RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Dordrecht, eiser
het Dagelijks Bestuur van GR Sociaal, het dagelijks bestuur
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5387
(gemachtigde: mr. M.A. Spek),
en
(gemachtigde: mr. T. Franssen).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om de in zijn ogen ten onrechte ingehouden bijstandsuitkering met betrekking tot zijn woonkosten over de afgelopen 3 jaar met terugwerkende kracht uit te betalen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
1. Eiser heeft op 26 januari 2025 verzocht de inhouding op zijn bijstandsuitkering van woonkosten over de afgelopen 3 jaar alsnog met terugwerkende kracht uit te betalen. Het dagelijks bestuur heeft dat verzoek met een besluit van 18 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 op het bezwaar van eiser is het dagelijks bestuur daarbij gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het dagelijks bestuur heeft met een brief van 19 januari 2026 nadere stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de zaak met een brief van 3 februari 2026 verwezen naar een enkelvoudige kamer en het dagelijks bestuur verzocht om een nadere reactie.
Het dagelijks bestuur heeft hier met een brief van 11 februari 2026 op gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het dagelijks bestuur.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
2. Het dagelijks bestuur heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat de algemene bijstand met de toekenningsbesluiten van 6 september 2021 en van 1 november 2024 terecht naar de norm voor een alleenstaande met een verlaging van 20% in verband met ontbrekende woonkosten is toegekend. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek om de norm zonder de verlaging toe te kennen opgevat als een verzoek ten aanzien van het verleden en ten aanzien van het heden. Ten aanzien van de periode van 26 april 2021 tot en met 1 maart 2024 en van 20 september 2024 tot februari 2025 heeft het dagelijks bestuur aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat op grond van de artikelen 43 en 44 van de Pw in beginsel geen bijstand wordt verleend in kosten die betrekking hebben op een periode in het verleden. De door eiser gestelde woonkosten (maandelijkse huur van € 250,- voor een garagebox en hotelovernachtingen) zijn al gemaakt en voldaan.
Ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van het actuele recht op bijstand (uitkeringsspecificatie februari 2025) heeft het dagelijks bestuur geconcludeerd dat eiser niet beschikt over een woning en dus lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet voorziet. De bijstand kan dan in beginsel met 20% van het wettelijk sociaal minimum worden verlaagd. Dit is slechts anders als eiser kosten voor verblijf moet maken zoals bijvoorbeeld een bijdrage aan de daklozenopvang. Eiser heeft aangegeven soms bij familie of vrienden te verblijven, soms in een door hem gehuurde ruimte/garagebox en af en toe in een hotel te overnachten. Het staat eiser vrij om een garagebox te huren en een hotelovernachting te boeken, maar de kosten daarvan kunnen niet als noodzakelijk in de zin van artikel 11 van de Pw worden aangemerkt.
Gronden van eiser
3. Eiser heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur bij de toekenningsbesluiten van 6 september 2021 en van 1 november 2024 ten onrechte zijn woonkosten (maandelijkse huur van € 250,- voor een garagebox en hotelovernachtingen) niet heeft betrokken. Het dagelijks bestuur is daarom in het bestreden besluit ten onrechte voorbij gegaan aan de specifieke omstandigheden waarin eiser zich bevond en nog steeds bevindt. Het dagelijks bestuur had die omstandigheden moeten aanmerken als nieuwe feiten en omstandigheden. Eiser is langdurig dakloos en dit heeft, in combinatie met de te lage uitkering, een negatieve invloed op zijn gezondheid.
4. De maandelijkse woonkosten van eiser zijn gelijk te stellen aan de kosten voor de daklozenopvang. Eiser wordt door het toepassen van een korting op de uitkering ongelijk behandeld ten opzichte van bijvoorbeeld vluchtelingen en daklozen die zijn ondergebracht in een hotel. Eiser heeft tijdens de zitting de beroepsgrond dat een gemeente altijd de mogelijkheid heeft om op grond van artikel 16 Pw bijstand toe te kennen indien zeer dringende redenen daartoe nopen, ingetrokken.
Nadere stukken in strijd met de goede procesorde?
Het dagelijks bestuur heeft op 19 januari 2026 nadere stukken ingediend. Tijdens de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat die stukken kort voor de oorspronkelijke zitting van 26 januari 2026 zijn ingediend en dat daarom sprake is van strijd met de goede procesorde. Eiser heeft ook bezwaar tegen het inbrengen van deze stukken, omdat het niet gaat om op de zaak betrekking hebbende stukken. De gemachtigde van het dagelijks bestuur heeft tijdens de zitting toegelicht dat de stukken bedoeld zijn om de rechtbank te informeren over de omstandigheid dat de bijstandsuitkering van eiser inmiddels met ingang van 6 november 2025 is ingetrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het inbrengen van deze stukken in strijd met de goede procesorde is. Eiser is bekend met de stukken, heeft voldoende gelegenheid gehad om op de stukken te reageren en op basis van deze stukken kan wel wat gezegd worden over op welke periode het verzoek tot vaststelling van het actuele recht op bijstand kan zien.
Artikel 20 van de Grondwet en artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Tijdens de zitting heeft eiser gesteld dat de daklozennorm het recht op bestaanszekerheid miskent, zoals verwoord in artikel 20 van de Grondwet. Deze stelling kan al niet slagen omdat toetsing van de Pw aan de Grondwet in strijd is met artikel 120 van de Grondwet.Ook heeft eiser gesteld dat de daklozennorm geen recht geeft op sociale bijstand dat een waardig bestaan verzekert, zoals in artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier geen beroep op kan doen, omdat het hier niet gaat om uitvoering van het Unierecht.
Ten aanzien van de periodes in het verleden 4.3 Het dagelijks bestuur heeft het verzoek van eiser inhoudelijk behandeld en niet zozeer als een herzieningsverzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank oordeelt als volgt. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder
bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. De omstandigheden die eiser naar voren brengt zien weliswaar op een voor hem moeilijke situatie, maar kunnen niet als dergelijke bijzondere omstandigheden worden aangemerkt op grond waarvan het dagelijks bestuur eiser met terugwerkende kracht hogere bijstand moet verlenen.
Overigens heeft het dagelijks bestuur in reactie op de grond van eiser dat de door hem aangevoerde omstandigheden hadden moeten worden aangemerkt als veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank volgt het dagelijks bestuur hierin. Zo was eiser bij het wijzigen van de norm ten tijde van het toekennen van de bijstandsuitkering met ingang van 26 april 2021 al dakloos. Het langer duren van die dakloosheid, hoe vervelend die situatie voor eiser ook is, is niet aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid.
Ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van het actuele recht op bijstand
De rechtbank begrijpt uit het verweerschrift en de toelichting van het dagelijks bestuur tijdens de zitting, dat het bezwaar tegen de loonspecificatie van februari 2025 is opgevat als een verzoek om wijziging van het actuele recht op bijstand en dat daarmee invulling is gegeven aan artikel 18, eerste lid, van de Pw. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het gegeven dat de bijstandsuitkering van eiser blijkens de betalingsspecificatie van februari 2025 niet is gewijzigd ten opzichte van wat blijkt uit de voorgaande betalingsspecificaties.Het betoog van eiser dat op geen enkele wijze invulling is gegeven aan artikel 18, eerste lid, van de Pw, slaagt niet. Voor individuele afstemming in de vorm van een (verlaging dan wel een) verhoging van de bijstand is slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Een zeer bijzondere situatie kan zich voordoen als door de lage norm het bestaansminimum niet (meer) is gewaarborgd. Het is aan degene die zich beroept op deze afstemming om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. Daar is eiser niet in geslaagd. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser zijn stelling dat hij schulden heeft niet heeft onderbouwd en dat het dagelijkse bestuur tijdens de zitting heeft toegelicht dat niet aannemelijk is geworden dat eiser door de verlaging van de bijstand in een financieel schrijnende situatie is gekomen. 4.6 Voor het oordeel dat de maandelijkse kosten van € 250,- aan de garagebox gelijk zouden moeten worden gesteld aan de kosten voor de daklozenopvang, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. De uitspraken waar eiser tijdens de zitting naar heeft verwezen, maken dit oordeel niet anders. Zo is in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat in de besluitvorming ten onrechte ervan uit is gegaan dat de betrokkene geen woonlasten heeft. In de situatie van eiser heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat eiser kosteloos gebruik kan maken van de daklozenopvang, wat nog is geverifieerd bij de betrokken medewerkers van de daklozenopvang. Eiser heeft hier uitsluitend tegenover gezet dat het hem bekend is dat er in Den Haag een wachtlijst voor opvang van daklozen is. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de door het dagelijks bestuur gegeven toelichting te twijfelen. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam kan eiser dan ook niet baten. In de uitspraak van de voorzieningenrechter is het verzoek toegewezen, omdat bij die betrokkene sprake was van bijzondere omstandigheden. De betrokkene heeft namelijk als gevolg van de ontruiming uit haar woning kosten moeten maken voor de opslag voor haar spullen en die kosten (€ 300,- per maand) zijn ongeveer gelijk aan het bedrag dat in mindering is gebracht (20% van de bijstandsuitkering van de betrokkene). Anders dan in die uitspraak gebruikt eiser de door hem gehuurde garagebox immers (ook) om daar te verblijven terwijl dit verblijf in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het dagelijks bestuur terecht heeft geconcludeerd dat deze kosten niet kunnen worden vergoed.
De stelling dat eiser door het toepassen van een korting op de uitkering ongelijk wordt behandeld ten opzichte van bijvoorbeeld vluchtelingen en daklozen die zijn ondergebracht in een hotel, vat de rechtbank op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel is het aan eiser om aannemelijk te maken dat het dagelijks bestuur gelijke gevallen ongelijk behandelt. Hier is eiser niet in geslaagd. Van rechtens vergelijkbare gevallen is hierbij geen sprake.
Eiser heeft tijdens de zitting verwezen naar een uitspraak waarin is geoordeeld dat in die situatie het al dan niet verlagen van de bijstandsnorm ten tijde van het nemen van het bestreden besluit afhankelijk is geweest van min of meer toevallige factoren en dat dit in strijd is met het verbod op willekeur. De rechtbank constateert dat dit een heel andere situatie is dan de situatie van eiser, zodat ook deze verwijzing eiser niet kan baten.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, en mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.