ECLI:NL:RBROT:2026:6024

ECLI:NL:RBROT:2026:6024

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 27-05-2026
Zaaknummer ROT 25/1811
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Besluit tot opschorting van de persoonslijst in de Basisregistratie personen. Beroep ongegrond. Naar oordeel van de rechtbank heeft het college eisers persoonslijst in de BRP terecht opgeschort. Duidelijk is dat eiser met een onjuiste identiteit ingeschreven stond. De persoonslijst was dus ten onrechte aangelegd. Het opschorten van de persoonslijst sluit aan bij de correcte situatie. Het college is op goede gronden niet overgegaan tot het in stand laten van de onjuiste registratie, al dan niet met daarbij een aantekening over eisers werkelijke identiteit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1811

(gemachtigde: mr. M. Wiersma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).

1. Deze uitspraak gaat over de opschorting van de persoonslijst van eiser in de Basisregistratie Personen (BRP) en de weigering de gegevens van eiser te corrigeren. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Het college heeft de gegevens van eiser terecht opgeschort uit de BRP zonder daarbij over te gaan tot het corrigeren van eisers gegevens. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 28 mei 2024 heeft het college de persoonslijst van eiser in de BRP opgeschort. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Het correctieverzoek van eiser is daarbij afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

Eiser heeft zich op 26 februari 1999 laten inschrijven in de BRP onder de naam [naam] , geboren [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] .

Op 30 april 2022 heeft het college een e-mailbericht van de autoriteiten van Curaçao ontvangen. Daarin stond dat zij in het verleden al ontdekt hadden dat eiser in 1999 naar Nederland is vertrokken en daarbij gebruik heeft gemaakt van de identiteit van zijn broer, [naam] . Verder is vermeld dat eiser onlangs op Curaçao was om zijn AOV-pensioen te regelen op zijn eigen naam.

Op 3 april 2023 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de toezichthouder BRP en eiser. Tijdens dit gesprek heeft eiser erkend dat hij zich op naam van zijn broer in Nederland heeft gevestigd en ingeschreven in de BRP. Eiser heeft hierover verklaard dat de autoriteiten op Curaçao hem verteld hebben dat hij [naam] is en daarom documenten op die naam verstrekt hebben.

In september 2023 heeft het college het voornemen uitgebracht om eisers persoonslijst in de BRP op te schorten, wat betekent dat de inschrijving van eiser in de BRP ongedaan wordt gemaakt en hij niet langer ingeschreven staat. Het college wijst naar het onderzoek waaruit is gebleken dat eiser met de gegevens van zijn broer staat ingeschreven en op het belang van een juiste registratie in de BRP.

Ten aanzien van de Nederlandse documenten op naam van [naam] heeft het college aangegeven dat deze van rechtswege zijn vervallen en zo ook in de administratie aangemerkt. Het college heeft eiser er tot slot op gewezen dat uit het bevolkingsregister van Curaçao blijkt dat hij de Britse nationaliteit heeft en dat hij daarom bij de Immigratie en Naturalisatiedienst een verblijfsvergunning moet aanvragen.

Eiser heeft een zienswijze ingediend waarin eiser op komt tegen de stelling van het college dat hij de Britse nationaliteit heeft en niet de Nederlandse.

Het college heeft vervolgens het primaire besluit genomen. Het college heeft, conform het voornemen, de persoonslijst van eiser opgeschort. Ook is opgemerkt dat niet is vastgesteld dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft.

Bij het bestreden besluit van 9 januari 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft eisers verzoek om over te gaan tot correctie van de inschrijving in de BRP, in plaats van opschorting, en hem derhalve met terugwerkende kracht onder zijn eigen naam in te schrijven, afgewezen. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser in elk geval al sinds 2008 op de hoogte had kunnen zijn dat zijn inschrijving in de BRP onjuist was. Eiser heeft daarnaast ook op zijn eigen naam allerlei rechtshandelingen verricht in Curaçao. Het college acht het daarom niet juist om eisers verzoek in te willigen.

Bovendien heeft eiser zich nooit laten uitschrijven op Curaçao, het corrigeren van de persoonsgegevens zou dan ook leiden tot een dubbele inschrijving. Het college merkt volledigheidshalve op dat is vastgesteld dat eiser niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt en er vooralsnog geen duidelijkheid is over het al dan niet hebben van de Britse nationaliteit. Het is dan ook niet zonder meer te volgen dat eiser al die tijd ook onder zijn eigen naam wel een verblijfsrecht heeft gehad.

Beoordeling van de beroepsgronden

4. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij van 26 februari 1999 tot aan de datum van opschorting met onjuiste persoonsgegevens in de BRP ingeschreven heeft gestaan.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde aangegeven dat eiser nog in afwachting is van het vaststellen van zijn Britse nationaliteit. Naar verwachting zal dit nog ongeveer 20 weken duren vanaf de dag van de behandeling ter zitting. Tot die tijd kan eiser geen correctieverzoek indienen en/of zich uitschrijven op Curaçao aangezien hij geen geldig identiteitsbewijs heeft. Eisers beroepsgronden moeten dan ook zo worden opgevat dat het college had moeten volstaan met een minder ingrijpende maatregel dan het opschorten van zijn persoonslijst en daarmee verwijdering uit de BRP. Eisers juiste persoonsgegevens zijn bekend en ook is duidelijk dat eiser al sinds 1999 in Nederland woont. Het college had daarom kunnen volstaan met het opnemen van een aantekening in de BRP tot dat het onderzoek naar zijn (Britse) nationaliteit is afgerond. Eiser meent dat daarmee ook gehandeld wordt in overeenstemming met de verplichting correcte gegevens over in Nederland woonachtige personen in de BRP op te nemen.

Naar oordeel van de rechtbank heeft het college eisers persoonslijst in de BRP terecht opgeschort. Duidelijk is dat eiser met een onjuiste identiteit ingeschreven stond. De persoonslijst was dus ten onrechte aangelegd. Het opschorten van de persoonslijst sluit aan bij de correcte situatie. Het college is op goede gronden niet overgegaan tot het in stand laten van de onjuiste registratie, al dan niet met daarbij een aantekening over eisers werkelijke identiteit.

Indien eiser wenst met zijn eigen gegevens in de BRP te worden opgenomen, zal hij een daartoe strekkend verzoek moeten indienen en aan de daaraan verbonden voorwaarden moeten voldoen. Het college stelt terecht dat eiser momenteel niet in de BRP kan worden opgenomen omdat hij nog in Curaçao staat ingeschreven. Bovendien is niet duidelijk of eiser rechtmatig verblijf heeft, terwijl dit wel vereist is om in de BRP te worden ingeschreven. Opgemerkt wordt dat eiser bezig is met het vaststellen van zijn Britse nationaliteit. Hoewel dit een lange procedure is en eiser vervolgens ook nog andere stappen moet ondernemen om zich onder zijn eigen gegevens in de BRP te laten opnemen, is zijn situatie niet uitzichtloos. Dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen heeft voor eiser, is dan ook niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.P. Kleijn

Griffier

  • mr. L. Meijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand