktijk wordt ondergraven door openbaarmakingsverzoeken op grond van artikel 12w voornoemd. De ACM heeft het openbaarmakingsverzoek van eiseres op dezelfde wijze gemotiveerd en heeft daarmee terecht het verzoek van CM afgewezen.
21. Ook oordeelde de rechtbank in de uitspraak van 23 januari 2025 dat de Instellingswet geen aanknopingspunten bevat voor het standpunt dat de ACM per document moet beoordelen of onderdelen daarvan (deels) wel openbaar gemaakt zouden kunnen worden.
22. Met betrekking tot de beroepsgrond van eiseres die is gericht tegen de overweging ten overvloede in het bestreden besluit dat ook toepassing van de Woo zou leiden tot weigering van openbaarmaking, stelt de ACM zich op het standpunt dat eiseres een te ruime en daarmee verkeerde uitleg geeft aan de geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij de Woo. De passage specificeert dat de grond niet van toepassing is wanneer openbaarmaking zou kunnen leiden tot vermindering van de medewerking van ondertoezichtgestelden, omdat die een medewerkingsplicht hebben. In de onderhavige zaak is echter geen sprake van informatie die is verkregen met inzet van toezichtsbevoegdheden. Er is dan ook geen sprake van een medewerkingsplicht bij de ondernemingen die de vertrouwelijke informatie aan de ACM verstrekken. In die omstandigheden zijn de overwegingen uit de door de ACM gehanteerde rechtspraak ook relevant onder de Woo en moet openbaarmaking achterwege blijven wanneer dit ertoe leidt dat een toezichthouder zijn taak niet naar behoren kan uitoefenen (zie ook ECLI:NL:RBAMS:2024:4262).
Beoordeling door de rechtbank
23. Het geschil ziet niet op het openbaar gemaakte document “Proces Debiteuren Vorderingen”, maar uitsluitend op de documenten waarvan de ACM heeft geweigerd die openbaar te maken (de onderdelen 1, 2 en 4 van het verzoek om openbaarmaking). In geschil is ten eerste of de ACM tot een andere afweging had moeten komen inzake de vraag of artikel 12w van de Instellingswet zich verzet tegen openbaarmaking van die documenten en ten tweede is in geschil of de ACM gehouden is per document na te gaan of die geheel onder het openbaarmakingsregime valt of dat passages daarvan vallen onder het openbaarmakingsregime van de Woo en, indien dit laatste het geval is, is ten derde in geschil of artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woo, zich verzet tegen openbaarmaking van die passages.
24. Welk openbaarmakingregime van toepassing is, is een vraag van openbare orde omdat het antwoord bepalend is voor de vraag of de algemene of de gespecialiseerde bestuursrechter bevoegd is (ECLI:NL:CBB:2016:169, punt 5 en ECLI:NL:CBB:2016:435, punt 5.1, in welk verband de rechtbank wijst op de artikelen 8:7 en 8:6 van de Awb en artikel 7 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak). Uit artikel 8.8 van de Woo en de daarbij behorende bijlage volgt dat geen verzoek kan worden gedaan als bedoeld in artikel 4.1 van de Woo als de informatie valt onder de artikelen 7, 12u, 12v en 12w van de Instellingswet (zie ook ECLI:NL:RBROT:2025:11225).
25. In artikel 2, tweede lid, van de Instellingswet is bepaald dat de ACM is belast met de taken die haar bij of krachtens de wet zijn opgedragen. In het vijfde lid is bepaald dat de werkzaamheden van de ACM tot doel hebben het bevorderen van goed functionerende markten, van ordelijke en transparante marktprocessen en van een zorgvuldige behandeling van consumenten. Daaronder wordt verstaan het bewaken, bevorderen en beschermen van een effectieve mededinging en gelijke concurrentievoorwaarden op markten en het wegnemen van belemmeringen daarvoor. In artikel 7, eerste lid, van de Instellingswet is bepaald dat gegevens of inlichtingen welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van een taak als bedoeld in artikel 2, tweede lid, zijn verkregen uitsluitend mogen worden gebruikt voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van die taak of van enige andere taak als bedoeld in artikel 2, tweede lid. Uit artikel 12u, vierde lid, van de Instellingswet volgt dat openbaarmaking achterwege blijft indien de openbaarmaking van de beschikking naar het oordeel van de ACM in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het aan haar opgedragen toezicht op de naleving. Artikel 12w van de Instellingswet luidt:
“1. De Autoriteit Consument en Markt kan door haar genomen andere besluiten dan beschikkingen tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie of bindende aanwijzing openbaar maken, alsmede andere documenten die door haar of in haar opdracht zijn vervaardigd voor de uitvoering van de aan haar bij of krachtens de wet opgedragen taken.
2. Gegevens die ingevolge artikel 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, van de Wet open overheid niet voor verstrekking in aanmerking komen, worden niet openbaar gemaakt.
3. Artikel 12u, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt op grond van het eerste lid besluit tot openbaarmaking van een besluit.
4. Artikel 12u, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Eenieder kan verzoeken om toepassing van het eerste lid. Het verzoek wordt toegewezen, voor zover het tweede of het vierde lid hieraan niet in de weg staan.
6. Het eerste lid is niet van toepassing, voor zover een wettelijk voorschrift de openbaarmaking regelt.”
26. Na kennisneming van de documenten en onderwerpaanduidingen daarvan is de rechtbank van oordeel dat de documenten waarvan openbaarmaking wordt geweigerd, vallen onder de reikwijdte van artikel 12w, eerste lid, van de Instellingswet. Eerder was dit voor een soortgelijke aanvraag van eiseres ook al geoordeeld in de meergenoemde uitspraak van het College van 11 juni 2024. In dit verband merkt de rechtbank op dat de stelling van eiseres ter zitting dat de inning en kwijtschelding van boetes niet valt onder de toezichttaken van de ACM moet worden verworpen. De rechtbank wijst in dit verband op de zojuist genoemde uitspraak van het College waaruit het tegendeel van de stelling van eiseres volgt.
27. Artikel 12w, eerste lid, van de Instellingswet lijkt de ACM beleidsruimte te bieden om door haar vervaardigde documenten wel of niet openbaar te maken. Gelet op het vijfde lid van artikel 12w van de Instellingswet wordt de beleidsruimte in het eerste lid echter volledig ingekleurd, zodat die neerkomt op een gebonden bevoegdheid. Uit het vijfde lid volgt immers dat het verzoek wordt ingewilligd tenzij het tweede of het vierde lid hieraan niet in de weg staan. Indien aan de toepassingsvoorwaarden wordt voldaan, moet de ACM het verzoek inwilligen. Indien niet aan de toepassingsvoorwaarden wordt voldaan, moet de ACM het verzoek afwijzen. Voor wat betreft dit laatste wijst de rechtbank op de wetsgeschiedenis, Kamerstukken II 2012/13, 33622, nr. 3, p. 62: “Randvoorwaarden voor die afweging zijn (…) dat in ieder geval van publicatie wordt afgezien indien publicatie in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door de ACM uit te oefenen nalevingstoezicht”. Bij de toepassing van artikel 12w, vierde lid, in verbinding met artikel 12u, vierde lid, van de Instellingswet komt de ACM wel beoordelingsruimte toe. Een eventuele belangenafweging zal zich dus moeten voltrekken in de beoordeling door de ACM of publicatie in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door de ACM uit te oefenen nalevingstoezicht.
28. Deze toets heeft de ACM uitgevoerd en daaruit volgt dat geen sprake is van een illusoir onderscheid tussen artikel 7 en artikel 12w van de Instellingswet, zoals eiseres stelt. Openbaarmaking van vervaardigde documenten mag de effectieve werking van de geheimhoudingsplicht uit artikel 7 van de Instellingswet niet ondergraven. Indien de ACM de gevraagde documenten openbaar zou maken, zou dat het effectieve toezicht bemoeilijken. Gelet hierop heeft de ACM kunnen oordelen dat publicatie in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het door de ACM uit te oefenen nalevingstoezicht. De rechtbank ziet niet in dat aan deze toetsing de vraag vooraf zou moeten gaan of de weigeringsgronden van artikel 5.1 van de Woo zich verzetten tegen openbaarmaking. In artikel 12w, vijfde lid, vormen de in de slotzin genoemde uitzonderingen alternatieve weigeringsgronden. De ACM heeft ter zitting verder nog terecht naar voren gebracht dat de Woo ziet op informatie en artikel 12w van de Instellingswet op documenten.
29. Gelet op het voorgaande heeft de ACM in redelijkheid kunnen oordelen dat openbaarmaking van deze documenten in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het aan haar opgedragen toezicht op de naleving, zodat de weigeringsgrond van artikel 12w, vierde lid, in verbinding met artikel 12u, vierde lid, van de Instellingswet van toepassing is. Gelet hierop heeft de ACM reeds om die reden terecht geweigerd die stukken openbaar te maken.
30. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan hetgeen de ACM ten overvloede heeft overwogen in het bestreden besluit en komt zij dus ook niet toe aan de gronden die zich daartegen richten.
Conclusie en gevolgen
31. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de ACM niet meer stukken openbaar hoeft te maken dan waartoe zij heeft besloten. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.