RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Vlaardingen, eiser
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1313
(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),
en
(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).
Procesverloop
In het besluit van 29 maart 2024 (primair besluit) heeft de SVB eisers AOW-pensioen herzien en een terugvordering en boete aangekondigd.
In het besluit van 27 december 2024 (bestreden besluit) heeft de SVB het bezwaar van eiser ten aanzien van de terugvordering en boete niet-ontvankelijk verklaard en ten aanzien van de herziening ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In de tussenuitspraak van 18 december 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de SVB in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
De SVB heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2. Het beroep voor zover dat gaat over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de terugvordering en de boete, de schending van de inlichtingenplicht, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, slaagt niet. Voor de motivering hiervan verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de SVB het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de SVB niet voldoende heeft gemotiveerd dat eisers huwelijk op 7 maart 2017 rechtsgeldig in Thailand tot stand is gekomen. Daarnaast heeft de SVB door enkel te wijzen op de intentie van eiser en zijn echtgenote om op een gegeven moment samen te gaan wonen in het licht van alle feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd dat zij in de genoemde periode niet duurzaam gescheiden leefden. Verder heeft de SVB nagelaten een belangenafweging te maken, zoals ook is omschreven in beleidsregel SB1407 van de SVB. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien de SVB in de gelegenheid te stellen deze gebreken in het bestreden besluit binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen.
4. De SVB heeft vervolgens in de aanvullende motivering het volgende opgenomen. Met betrekking tot de rechtsgeldigheid van eisers huwelijk heeft de SVB een print uit Suwinet toegestuurd waaruit blijkt dat het huwelijk van eiser in het GBA (de rechtbank begrijpt: de basisregistratie persoonsgegevens (brp)) is geregistreerd met als sluitingsdatum 7 maart 2017. Hieruit blijkt volgens de SVB dat het huwelijk door de gemeente per deze datum als rechtsgeldig gesloten geldt. Door de SVB is vervolgens ten overvloede de huwelijksakte voorgelegd aan een medewerker van het Thaise verbindingsorgaan. Dat het verslag van dit gesprek uitgebreider had gekund maakt volgens de SVB niet dat het huwelijk dat op 7 maart 2017 in Thailand gesloten is, niet meer rechtsgeldig is. Met betrekking tot het oordeel dat de SVB onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in eisers situatie geen sprake was van duurzaam gescheiden leven, stelt de SVB zich op het standpunt dat de bewijsplicht bij eiser ligt. Volgens de wettekst en de geldende jurisprudentie is de hoofdregel dat wanneer iemand gehuwd is, hij of zij recht heeft op een gehuwdenuitkering, tenzij hij of zij aantoont dat sprake is van duurzaam gescheiden leven. Volgens de SVB heeft eiser niet aangetoond dat hij leefde ‘als ware hij niet gehuwd’.
5. Eiser heeft vervolgens gereageerd op deze aanvullende motivering van de SVB. De rechtbank stelt vast dat eiser in die nadere reactie in beginsel, zij het in andere bewoordingen, heeft herhaald wat hij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Eiser betoogt dat de SVB de Thaise erkenning van eisers huwelijk onvoldoende heeft onderzocht en heeft nagelaten een volledige weergave van het gesprek met de medewerker van het Thaise zusterorgaan te overleggen. Volgens eiser was de vermelding van zijn huwelijk in 2017 nog niet in de brp opgenomen en zegt het feit dat het huwelijk daarna in 2023 alsnog rechtsgeldig is verklaard niet dat eiser met terugwerkende kracht vanaf 7 maart 2017 als gehuwd voor de AOW dient te worden aangemerkt. Daarnaast heeft de SVB de conclusie dat eiser en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leefden louter gebaseerd op de uitgesproken intentie van de partners om uiteindelijk samen te gaan wonen zodra de inburgeringsplicht niet meer van toepassing was. In het geval van eiser is tot en met oktober 2023 nooit een vorm van samenleving tot stand gekomen. Er was sprake van twee gescheiden huishoudens op verschillende continenten, geen enkele financiële verstrengeling en minimaal sociaal contact als gevolg van een aanzienlijke taalbarrière. Verder stelt eiser dat de Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft bepaald dat het begrip ‘dringende redenen’ als bedoeld in artikel 174 lid 2 van de AOW voortaan als een open norm moet worden gezien waarbij het bestuursorgaan een integrale belangenafweging moet maken. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Raad van 15 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:43. Volgens eiser heeft de SVB nagelaten deze belangenafweging uit te voeren en is de SVB blijven steken in een formele, mechanische toepassing van de herzieningsbevoegdheid.
6. De rechtbank is van oordeel dat de SVB nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers huwelijk op 7 maart 2017 rechtsgeldig in Thailand tot stand is gekomen. Weliswaar blijkt uit de overgelegde print uit Suwinet dat de gemeente eisers huwelijk in de brp heeft geregistreerd met als sluitingsdatum 7 maart 2017, toch is dit niet afdoende voor het oordeel dat het huwelijk ook op 7 maart 2017 rechtsgeldig in Thailand tot stand is gekomen. Daar komt bij dat de SVB ook het oordeel dat eiser en zijn partner in de periode van 2017 tot en met 2023 niet duurzaam gescheiden leefden nog steeds niet voldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft verklaard dat het de bedoeling was dat zijn partner op enig moment bij hem zou komen wonen, toch heeft de SVB ook in de aanvullende motivering nagelaten om de overige relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel te betrekken. Tot slot heeft de SVB in de aanvullende motivering in het geheel niet gereageerd op het laatst door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek ten aanzien van de evenredigheidstoets. De SVB heeft namelijk geen daadwerkelijke belangenafweging gemaakt in het bestreden besluit. Het enkel constateren dat de SVB geen fout heeft gemaakt is daarvoor niet voldoende. Dit betekent dat de SVB de gebreken niet heeft hersteld.
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat een rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor toepassing van een tweede bestuurlijke lus, gelet op het resultaat van de eerste lus waardoor dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De SVB moet daarom een nieuw besluit op het bezwaar van eiser nemen rekening houdend met de overwegingen uit de tussenuitspraak en deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te tellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de SVB aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De SVB moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de SVB op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de SVB in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.