RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8260
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
(gemachtigde: [naam]).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een remigratievoorziening op grond van de Remigratiewet. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op een remigratievoorziening. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
De SVB heeft eisers aanvraag met het primaire besluit van 17 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser is op [geboortedatum] 1970 geboren in Roemenië. Eiser heeft de Nederlandse en de Roemeense nationaliteit. Op 24 mei 2024 heeft eiser bij de SVB een aanvraag om een remigratievoorziening ingediend, omdat hij wil remigreren naar Roemenië. In zijn aanvraag heeft eiser vermeld dat hij sinds 14 juni 1990 in Nederland is.
4. Aan het primair en bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser niet aan de voorwaarden voor een remigratievoorziening voldoet, omdat eiser op de datum van de aanvraag ten minste 55 jaar moet zijn. Na 31 december 2024 kunnen er geen aanvragen meer gedaan worden. Op het moment dat eiser de aanvraag indiende, was hij 54 jaar en hij wordt 55 jaar op 21 oktober 2025.
5. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij in 2014 ook voorbereidingen heeft getroffen om te remigreren. Onder de oude Remigratiewet lag de leeftijdsgrens echter op 45 jaar lag, terwijl eiser toen 44 jaar was. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij destijds door de SVB of door het Nederlands Migratie Instituut (NMI) werd geadviseerd om onder de gewijzigde Remigratiewet een aanvraag in te dienen, wetende dat per 1 januari 2025 geen aanvragen meer mogelijk zijn. Eiser stelt dat hij destijds onjuist geadviseerd is en dat daarmee het vertrouwensbeginsel geschonden is. Daarnaast stelt eiser dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden en dat het op de weg van de SVB had gelegen in zijn geval toepassing te geven aan de menselijke maat. Eiser stelt dat een uitzondering gemaakt moet worden omdat hij pas in 2025 55 jaar wordt en hij dan geen aanvraag meer kan doen.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiser aannemelijk maakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de SVB een uitlating of toezegging heeft gedaan op basis waarvan eiser ervan uit mocht gaan dat aan hem (in de toekomst) een remigratievoorziening toekend zou worden. Eiser heeft hiervan geen informatie overgelegd en het is, zoals de gemachtigde van eiser op de zitting heeft bevestigd, niet duidelijk geworden of sprake was van een uitspraak van de SVB of van het NMI. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
7.
Op grond van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Remigratiewet dient de remigrant ten minste 55 jaar oud te zijn op het tijdstip van de aanvraag om voor de remigratievoorzieningen in aanmerking te komen. Niet in geschil is dat eiser op het tijdstip van de aanvraag, zijnde 24 mei 2024, nog geen 55 jaar oud was en dat hij daarmee niet aan de voorwaarden van de Remigratiewet voldoet.
Artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Remigratiewet is een dwingende bepaling neergelegd in een wet in formele zin. Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van een dergelijke bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. De SVB heeft daarom terecht geen belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb gemaakt. Dit is alleen anders bij bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen dat die toepassing achterwege moet blijven.
Naar het oordeel van de rechtbank doen zich in het geval van eiser geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De essentie van een dwingend geformuleerd leeftijdsvereiste als dat van het genoemde artikel van de Remigratiewet is dat degene die geen 55 jaar is als hij of zij een aanvraag indient geen recht heeft op een remigratievoorziening. Die essentie kan de wetgever niet zijn ontgaan. Daarom moet worden aangenomen dat de wetgever de gevolgen van de toepassing van het leeftijdsvereiste heeft bedoeld en voorzien. Het voorgaande wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis. Die wetsgeschiedenis duidt op een bewuste, recent bevestigde keuze voor een harde leeftijdsgrens van 55 jaar. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser er nog op gewezen dat het verschil tussen eisers leeftijd ten tijde van de aanvraag en de leeftijdsgrens van 55 jaar minder dan een jaar is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat de wetgever moet hebben voorzien dat bepaalde personen worden uitgesloten van het recht op een remigratievoorziening, zo ook personen die (net) niet aan het leeftijdsvereiste voldoen. De door de gemachtigde van eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2022 maakt dit niet anders. De in die uitspraak gemaakte opmerking dat de eiseres ‘evident’ jonger was dan 55 jaar, betekent niet dat een persoon met een minder ‘evident’ leeftijdsverschil wel in aanmerking dient te komen voor de remigratievoorziening. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.