RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4674
(gemachtigde: mr. C.L. Schuren),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).
Procesverloop
Met het besluit van 16 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser vanaf 9 september 2023 een IVA-uitkering met verkorte wachttijd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.
Met het besluit van 3 april 2024 (bestreden besluit I) heeft het UWV het primaire besluit in zoverre herroepen dat eisers recht op een IVA-uitkering vanaf 9 september 2023 behouden blijft, maar dat deze uitkering pas ingaat na afloop van de wachttijd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
Met het besluit van 20 januari 2025 (bestreden besluit II) heeft het UWV de hoogte van eisers dagloon vanaf 30 juli 2024 herzien.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift en nadere stukken ingediend.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn gemachtigde en door zijn coach [persoon A] , en de gemachtigde van het UWV.
Ter zitting is het onderzoek geschorst waarna partijen stukken hebben ingediend.
Omdat geen van de partijen te kennen heeft gegeven een nader onderzoek ter zitting te wensen, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en sluit zij het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
2. Vanaf 16 januari 2023 was eiser werkzaam bij [bedrijf X] . ( [bedrijf X] ). Op 19 januari 2023 heeft hij zich vanuit dit dienstverband ziek gemeld en met ingang van die datum is een uitkering op grond van de Ziektewet aan hem toegekend. Op 1 juli 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een IVA-uitkering met verkorte wachttijd. Het UWV heeft deze uitkering met het primaire besluit toegekend vanaf 9 september 2023. Het dagloon van eisers WIA-uitkering is berekend op basis van het dienstverband dat eiser had met [bedrijf Y] . ( [bedrijf Y] ) in de periode van 1 september 2022 tot 6 september 2022, en is vastgesteld op € 4,18. De hoogte van de uitkering bedraagt € 63,08 bruto per maand. Het UWV heeft aan het bestreden besluit I ten grondslag gelegd dat het WIA-dagloon juist is berekend. Omdat het eerder in laten gaan van de WIA-uitkering nadelige financiële gevolgen heeft voor eiser, heeft het UWV met het bestreden besluit I bepaald dat eisers Ziektewetuitkering wordt verlengd tot de maximale termijn van 104 weken en dat zijn recht op een IVAuitkering behouden blijft.
3. De rechtbank stelt vast dat het UWV de hoogte van eisers dagloon met bestreden besluit II heeft herzien vanaf 30 juli 2024. Omdat loonloze periodes niet meegenomen worden in de berekening van het dagloon, wordt het dagloon € 20,86 en de hoogte van de uitkering € 315,07 bruto per maand. Dit besluit is door het UWV bedoeld en door eiser begrepen als een besluit tot wijziging van bestreden besluit I als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom wordt bestreden besluit II mede in de beoordeling van het beroep betrokken, nu partijen daarbij voldoende belang hebben. De rechtbank beoordeelt hierna bestreden besluit I zoals gewijzigd bij bestreden besluit II.
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij de arbeidsovereenkomst met [bedrijf Y] , die op 17 augustus 2022 tot stand is gekomen in het kader van eisers deelname aan het televisieprogramma “ [naam] ”, op 9 mei 2025 buitengerechtelijk heeft vernietigd vanwege dwaling. Daardoor moet de arbeidsovereenkomst worden geacht nooit te hebben bestaan. Op grond hiervan stelt eiser dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn, dat hij geen SVloon heeft genoten in het refertejaar en dat voor de hoogte van het dagloon dient te worden uitgegaan van het loon dat hij voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft genoten bij [bedrijf X] . Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat op grond van zijn inkomsten bij [bedrijf X] zijn Ziektewetuitkering is gebaseerd op het maximumdagloon. Het afspiegelingsbeginsel zou dan meebrengen dat hiervan dient te worden uitgegaan. Uitgaan van het lage dagloon op grond van zijn inkomsten bij [bedrijf Y] is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het onredelijk bezwarend is, aldus eiser.
5. In artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 (de Beleidsregels) is bepaald dat het UWV behoudens het bepaalde in artikel 3, voor besluiten over de vaststelling van het dagloon, het gemiddeld aantal arbeidsuren, het arbeidsverleden, de wekeneis, het verrekenen van inkomsten, het maatmaninkomen, voor besluiten over de toetsing aan de inkomenseis, alsmede voor de vaststelling of iemand werknemer is voor de werknemersverzekeringen, de gegevens gebruikt die aanwezig zijn in de polisadministratie.
In artikel 3 van de Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018 is bepaald dat indien het UWV vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, het UWV gegevens uit een andere bron gebruikt.
6. In geschil is allereerst of het UWV wat betreft het dienstverband van eiser bij [bedrijf Y] terecht van de polisadministratie is uitgegaan. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) dat het UWV mag uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij de verzekerde aantoont dat deze gegevens onjuist zijn (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1386). Eiser heeft betoogd dat hij dit laatste heeft aangetoond met de buitengerechtelijke vernietiging van de met [bedrijf Y] gesloten arbeidsovereenkomst. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. De aangevoerde buitengerechtelijke vernietiging heeft eerst bij brief van 9 mei 2025 aan [bedrijf Y] en dus hangende het onderhavige beroep plaatsgevonden. Noch uit die brief, noch uit een begeleidende brief van dezelfde datum blijkt van enig ander belang van eiser bij die vernietiging dan het verkrijgen van een hogere uitkering en in de begeleidende brief wordt dit belang met zoveel woorden aangevoerd. Het moet er daarom voor gehouden worden dat de buitengerechtelijke vernietiging geen ander doel heeft gehad dan het bereiken van de in de onderhavige procedure nagestreefde hogere uitkering. Deze situatie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een situatie waarin is aangetoond dat de polisadministratie onjuist is. Daarbij weegt mee dat niet is gebleken dat de registratie door [bedrijf Y] indertijd in de polisadministratie bewust op onjuiste gronden is verricht.
7. Eiser heeft zijn standpunt ten aanzien van strijd met het evenredigheidsbeginsel ter zitting toegelicht. Volgens eiser is de dagloonberekening volgens artikel 13 van de Wet WIA onevenredig en daarnaast had het UWV artikel 18 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) moeten toepassen in plaats van artikel 16 van het Dagloonbesluit. Artikel 18 van het Dagloonbesluit is echter reeds toegepast. De daglonen die ten grondslag liggen aan eisers IVA-uitkering zijn immers tot stand gekomen door het loon te delen door 18 dagen in plaats van 261, zoals eiser in zijn aanvullend beroepschrift ook heeft vermeld. Wat betreft de verdere toepassing van het evenredigheidsbepaling op die artikelen, is van belang dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602, en van 15 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:466) voor de vaststelling van het welvaartsniveau het historisch dagloon bepalend is. Het gegeven dat eisers dagloon is berekend op basis van een ander dienstverband dan dat waaruit zijn IVAuitkering is ontstaan, maakt het besluit niet onredelijk bezwarend en betekent niet dat in het geval van eiser zou moeten worden afgeweken van het historische dagloon.
8. Gelet op het voorgaande heeft het UWV het loon vanuit [bedrijf Y] terecht betrokken in de dagloonberekening.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond.
10. Omdat het UWV bestreden besluit I heeft gewijzigd nadat eiser daartegen beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Tevens ziet de rechtbank hierin aanleiding het UWV te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. De te vergoeden proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.