[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Gorinchem
(gemachtigde: [persoon A] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 december 2024.
Met de beschikking van 29 maart 2024 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres] in Gorinchem (de onroerende zaak) per de waardepeildatum van 1 januari 2023 vastgesteld op € 439.000,-.
Met de uitspraak op bezwaar van 9 december 2024 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift inclusief bijlagen.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gesteld gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [persoon B] , taxateur.
Feiten
2. Op de waardepeildatum was [naam eiseres] . eigenaar van de onroerende zaak [adres] in Gorinchem. Het betrof een vestigingsadres van [naam winkel] met een oppervlakte van 661 m². Het bouwjaar is 2009. Zowel [naam eiseres] . als [naam bedrijf] . hebben een WOZ beschikking ontvangen voor dit object.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het beroepschrift is ingediend door mr. Bartels namens [naam eiseres] . Voor het eerst op de zitting heeft de gesteld gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat hij niet namens [naam eiseres] ., maar namens [naam bedrijf] . beroep heeft willen instellen. Dit kennelijk naar aanleiding van het feit dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift heeft aangegeven dat per abuis de naam [naam eiseres] . in de uitspraak op bezwaar staat in plaats van [naam bedrijf] . De gesteld gemachtigde heeft daarbij aangegeven dat hij de naam [naam eiseres] . abusievelijk in zijn beroepschrift heeft overgenomen uit de uitspraak op bezwaar van 9 december 2024 en dat [naam eiseres] . helemaal geen cliënt van hem is en hem dus ook niet gemachtigd heeft.
4. De rechtbank beoordeelt eerst namens wie beroep bij de rechtbank is ingesteld. In het beroepschrift staat [naam eiseres] . genoemd als degene namens wie de gesteld gemachtigde het beroepschrift indient. De naam [naam bedrijf] . komt daar in het geheel niet in voor. Omdat er geen enkele machtiging en geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) was overgelegd, heeft de rechtbank deze stukken met de brieven van 2 januari 2025 en 11 augustus 2025 bij de gesteld gemachtigde opgevraagd. In de brieven van de rechtbank wordt steeds verwezen naar de procedure van [naam eiseres] . Op 13 augustus 2025 heeft de gemachtigde daarop gereageerd door het uittreksel KvK van [naam eiseres] . bij de rechtbank in te dienen. Vervolgens heeft de rechtbank met de brief van 12 september 2025 nogmaals gewezen op de ontbrekende machtiging en om een schriftelijke machtiging gevraagd, maar hierop is geen reactie ontvangen.
5. De rechtbank beschouwt het beroep als zijnde ingediend namens [naam eiseres] . De gesteld gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting niet één keer aangegeven dat het niet zijn bedoeling is geweest om namens [naam eiseres] . beroep in te stellen. Ook niet nadat de heffingsambtenaar daar in zijn verweerschrift van 16 september 2025 een punt van heeft gemaakt. Integendeel, nadat de rechtbank heeft gevraagd om een uittreksel van de KvK heeft de gemachtigde een uittreksel van [naam eiseres] overgelegd. Van [naam eiseres] . noch van [naam bedrijf] . is een machtiging overgelegd. Nadat de gesteld gemachtigde hiermee ter zitting is geconfronteerd, heeft hij aangegeven ook een uittreksel KvK van [naam bedrijf] . te hebben overgelegd, daarbij stellend dat het rechtbankdossier kennelijk niet compleet is. De rechtbank ziet echter geen enkele aanleiding ervan uit te gaan dat het rechtbankdossier incompleet is. De rechtbank gaat er dus vanuit dat in het vooronderzoek alleen een uittreksel KvK van [naam eiseres] . is overgelegd. Dat de gemachtigde ongevraagd na afloop van de zitting alsnog een uittreksel KvK van [naam bedrijf] . heeft overgelegd, doet daar niets aan af.
6. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift aangegeven dat er onduidelijkheid is gecreëerd door de verkeerde naam in de uitspraak op bezwaar en dat het de heffingsambtenaar voldoende duidelijk is dat de gesteld gemachtigde beroep wilde instellen namens [naam bedrijf] . In een beroepsprocedure is het echter aan de gemachtigde van een eiser of eiseres om helderheid te verstrekken over de vraag namens wie hij beroep in stelt. Dat de gesteld gemachtigde kennelijk een naam heeft overgenomen uit de uitspraak op bezwaar die achteraf onjuist blijkt te zijn, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Temeer nu deze naam kennelijk niet eens één van zijn cliënten is, hij daartoe dus niet gemachtigd was en hij daar in de loop van de procedure, ondanks dat hij daartoe ruim de gelegenheid heeft gehad, op geen enkele manier een correctie in heeft aangebracht.
7. Nu mr. Bartels niet door [naam eiseres] . is gemachtigd beroep in te stellen, is het beroep is niet-ontvankelijk.
Overschrijding redelijke termijn
8. Voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt ook dat de gesteld gemachtigde niet gemachtigd was namens eiseres een verzoek om schadevergoeding in te dienen. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat eiseres op enig moment een bezwaarschrift heeft ingediend, althans een bezwaarschrift van eiseres heeft de rechtbank bij de stukken niet aangetroffen. In de bestreden uitspraak op bezwaar staat weliswaar dat eiseres op 8 april 2024 een bezwaar heeft ingediend, maar dat is volgens de heffingsambtenaar incorrect. Van overschrijding van de redelijke termijn is op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan is dus in ieder geval geen sprake.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken op 7 april 2026.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.