RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1367
en
(gemachtigde: mr. K. Verbeek).
1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de toegekende kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Eiser is het niet eens met deze ingangsdatum. De rechtbank beoordeelt de ingangsdatum aan de hand van eisers beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht heeft geoordeeld dat eiser over het eerste en tweede kwartaal van 2024 geen recht heeft op kinderbijslag, maar vanaf het derde kwartaal wel. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 27 mei 2024 kinderbijslag aangevraagd voor zijn zoon, [naam zoon] , voor de periode vanaf 1 januari 2024. De SVB heeft met het besluit van 25 juli 2024 (het primaire besluit) de helft van de kinderbijslag toegewezen vanaf het derde kwartaal van 2024. Met het besluit van 27 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft de SVB het volledige bedrag aan kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2024 toegewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser via telefoonverbinding en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser vanaf het derde kwartaal van 2024 recht heeft op (volledige) kinderbijslag. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag van eiser om kinderbijslag heeft afgewezen voor het eerste en tweede kwartaal van 2024.
4. Uit de Beleidsregel Kinderbijslagbetaling bij gescheiden huishoudens; echtscheiding en co-ouderschap (SB1096, de Beleidsregel) volgt dat als de ouders van een kind gescheiden huishoudens voeren en het kind in één van beide huishoudens woont, de ouder in wiens huishouden het kind woont recht heeft op kinderbijslag. Ook volgt uit deze beleidsregel dat voor de vraag tot wiens huishouden een kind behoort, de overeenkomst of rechterlijke uitspraak doorslaggevend is. Als de feitelijke situatie hiervan afwijkt, kijkt de SVB alleen hiernaar als deze situatie een bestendig karakter heeft. In het algemeen is hiervan sprake als de ouders de overeenkomst of rechterlijke uitspraak langer dan zes maanden niet naleven. De Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, acht deze benadering van verweerder niet onjuist.
5. Eiser en zijn ex-partner zijn een ouderschapsplan overeengekomen, dat ongedateerd is maar als bijlage bij het echtscheidingsconvenant van 7 oktober 2022 is gevoegd. In artikel 2 van deze overeenkomst is vastgelegd dat [naam zoon] zijn hoofdverblijf heeft bij de ex-partner. Eiser heeft aan zijn aanvraag om kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2024 ten grondslag gelegd dat zijn ex-partner, in afwijking van dit ouderschapsplan, op 29 december 2023 is vertrokken uit de echtelijke woning, en dat [naam zoon] vanaf dat moment bij eiser zijn hoofdverblijf heeft. Zoals onder punt 4 hierboven is toegelicht, kijkt de SVB alleen naar een dergelijke, van overeenkomst tussen de ouders afwijkende feitelijke situatie, als deze situatie een bestendig karakter heeft. Uit de Beleidsregel volgt dat sprake is van bestendigheid als het ouderschapsplan langer dan zes maanden feitelijk niet wordt nageleefd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de SVB in lijn met de Beleidsregel terecht geoordeeld dat de niet-naleving van het ouderschapsplan vanaf het eerste kwartaal van 2024 nog geen definitief karakter had en dat de feitelijke situatie pas een bestendig karakter heeft vanaf het derde kwartaal van 2024. Eiser heeft een e-mail van de school van [naam zoon] overgelegd, gedateerd op 21 november 2024. Uit deze e-mail blijkt dat eiser [naam zoon] dagelijks brengt naar en ophaalt van school, maar niet vanaf wanneer dit zo is. Ter zitting heeft de SVB verklaard dat hij het mede op basis van deze e-mail aannemelijk acht dat de feitelijke situatie een bestendig karakter heeft. Dit is een juiste beoordeling.
6. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat de SVB meer onderzoek had moeten doen naar de situatie in het eerste en tweede kwartaal van 2024. Uit het dossier blijkt dat de SVB bij zowel eiser als bij zijn ex-partner onderzoek heeft gedaan. Eiser en zijn ex-partner verklaren tegenstrijdig over het hoofdverblijf van [naam zoon] per 29 december 2023. Van de SVB kan niet worden verwacht dat hij een “partij” kiest. Dat zou ook niet in lijn zijn met de Beleidsregel. De SVB mocht daarom voor het eerste en tweede kwartaal van 2024 uitgaan van de afspraken zoals eiser en zijn ex-partner die hebben vastgelegd in het ouderschapsplan.
7. Uit wat de rechtbank heeft overwogen onder punt 5 en 6 hierboven, volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de SVB terecht de kinderbijslag heeft afgewezen voor het eerste en tweede kwartaal van 2024.
8. Ter zitting heeft verweerder verklaard te controleren of eiser voor het derde kwartaal van 2024 100% kinderbijslag heeft ontvangen, zoals de strekking is van het bestreden besluit, en hem dit te zullen nabetalen voor zover dat nog niet is gebeurd.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en over het eerste en tweede kwartaal van 2024 niet alsnog kinderbijslag krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Usmany, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.