Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 83-072787-22
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Datum zitting: 14, 15 april en 27 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaten van de verdachte: mrs. J. Leyten en J.H. Titahena
Officieren van justitie: mrs. A.M. Dingley en F.B.W. Groendijk
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte van drie strafbare feiten te weten (kort samengevat):
1.
het deelnemen of feitelijke leiding geven aan het opzettelijk ter beschikking stellen van geld aan Hamas;
2.
het feitelijke leiding geven of deelnemen aan het ontduiken van sanctiemaatregelen gesteld krachtens de Sanctiewet 1977;
3.
het feitelijke leiding geven of deelnemen aan het voortzetten van de verboden organisatie Stichting Al Aqsa.
De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1.
2. Inleiding
Centraal in deze strafzaak staan de sanctiemaatregelen tegen Hamas en Stichting Al Aqsa op grond van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (hierna: de Verordening). Op grond van artikel 2 van de Verordening stelt de Raad van de Europese Unie een lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop de Verordening en daarmee de sanctiemaatregelen van toepassing zijn (hierna: de EU-sanctielijst).
In 2001 is ‘Hamas-Izz al-Din al-Qassem (terroristische tak van Hamas)’ op de EU-sanctielijst geplaatst. In 2003 is de omschrijving van de plaatsing gewijzigd naar ‘Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem)’. De plaatsing van Hamas op de EU-sanctielijst is sindsdien onafgebroken in stand gebleven.
In 2003 is ‘Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland)’ (hierna: Stichting Al Aqsa) op de EU-sanctielijst geplaatst. Op 11 februari 2014 is Stichting Al Aqsa van de lijst gehaald. Deze delisting hing samen met de bezwaarprocedure die Stichting Al Aqsa voerde tegen het Nederlandse besluit in 2011 om de stichting aan te wijzen als rechtspersoon waarop de Sanctieregeling terrorisme 2007-II (hierna: Sanctieregeling 2007-II) van toepassing is, oftewel om de stichting ook op de Nederlandse sanctielijst te plaatsen. In die bezwaarprocedure verklaarde Stichting Al Aqsa zich bereid om zichzelf op te heffen en na liquidatie de resterende tegoeden over te maken aan een door het ministerie van Buitenlandse Zaken aan te wijzen goed doel. Als gevolg daarvan werd in 2014, als eerste stap, Stichting Al Aqsa van de EU-sanctielijst verwijderd. Hoewel het ministerie van Buitenlandse Zaken kennelijk met de Stichting Al Aqsa heeft onderhandeld over de bestemming van het geld en daarmee over de opheffing van de stichting, hebben noch Stichting Al Aqsa, noch het ministerie tussen 2017 en 2023 voor zover bekend iets ondernomen om daadwerkelijk tot een opheffing van Stichting Al-Aqsa te komen. De plaatsing van Stichting Al Aqsa op de Nederlandse sanctielijst is sinds 2011 onafgebroken in stand gebleven.
In 2001 is Stichting [naam stichting] (hierna: Stichting [afkorting naam stichting] ) opgericht. Zij staat in de Kamer van Koophandel ingeschreven als steunfonds dat gelden inzamelt voor ‘de armen in de wereld’. In de ten laste gelegde periodes heeft Stichting [afkorting naam stichting] donateurs geworven om, naar eigen zeggen, humanitaire hulp te kunnen verlenen aan Palestijnen, met name in Gaza, in het bijzonder aan weeskinderen. De donaties zijn periodiek en/of gekoppeld aan specifieke projecten.
Ingevolge de Sanctiewet 1977 (hierna: Sanctiewet) en de daarop gebaseerde Sanctieregeling terrorisme 2002 is het in Nederland verboden om te handelen in strijd met, onder meer, artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 3, eerste lid, van de Verordening.
Kort samengevat betekent het voorgaande dat het verboden is om direct of indirect gelden ter beschikking te stellen aan of ten behoeve van Hamas (in deze strafzaak ten laste gelegd onder feit 1) en om willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect, het verbod van artikel 2 van de Verordening wordt ontdoken, in dit geval door binnen Stichting [afkorting naam stichting] de activiteiten van Stichting Al Aqsa voort te zetten (ten laste gelegd onder feit 2). Verder is het op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) verboden om de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie, in dit geval Stichting Al Aqsa, voort te zetten (ten laste gelegd onder feit 3). De rechtbank zal deze beschuldigingen hierna achtereenvolgens bespreken.
3. Vrijspraak feit 1
3.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 primair, dan wel subsidiair. Het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, bij de beoordeling worden besproken.
3.2. Oordeel van de rechtbank
Onder dit feit wordt Stichting [afkorting naam stichting] , waaraan de verdachte feitelijke leiding zou hebben gegeven, ervan verdacht dat zij in de ten laste gelegde periode (25 maart 2010 tot en met 26 juni 2023) direct of indirect gelden ter beschikking heeft gesteld aan of ten behoeve van Hamas. Het gaat daarbij om betalingen, in totaal ten bedrage van ruim € 8,4 miljoen, van Stichting [afkorting naam stichting] naar de volgende liefdadigheidsorganisaties: van 2010 tot en met 2017 naar de [naam organisatie 1] , tussen 2018 en 2020 naar [naam organisatie 2] , in 2021 naar [naam organisatie 3] , in 2022 naar [naam organisatie 4] en in 2023 naar [naam organisatie 5] . Daarnaast zijn in de periode 2019 tot en met 2022 stortingen en overboekingen op de rekening van Stichting [afkorting naam stichting] Gaza bij de Islamic National Bank te herleiden naar betalingen door Stichting [afkorting naam stichting] .
Niet ter discussie staat dat Stichting [afkorting naam stichting] deze gelden heeft ingezameld en heeft overgemaakt naar de genoemde liefdadigheidsorganisaties en dat de gelden terecht zijn gekomen in Gaza, dat vanaf 2006 onder de politieke leiding staat van Hamas.
In geschil is of de gelden direct of indirect ten goede zijn gekomen aan Hamas.
De officier van justitie meent van wel, omdat de liefdadigheidsorganisaties en de Islamic National Bank zijn gelieerd aan Hamas en onder de invloedssfeer van Hamas vallen.
De verdachte, die feitelijke leiding gaf aan Stichting [afkorting naam stichting] , wist dit alles en handelde doelbewust, aldus de officier van justitie.
Het standpunt van de officier van justitie dat de gelden ten goede zijn gekomen aan Hamas is in belangrijke mate gebaseerd op de schriftelijke verslagen van de deskundige [persoon A] . Hij beschrijft het sociale-welzijnsnetwerk van Hamas, de strategie van het inzamelen van gelden voor Hamas door liefdadigheidsorganisaties, de kernposities die leden van Hamas binnen die organisaties innemen en hoe deze organisaties verder door Hamas worden gecontroleerd dan wel aan Hamas zijn gelieerd, in het bijzonder via de parapluorganisatie [naam organisatie 6], die de projecten van liefdadigheidsorganisaties heeft gecoördineerd.
De rechtbank kan de objectiviteit en (mede daardoor) de betrouwbaarheid van de deskundige en de deugdelijkheid van zijn onderzoek echter onvoldoende beoordelen, mede gelet op het gemotiveerde verweer dat de verdediging daartegen heeft gevoerd. Zij zal daarom geen acht slaan op de deskundigenverslagen. Daarbij neemt zij het volgende in aanmerking.
De deskundige heeft zijn bevindingen niet zelf waargenomen of ondervonden, maar heeft die gebaseerd op algemeen toegankelijke bronnen, veelal nieuwsartikelen, en op berichten van veiligheids- of daarmee op een lijn te stellen diensten uit de Verenigde Staten en in het bijzonder Israël. Over die laatste categorie geschriften heeft de rechtbank in een eerder stadium al geoordeeld dat die hooguit zijn aan te merken als ‘ander geschrift’ in de zin van artikel 344, lid 1 aanhef en onder 5 Sv, zodat die alleen kunnen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Verder kan de rechtbank, mede gelet op het gevoerde verweer, niet uitsluiten dat de bevindingen van de deskundige dan wel van de auteurs waarop hij zijn bevindingen baseert, politiek of anderszins gekleurd zijn. Dat betekent niet dat de deskundigenverslagen zonder meer moeten worden uitgesloten van het bewijs, maar wel dat voorzichtigheid is geboden. Gelet op deze factoren komt het naar het oordeel van de rechtbank erop aan wat verder uit de overige bewijsmiddelen blijkt over de relatie tussen Hamas en de liefdadigheidsorganisaties waarnaar Stichting [afkorting naam stichting] gelden heeft overgemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat uit de overige bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat de bedoelde liefdadigheidsorganisaties door Hamas werden gecontroleerd. Daarbij stelt zij voorop dat geen van de liefdadigheidsorganisaties waarnaar Stichting [afkorting naam stichting] gelden heeft overgemaakt op de EU- of Nederlandse sanctielijst is geplaatst. Verder kan de rechtbank niet uitsluiten dat gelden van Stichting [afkorting naam stichting] ook ten goede zijn gekomen aan familie van omgekomen Hamas-strijders, maar dat zal ook gelden voor ander geld dat Gaza binnen is gekomen. In elk geval is niet gebleken dat die specifieke groep personen de exclusief beoogde begunstigden van de gelden van Stichting [afkorting naam stichting] waren. Wel bevat het dossier aanwijzingen voor een personele unie tussen betrokkenen bij de liefdadigheidsorganisaties en bij Hamas, maar die aanwijzingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende stevig om buiten elke redelijke twijfel te kunnen vaststellen dat binnen de ten laste gelegde periode de gelden terecht kwamen bij Hamas of dat Hamas (steeds) zeggenschap heeft gehad over die organisaties. Zo had de [naam organisatie 1] via haar directeur in 2011 een link met Hamas, maar dit betreft uitsluitend het eerste jaar van de ten laste gelegde periode. Dat op verschillende momenten in de ten laste gelegde periode medewerkers van de genoemde liefdadigheidsorganisaties pro-Hamas berichten hebben geplaatst op hun social media, acht de rechtbank geen bewijs voor zeggenschap van Hamas over die organisatie.
De rechtbank realiseert zich dat onderzoek in Gaza naar de verwevenheid tussen Hamas en genoemde organisaties zo niet onmogelijk dan toch heel moeilijk is, maar die onmogelijkheid kan de verdachte niet worden tegengeworpen. En dat, tot slot, in het kader van een rechterlijke toets is geoordeeld dat de bevindingen van de AIVD voldoende draagvlak bieden voor de conclusie dat de gelden die Stichting Al Aqsa in Nederland heeft ingezameld ten goede zijn gekomen aan Hamas, maakt het voorgaande evenmin anders.
Die toets is anders, terughoudender, dan de toets in een strafrechtelijke procedure en de aan die conclusie ten grondslag liggende (vertrouwelijke) stukken van de AIVD maken geen deel uit van dit strafdossier.
Het voorgaande is slechts anders voor (het bewijs van) de betrokkenheid van Hamas bij de Islamic National Bank, die ook volgt uit een rapport van World Check. Dat zou betekenen dat, als de verdachte kan worden aangemerkt als feitelijke leidinggevende van Stichting [afkorting naam stichting] , voor dit onderdeel van feit 1 een veroordeling zou kunnen volgen. Maar daarbij loopt de rechtbank echter aan tegen de bewijsdrempel voor het bestanddeel opzet: wist de verdachte dat de Islamic National Bank onder de zeggenschap van Hamas stond?
De verdachte heeft dat in alle toonaarden ontkend. Het bewijs van verdachtes opzet zal dan dienen te worden gebaseerd op andere bewijsmiddelen of op de omstandigheid dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft geweten dat de Islamic National Bank door Hamas werd gecontroleerd. Het dossier bevat die andere bewijsmiddelen niet en de rechtbank is van oordeel dat het bewijs op dit punt ook overigens ontoereikend is.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie komt dat er onvoldoende bewijs is dat Stichting [afkorting naam stichting] gelden aan Hamas of aan door haar gecontroleerde instellingen direct of indirect ter beschikking heeft gesteld met uitzondering van de gelden die zijn gestort op de Islamic National Bank. Maar daarvan kan niet worden bewezen dat de verdachte wist, al dan niet in voorwaardelijke zin, dat de Islamic National Bank door Hamas werd gecontroleerd.
Dat leidt ertoe dat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 1.
4. Bewijs feiten 2 en 3
4.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 2 primair en feit 3 primair. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
4.2. Verweer van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor deze feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
4.3. Oordeel van de rechtbank
4.3.1. Relevante regelgeving
Bij de bewijsvraag van het daderschap van de feiten onder 2 en 3 in de tenlastelegging zijn de volgende bepalingen van belang.
Artikel 2 Sanctiewet luidt:
1. Ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels worden vastgesteld.
2. Indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister deze vaststellen.
Artikel 3 Sanctiewet luidt:
1. De in artikel 2 bedoelde regels kunnen betreffen het goederen-, diensten- en financieel verkeer, de scheepvaart, de luchtvaart, het wegverkeer, de post en de telecommunicatie en al hetgeen overigens is vereist ter voldoening aan de verdragen, besluiten, aanbevelingen dan wel internationale afspraken, bedoeld in artikel 2.
2. Onder het in het eerste lid genoemde verkeer wordt begrepen iedere handeling, die kennelijk rechtstreeks is gericht op het bewerkstelligen van zulk verkeer.
3. De in artikel 2 bedoelde regels kunnen mede voorschriften inhouden betreffende de in het verband van de onderwerpen, aangeduid in het eerste lid, gebruikelijke documenten.
(…)
Een algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 2 Sanctiewet is de Sanctieregeling terrorisme 2002. Artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002 luidt:
1. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste lid, 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PbEG L 344).
(…)
Een andere algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 2 Sanctiewet is de Sanctieregeling 2007-II. Artikel 2 van de Sanctieregeling 2007-II luidt:
1. Indien personen of organisaties naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën behoren tot de kring van personen of organisaties, bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 september 2001, kan de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën ten aanzien van deze personen of organisaties een aanwijzingsbesluit vaststellen.
2. Alle middelen die toebehoren aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden bevroren.
3. Het is verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid.
4. Het is verboden aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen.
Artikel 2 van de Verordening luidde op 27 december 2001:
1. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6:
a) worden alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijk persoon of rechtspersoon, groep of entiteit, bevroren;
b) worden aan of ten behoeve van een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit noch direct noch indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking gesteld.
(…)
3. De Raad stelt de lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is, en evalueert en wijzigt deze met eenparigheid van stemmen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, leden 4, 5 en 6, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. (…).
Met ingang van 27 februari 2026 luidt artikel 2 van de Verordening:
1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn van of onder zeggenschap staan van in de bijlagen II en III opgenomen natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen of entiteiten, worden bevroren.
2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van in de lijsten in de bijlagen I en III opgenomen natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen of entiteiten.
Artikel 3 van de Verordening luidt:
1. Het is verboden om willens en wetens deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat, direct of indirect, artikel 2 wordt ontdoken.
Artikel 1 van de Wet op de Economische Delicten (hierna: WED) luidt:
Economische delicten zijn:
1. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
(…)
de Sanctiewet 1977, de artikelen 2, 7 en 9 voor zover betrekking hebbend op de onderwerpen, bedoeld in artikel 3;
(…)
Artikel 2, eerste lid, WED luidt:
De economische delicten, bedoeld in artikel 1 onder 1 (…) zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.
Artikel 6 WED luidt:
Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1. in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1 onder 1, (…) met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
(…)
Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
1. Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.
2. Indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de strafvervolging worden ingesteld en kunnen de in de wet voorziene straffen en maatregelen, indien zij daarvoor in aanmerking komen, worden uitgesproken:
1°. tegen die rechtspersoon, dan wel
2°. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel
3°. tegen de onder 1° en 2° genoemden tezamen.
Artikel 2:20, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
1. Een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.
Artikel 2:20, vierde lid, BW luidt met ingang van 1 februari 2007:
4. Een rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344), in Bijlage I van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 (PbEG L 139) of is vermeld en met een ster aangemerkt in de Bijlage bij het Gemeenschappelijk Standpunt nr. 2001/931 van de Raad van 27 december 2001 (PbEG L 344) is van rechtswege verboden en niet bevoegd tot het verrichten van rechtshandelingen.
Artikel 140, tweede lid, Sr luidde in de periode 27 juni 2003 tot en met 31 december 2021:
Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
En in de periode 1 januari 2022 tot en met 26 juni 2023:
De voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 Burgerlijk Wetboek is afgegeven, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of geldboete van de vierde categorie.
4.3.2. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte in de periode van 27 juni 2003 tot en met 25 oktober 2011 feitelijke leiding heeft gegeven aan het ontduiken van sanctiemaatregelen gesteld krachtens de Sanctiewet (feit 2) en in de periode van 1 februari 2007 tot en met 25 oktober 2011 aan het voortzetten van de verboden organisatie Stichting Al Aqsa (feit 3). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 4.3.5.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotiveringen.
4.3.3. Bewijsmotivering feit 2
4.3.3.1. Kern van de beschuldiging onder feit 2
Voor zover hier van belang en voor zover de rechtbank begrijpt is onder feit 2 primair ten laste gelegd dat Stichting [afkorting naam stichting] in of omstreeks de periode van 27 juni 2003 tot en met
26 juni 2023, kort gezegd, de Sanctiewet heeft overtreden door willens en wetens deel te nemen aan activiteiten waardoor artikel 2 van de Verordening werd ontdoken door de activiteiten van Stichting Al Aqsa voort te zetten door (1) direct of indirect geld beschikbaar te stellen aan Hamas, (2) de inkomende en uitgaande geld- of tegoedenstroom van Stichting Al Aqsa over te nemen en voort te zetten; en (3) bij de Rabobank de betrokkenheid van de verdachte bij Stichting [afkorting naam stichting] te verzwijgen, terwijl de verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Subsidiair is ten laste gelegd dat de verdachte de feiten zelf heeft (mede)gepleegd. De rechtbank zal de drie verwijten hierna achtereenvolgens bespreken.
4.3.3.2. Direct of indirect geld beschikbaar stellen aan Hamas
Op grond van de overwegingen bij feit 1 komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen bewijs is dat Stichting [afkorting naam stichting] gelden aan Hamas ter beschikking heeft gesteld, zodat de verdachte wordt vrijgesproken van het verwijt onder (1).
4.3.3.3. De geld- of tegoedenstroom van Stichting Al Aqsa overnemen en voortzetten
De sanctionering van Stichting Al Aqsa
Artikel 3 van de Verordening stelt strafbaar het willens en wetens ontduiken van de sanctiebepaling van artikel 2 van de Verordening. Ontduiken dient ruim te worden opgevat en daaronder valt in elk geval de voortzetting van een organisatie die, kort gezegd, wegens (het gevaar voor) terroristische activiteiten op de EU-sanctielijst is geplaatst. Dat is ook precies wat is ten laste gelegd. Maar daarvoor is dus tenminste vereist dat die organisatie op de bij artikel 2 van de Verordening behorende sanctielijst staat. Dat zou mogelijk alleen anders zijn, als die organisatie op de sanctielijst heeft gestaan, is opgeheven, daarna van de sanctielijst is gehaald maar ondertussen onder een andere naam en/of hoedanigheid is voortgezet. Nu deze kwestie in deze zaak niet aan de orde is, zal de rechtbank zich hierover niet verder uitlaten.
Hoe dan ook, zoals hiervoor in de inleiding is beschreven, is Stichting Al Aqsa op 11 februari 2014 van deze EU-sanctielijst gehaald om opheffing van de stichting mogelijk te maken. Anders gezegd, Al Aqsa is van de EU-sanctielijst gehaald maar is blijven bestaan.
In het zaaksdossier wordt opgemerkt dat Stichting Al Aqsa daarna niet heeft meegewerkt aan die opheffing en dus een onterechte delisting heeft bewerkstelligd:
“Als de voortzetting van de activiteiten van Stichting Al-Aqsa aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken was gecommuniceerd, dan zou Stichting Al-Aqsa tot en met heden op de EU lijst hebben gestaan en zou het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet voor delisting hebben gepleit.”
Dat moge zo zijn, maar ontduiking is onder de regels waarvan artikel 3 van de Verordening de basis is, met bovenstaande kanttekening, alleen strafbaar als Stichting Al Aqsa op de EU-sanctielijst staat en per 11 februari 2014 is dat niet meer het geval. Ook is niet gebleken van een actie vanuit de overheid om Stichting Al Aqsa daarna opnieuw op de EU-sanctielijst te plaatsen. Dit brengt mee dat, anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, de voortzetting van Stichting Al Aqsa per 11 februari 2014 geen strafbare ontduiking in de zin van artikel 3 van de Verordening oplevert.
De officier van justitie heeft in de bewijswijzer, die de officier van justitie voorafgaand aan de zitting naar de rechtbank en de verdediging heeft gestuurd, er nog op gewezen dat Stichting Al Aqsa in 2011 ook is aangewezen als rechtspersoon waarop de Sanctieregeling 2007-II van toepassing is, waarmee Stichting Al Aqsa op de Nederlandse sanctielijst is geplaatst. Dat is in zoverre relevant dat handelen in strijd met deze sanctieregeling strafbaar is op grond van artikel 2 Sanctiewet juncto de artikelen 1, 2 en 6 WED. Maar artikel 2 Sanctieregeling 2007-II, dat de relevante gedragsnormen bevat, verbiedt niet met zoveel woorden de voortzetting van (de werkzaamheden van) een organisatie die op de Nederlandse sanctielijst is geplaatst en evenmin het ontduiken van de verboden uit de Sanctieregeling 2007-II. Dit brengt mee dat het voortzetten van (de werkzaamheden van) Stichting Al Aqsa onder een andere noemer niet strafbaar is onder de Sanctieregeling 2007-II juncto artikel 2 Sanctiewet juncto artikel 1, 2 en 6 WED.
Het voorgaande betekent dat ter beoordeling voorligt of Stichting [afkorting naam stichting] de activiteiten van de gesanctioneerde Stichting Al Aqsa heeft voortgezet in de periode van 27 juni 2003 tot 11 februari 2014, en of de verdachte aan die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Heeft Stichting [afkorting naam stichting] de activiteiten van Stichting Al Aqsa voortgezet?
Bij de beoordeling van deze vraag heeft de rechtbank vanwege de samenhang ook acht geslagen op hetgeen in parlementaire stukken en rechtspraak is overwogen met betrekking tot het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ in de zin van artikel 140, tweede lid, Sr (zoals de beschuldiging luidt onder feit 3, zie hierna paragraaf 4.3.4).
Het nader rapport bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 23 juni 2021 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen (Stb. 2021, 310) houdt onder meer in:
“De kern van artikel 140 lid 2 Sr is dat de voortzetting van activiteiten van een ex artikel 2:20 BW onherroepelijk verboden rechtspersoon strafbaar is. Die strafbaarheid staat los van de vraag welke activiteiten of welke doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring zelf. Dit uitgangspunt geldt ongeacht de vorm waarin de voortzetting plaatsvindt, of het directe dan wel indirecte karakter van de voortzetting. In die zin past een ruime uitleg bij het begrip «voortzetting van de werkzaamheid», bedoeld in artikel 140 lid 2 Sr. Over de vraag op welke concrete wijzen de voortzetting zoal z’n beslag kan krijgen, zwijgt artikel 140 lid 2 Sr. Voortzettingsgedragingen kunnen zich in velerlei vorm voordoen. Het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Ter illustratie zij gewezen op: het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het voeren van een ledenadministratie, het «in de lucht» houden van een website en het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon of een daarmee vergelijkbare opvolger. Een combinatie van dergelijke factoren levert eerder bewijs op van de voortzetting van de activiteiten van een verboden
rechtspersoon.”
In het arrest van 5 december 2023 verwijst de Hoge Raad naar deze wetsgeschiedenis en overweegt dat aan het bestanddeel ‘voortzetting van de werkzaamheid’ van een verboden rechtspersoon een ruime uitleg toekomt. Ondanks de kritische beschouwing over onder meer dit arrest, waarnaar de verdediging verwijst, heeft de Hoge Raad deze jurisprudentie bevestigd in zijn arrest van 14 januari 2025.
De rechtbank zal de vraag of de stichting [afkorting naam stichting] de werkzaamheid van de verboden organisatie Stichting Al Aqsa heeft voortgezet om te beginnen beoordelen tegen de achtergrond van de vraag welke activiteiten of doelen aanleiding zijn geweest voor de verbodenverklaring van Stichting Al Aqsa. Van een voortzetting van een verboden werkzaamheid is immers al sprake wanneer één of meer personen samenhangende gedragingen plegen die soortgelijk zijn aan de gedragingen die geleid hebben tot de verbodenverklaring of gedragingen die dergelijke gedragingen ondersteunen.
De rechtbank zal daarbij ook betrekken of er sprake is een personele unie van medewerkers van de verschillende organisaties. De minister van Justitie heeft tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer namelijk gezegd dat hij “(v)oor het antwoord op de vraag of artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is op nieuwe werkzaamheid van oud-leden van een verboden verklaarde vereniging, (…) doorslaggevend (acht) of de nieuwe groepering al dan niet duidelijk afstand neemt van de verboden werkzaamheid”.
Dat betekent dus dat de betrokkenheid van een of meer dezelfde personen bij verschillende organisaties leidt tot de veronderstelling dat van een opeenvolging sprake is, tenzij de nieuwe organisatie afstand neemt van de oude, al zal dat overigens niet alleen uit de woorden maar vooral uit de daden dienen te blijken. Het gaat bij de strafbaarheid op grond van artikel 140, tweede lid, Sr immers niet om de opeenvolging van organisaties maar om voortzetting van de werkzaamheid.
In het verlengde van dit laatste ligt of fondsenwerfacties voor dezelfde goede doelen werden gehouden en of donateurs aan Stichting Al Aqsa donateurs werden van de stichting [afkorting naam stichting] of althans daartoe werden uitgenodigd.
De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage 2, blijkt dat Stichting [afkorting naam stichting] de activiteiten van de gesanctioneerde Stichting Al Aqsa heeft voortgezet in de periode van 27 juni 2003 tot 11 februari 2014, in die zin dat zij de inkomende en uitgaande geldstroom van Stichting Al Aqsa heeft overgenomen en voortgezet. De stichtingen hadden dezelfde kernactiviteit, te weten fondsenwerving voor humanitaire steun aan Palestijnen. Stichting Al Aqsa was in 2003 op de EU-sanctielijst geplaatst omdat zij gelden zou hebben ingezameld voor organisaties die gelieerd zouden zijn aan Hamas. Hierna stapten de verdachte, (in ieder geval) twee personeelsleden en donateurs van Stichting Al Aqsa over naar Stichting [afkorting naam stichting] en gingen de betalingen aan de Mercy Association for Children onverminderd door, nu alleen gedaan door Stichting [afkorting naam stichting] . Illustratief in dit verband is de brief van Stichting Al Aqsa aan haar donateurs, die eind 2013, begin 2014 werd verspreid, waarin wordt medegedeeld dat het weeskinderenproject, in afwachting van de juridische procedure over de sanctionering van Stichting Al Aqsa, wordt overgedragen aan Stichting [afkorting naam stichting] . Dat dit een tijdelijke oplossing was, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet niet af aan de initiële voortzetting van de activiteiten door Stichting [afkorting naam stichting] en voor het overige wordt dit standpunt weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat de voortzetting door Stichting [afkorting naam stichting] van Stichting Al Aqsa van structurele, blijvende aard was.
Deze verboden gedragingen kunnen worden toegerekend aan Stichting [afkorting naam stichting] , nu de litigieuze handelingen zijn verricht door personen die werkzaam waren voor of ten behoeve van de Stichting. Ook pasten de gedragingen in de normale taakuitoefening van en waren zij dienstig aan de Stichting, nu het haar primaire doelstelling zoals beschreven in de Kamer van Koophandel diende.
Heeft de verdachte aan deze gedragingen feitelijke leiding gegeven?
Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat om iemand te kunnen aanmerken als feitelijke leidinggevende die persoon geen formele leidinggevende positie binnen de rechtspersoon behoeft te bekleden. Ook iemand die in juridisch opzicht ondergeschikt is aan het bestuur van de rechtspersoon kan feitelijke leidinggever zijn. Als feitelijke leiding geven geldt eveneens het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage 2, blijkt dat de verdachte vanaf 2003 feitelijke leiding heeft gegeven aan de hiervoor besproken gedragingen van Stichting [afkorting naam stichting] . Hij was eerder betrokken bij Stichting Al Aqsa en heeft Stichting [afkorting naam stichting] opgericht. Dat dit in 2001 was, en dus voorafgaand aan de sanctionering van Stichting Al Aqsa, doet niet af aan de hiervoor beschreven overname en voortzetting van de activiteiten van Stichting Al Aqsa door Stichting [afkorting naam stichting] vanaf 2003.
De verdachte was niet alleen de geestelijk vader van Stichting [afkorting naam stichting] , maar ook daarna bepaalde hij de koers van de stichting en had hij invloed op de benoeming van bestuursleden, waaronder zijn dochters en mensen zonder bestuurlijke ervaring, en op hun beslissingen. Dat deed hij steeds achter de schermen, in die zin dat hij nooit een formele positie heeft gehad binnen de stichting, maar diverse getuigen die in verschillende periodes voor Stichting [afkorting naam stichting] hebben gewerkt bestempelen de rol van de verdachte als actief en leidinggevend. Volgens diverse voormalige bestuursleden was het ‘zijn’ stichting. Ook uit concrete gedragingen van de verdachte kan dit worden afgeleid. Zo nam hij deel aan de bestuursvergaderingen van Stichting [afkorting naam stichting] , gaf hij betalingsopdrachten namens de stichting, en zette hij zijn netwerk in ten behoeve van de activiteiten van Stichting [afkorting naam stichting] . De verdachte wist dat Stichting Al Aqsa was verboden, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om de geldstroom van Stichting Al Aqsa voort te zetten.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het voortzetten van een gesanctioneerde organisatie een voortdurend delict is. Dit strafbare feit is begaan door Stichting [afkorting naam stichting] en de verdachte heeft daaraan feitelijke leiding gegeven. Daarbij past echter de volgende kanttekening. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij in de periode 2001-2009 bij [afkorting naam stichting] betrokken is geweest en vervolgens in de periode na 2016. Nu heeft de verdachte eerder bij de politie verklaard dat hij in de periode na 2009 betrokken raakte bij Stichting [afkorting naam stichting] , wat niet rijmt met zijn verklaring op de terechtzitting. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter niet buiten elke redelijk twijfel dat de verdachte tussen eind 2011 en 2016 bij [afkorting naam stichting] actief is geweest, laat staan dat hij toen feitelijke leiding heeft gegeven aan de onder 2 primair ten laste gelegde verboden gedraging.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de voortzetting van de activiteiten van Stichting Al Aqsa, die in 2014 van de EU-Sanctielijst is gehaald, door de werkzaamheden voort te zetten met de Stichting [afkorting naam stichting] in de periode van 27 juni 2003 tot en met 25 oktober 2011.
4.3.3.4. Bij de Rabobank de betrokkenheid van de verdachte bij Stichting [afkorting naam stichting] verzwijgen
Het derde verwijt dat Stichting [afkorting naam stichting] onder feit 2 wordt gemaakt, is dat zij tegenover de Rabobank zou hebben verzwegen dat de verdachte bij de stichting was betrokken. Dit zou zijn gebeurd op 13 september 2018 tijdens een gesprek van medewerkers van de bank met de toenmalige secretaris van Stichting [afkorting naam stichting] , de heer [persoon B] en in 2021 bij het invullen van een UBO-formulier. Wat hiervan verder zij, dit is gelegen in een periode na 2014 en kan, zoals hiervoor is overwogen, niet als ontduikingshandeling in de zin van artikel 3 van de Verordening gelden.
4.3.4. Bewijsmotivering feit 3
Onder dit feit wordt Stichting [afkorting naam stichting] , waaraan de verdachte feitelijke leiding zou hebben gegeven, ervan verdacht dat zij heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van Stichting Al Aqsa, een van rechtswege verboden organisatie.
De beschuldiging is gegrond op artikel 140, tweede lid, Sr, juncto artikel 2:20, eerste en vierde lid, BW. Laatstgenoemd artikel is op 1 februari 2007 in werking getreden.
Gelet op hetgeen hiervoor in paragraaf 4.3.3.3 is overwogen en op grond van artikel 2:20, vierde lid, BW was Stichting Al Aqsa van 1 februari 2007 tot 11 februari 2014 een van rechtswege verboden organisatie. Uit het dossier volgt dat Al Aqsa in 2011 is opgenomen onder de Sanctieregeling 2007-II. Artikel 2:20 BW bepaalt niet dat plaatsing op de Nederlandse sanctielijst leidt tot het van rechtswege verboden zijn van een organisatie en gesteld noch gebleken is (de beschuldiging is hier ook niet op gegrond) dat ten aanzien van Stichting Al Aqsa sprake is van een rechterlijke beslissing tot verbodenverklaring of een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10 BW.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van Stichting Al Aqsa in de periode van 1 februari 2007 tot en met 25 oktober 2011.
4.3.5. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
feit 2 primair
[naam stichting] ( [afkorting naam stichting] )
in de periode van 27 juni 2003 tot en met 25 oktober 2011, te Leidschendam, Rotterdam en/of (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen,
opzettelijk en in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002 jo. artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 heeft gehandeld door:
willens en wetens (telkens) deel te nemen aan en/of te doen deelnemen aan activiteiten die (telkens) ertoe strekken en/of tot gevolg hebben dat direct en/of indirect artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 werd ontdoken, door (telkens):
- de activiteiten van Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (bij Uitvoeringsverordening 2003/480 d.d. 27 juni 2003 geplaatst op de lijst zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001) – binnen/via de rechtspersoon [naam stichting] ( [afkorting naam stichting] ) – voort te zetten, door (via/met gebruikmaking van het binnen Al Aqsa opgebouwde netwerk en/of faciliteiten) de inkomende en uitgaande geldstromen van Al Aqsa over te nemen en voort te zetten
aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
feit 3 primair
[naam stichting] ( [afkorting naam stichting] )
in de periode van 1 februari 2007 tot en met 25 oktober 2011, te Leidschendam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en),
heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie te weten: Stichting Al Aqsa Nederland (Al Aqsa)
welke organisatie van rechtswege verboden is verklaard immers is Stichting Al-Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (per 27 juni 2003 gesanctioneerd binnen Verordening (EG) 2580/2001 (Besluit van de Raad 2003/480/EG)) een rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Verordening 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001, althans een organisatie zoals bedoeld in artikel 2:20 lid 4 Burgerlijk Wetboek;
aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.
5. Kwalificatie en strafbaarheid
5.1. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
de eendaadse samenloop van
feit 2 primair
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
en
feit 3 primair
deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die van rechtswege is verboden, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
5.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
6. Straf
6.1. Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
6.2. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bij een veroordeling een gevangenisstraf bepleit die niet langer is dan de duur van de voorlopige hechtenis, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
6.3. Oordeel van de rechtbank
6.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever schuldig gemaakt aan het ontduiken van sanctiemaatregelen en het voortzetten van een verboden organisatie door de geldstromen van de nationaal en internationaal gesanctioneerde en daarom verboden Stichting Al Aqsa over te nemen en voort te zetten via Stichting [afkorting naam stichting] . De verdachte had een actieve en leidinggevende rol binnen Stichting [afkorting naam stichting] . Hij was de oprichter, nam deel aan de bestuursvergaderingen, gaf betalingsopdrachten en zette zijn netwerk in ten behoeve van de activiteiten van Stichting [afkorting naam stichting] , terwijl hij wist dat Stichting Al Aqsa was verboden.
De verdachte heeft op geraffineerde wijze gehandeld en heeft daarbij zowel de internationale regelgeving als de nationale wetgeving naast zich neergelegd. Deze regelgeving is van groot belang omdat het doel ervan is een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid, de bevordering van de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme. Dat de verdachte de feiten zou hebben gepleegd met het oog op (het kunnen voortzetten van) humanitaire hulpverlening maakt dit niet anders.
6.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 14 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapporten van de reclassering
De reclassering heeft diverse rapporten opgemaakt. In het laatste rapport, van 23 maart 2026, schat de reclassering het recidiverisico als laag in. De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 16 mei 2024 geschorst en in dat kader zijn voorwaarden gesteld, waaraan de verdachte zich steeds heeft gehouden. De reclassering acht voorzetting van deze voorwaarden niet van belang voor het beperken van het recidiverisico. De reclassering ziet daarom geen verdere rol voor zichzelf.
6.3.3. Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij de vaststelling van de hoogte van de gevangenisstraf neemt de rechtbank in aanmerking dat het primaire doel van de verdachte het verlenen van humanitaire hulp was en niet het op enigerlei wijze geldelijk steunen van Hamas of aan Hamas gelieerde organisaties.
De rechtbank heeft ook niet kunnen vaststellen dat deze steun ten goede kwam aan Hamas. Dit komt tot uiting in de vrijspraak voor het ter beschikking stellen van gelden aan Hamas onder feit 1 en gedeeltelijk onder feit 2. Voorts is mede als gevolg van de verwijdering van Stichting Al Aqsa van de EU-sanctielijst in 2014 een aanzienlijk kortere pleegperiode bewezen verklaard dan onder 2 en 3 ten laste is gelegd.
De rechtbank komt dan ook tot een beduidend lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op de sinds het einde van de bewezenverklaarde periode verstreken tijd van ruim veertieneneenhalf jaar zal de rechtbank de straf geheel voorwaardelijk opleggen en de proeftijd beperken tot een jaar. Daarmee wijst de rechtbank de vordering van de officier van justitie om de voorlopige hechtenis te laten voortduren na de uitspraak af.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op:
- de artikelen 51, 55 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;
- de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977,
- artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002;
- artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 2580/2001.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 primair en 3 primair, zoals in hoofdstuk 4 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 5 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de verdachte zich gedurende een proeftijd van een jaar opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf in het geval deze wordt ten uitvoer gelegd, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en D. van Putten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 mei 2026.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
1hij
in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 26 juni 2023 te Leidschendam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Noorwegen en/of Oostenrijk en/of Gaza,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, en/of alleen,
opzettelijk en in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002 jo. artikel 2, eerste lid sub b van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 heeft gehandeld door:
(telkens) – geheel of gedeeltelijk – tegoeden en/of andere financiële activa en/of economische middelen aan of ten behoeve van Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem), zijnde een groep of entiteit als bedoeld in artikel 2 lid 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001,
direct of indirect ter beschikking te stellen en/of te doen ter beschikking stellen, te weten:
- (2023) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 142.800 euro (AMB-063-01);
- (2022) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 912.400,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-014-01),
- (2021) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 593.520,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-03),
- (2019 t/m 2022) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 144.647,63,- US dollar (DOC-226-02/DOC-258-02) en/of 251.225,60,- New Israeli Sheqel (DOC-226-04/DOC-257-02) en/of 8.500,- New Israeli Sheqel (DOC-213-02) en/of 1.256 New Israeli Sheqel (DOC-228-04) en/of 155.000 New Israeli Sheqel (DOC-206-02) en/of 61.066 New Israeli Sheqel (DOC-206-02) en/of 175 New Israeli Sheqel (DOC-228-02) en/of 1.800 New Israeli Sheqel (DOC-228-06) en/of 390 New Israeli Sheqel (DOC-228-08) en/of 21.000 New Israeli Sheqel (DOC-207-02), althans één of meerdere geldbedrag(en),
- (2020) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 350.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-03),
- (2019) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 1.000.000 euro en/of 1.208.600 euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-03/DOC-187/DOC-243-02),
- (2018) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 985.500 euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (DOC-309),
- (2017) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 210.540,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/AMB-003-03/DOC-309),
- (2016) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 660.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/AMB-003-03),
- (2015) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 693.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/AMB-003-03/DOC-219-04),
- (2014) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 750.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04),
- (2013) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 455.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/DOC-219-02),
- (2012) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 221.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/DOC-219-01),
- (2011) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 931.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/DOC-127-01),
(2010) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 530.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-04)- één of meerdere andere geldbedrag(en)
(art. 2 en 3 Sanctiewet 1977)
(art. 1 Sanctieregeling terrorisme 2002)
(art. 1 onder 1̊ jo. art. 6 Wet op de economische delicten)
art. 47 lid 1 ahf ond 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[naam stichting] ( [afkorting naam stichting] )
in of omstreeks de periode van 25 maart 2010 tot en met 26 juni 2023 te Leidschendam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Noorwegen en/of Oostenrijk en/of Gaza, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk en in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002 jo. artikel 2, eerste lid sub b van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 heeft gehandeld door:
(telkens) – geheel of gedeeltelijk – tegoeden en/of andere financiële activa en/of economische middelen aan of ten behoeve van Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem), zijnde een groep of entiteit als bedoeld in artikel 2 lid 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001,
direct of indirect ter beschikking te stellen en/of te doen ter beschikking stellen, te weten:
- (2023) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 142.800 euro (AMB-063-01);
- (2022) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 912.400,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-014-01),
- (2021) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 593.520,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-03),
- (2019 t/m 2022) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 144.647,63,- US dollar (DOC-226-02/DOC-258-02) en/of 251.225,60,- New Israeli Sheqel (DOC-226-04/DOC-257-02) en/of 8.500,- New Israeli Sheqel (DOC-213-02) en/of 1.256 New Israeli Sheqel (DOC-228-04) en/of 155.000 New Israeli Sheqel (DOC-206-02) en/of 61.066 New Israeli Sheqel (DOC-206-02) en/of 175 New Israeli Sheqel (DOC-228-02) en/of 1.800 New Israeli Sheqel (DOC-228-06) en/of 390 New Israeli Sheqel (DOC-228-08) en/of 21.000 New Israeli Sheqel (DOC-207-02), althans één of meerdere geldbedrag(en),
- (2020) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 350.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-03),
- (2019) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 1000.000 euro en/of 1.208.600 euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-03/DOC-187/DOC-243-02),
- (2018) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 985.500 euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (DOC-309),
- (2017) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 210.540,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/AMB-003-03/DOC-309),
- (2016) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 660.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/AMB-003-03),
- (2015) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 693.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/AMB-003-03/DOC-219-04),
- (2014) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 750.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04),
- (2013) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 455.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/DOC-219-02),
- (2012) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 221.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/DOC-219-01),
- (2011) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 931.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-022-04/DOC-127-01),
(2010) één of meerdere geldbedrag(en) met een totaalbedrag van 530.000,- euro, althans één of meerdere geldbedrag(en) (AMB-003-04) - één of meerdere andere geldbedrag(en)
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
(art. 2 en 3 Sanctiewet 1977)
(art. 1 Sanctieregeling terrorisme 2002)
(art. 1 onder 1̊ jo. art. 6 Wet op de economische delicten)
(art. 47 lid 1 ahf ond 1 Wetboek van Strafrecht)
(art. 51 lid 2 sub 2 Wetboek van Strafrecht)
2[naam stichting] ( [afkorting naam stichting] ) en/of Stichting Al-Aqsa
in of omstreeks de periode van 27 juni 2003 tot en met 26 juni 2023, te Leidschendam, Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Gaza,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk en in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002 jo. artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 heeft gehandeld door:
willens en wetens (telkens) deel te nemen aan en/of te doen deelnemen aan activiteiten die (telkens) ertoe strekken en/of tot gevolg hebben dat direct en/of indirect artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 werd ontdoken, door (telkens):
- de activiteiten van Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (bij Uitvoeringsverordening 2003/480 d.d. 27 juni 2003 geplaatst op de lijst zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001) – binnen/via de rechtspersoon [naam stichting] ( [afkorting naam stichting] ) – voort te zetten, door (via/met gebruikmaking van het binnen Al Aqsa opgebouwde netwerk en/of faciliteiten) tegoeden en/of financiële activa en/of financiële middelen direct of indirect ter beschikking te (blijven) stellen aan Hamas (per 28 december 2001 bij Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB en Verordening (EG) 2580/2001 gesanctioneerd als Hamas-Izz al-Din al-Qassem (terroristische tak van de Hamas) (per 22 december 2003 inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassam)) en/of de inkomende en uitgaande geld-/tegoedenstro(o)m(en) van Al Aqsa over te nemen en/of voort te zetten en/of (vervolgens/daarbij)
- ( telkens) bij de Rabobank geen melding heeft/hebben gemaakt en/of doen maken van de betrokkenheid van verdachte bij [afkorting naam stichting] , althans richting de Rabobank (telkens) de betrokkenheid van verdachte bij [afkorting naam stichting] heeft/hebben ontkend/verzwegen en/of doen ontkend/verzwegen
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
(art. 2 en 3 Sanctiewet 1977)
(art. 1 lid 1 Sanctieregeling terrorisme 2002 jo. artikel 3 Verordening (EG) nr. 2580/2001)
(art. 1 onder 1̊ jo. art. 6 Wet op de economische delicten)
(art. 47 lid 1 ahf ond 1 Wetboek van Strafrecht)
(art. 51 lid 2 sub 2 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij
in of omstreeks de periode van 27 juni 2003 tot en met 26 juni 2023, te Leidschendam, Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Gaza,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, en/of alleen,
opzettelijk en in strijd met het krachtens artikel 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 van de Sanctieregeling terrorisme 2002 jo. artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 heeft gehandeld door:
willens en wetens (telkens) deel te nemen aan en/of te doen deelnemen aan activiteiten die (telkens) ertoe strekken en/of tot gevolg hebben dat direct en/of indirect artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 werd ontdoken, door (telkens):
- de activiteiten van Stichting Al-Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (bij Uitvoeringsverordening 2003/480 d.d. 27 juni 2003 geplaatst op de lijst zoals bedoeld in artikel 2 lid 3 Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001) – binnen/via de rechtspersoon [naam stichting] ( [afkorting naam stichting] ) – voort te zetten, door (via/met gebruikmaking van het binnen Al Aqsa opgebouwde netwerk en/of faciliteiten) tegoeden en/of financiële activa en/of financiële middelen direct of indirect ter beschikking te (blijven) stellen aan Hamas (per 28 december 2001 bij Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB en Verordening (EG) 2580/2001 gesanctioneerd als Hamas-Izz al-Din al-Qassem (terroristische tak van de Hamas) (bij besluit van de Raad 2003/902/EG per 22 december 2003 inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassam) en/of de inkomende en uitgaande geldstro(o)m(en) van Al Aqsa over te nemen en/of voort te zetten en/of (vervolgens/daarbij)
- ( telkens) bij de Rabobank geen melding heeft/hebben gemaakt en/of doen maken van de betrokkenheid van verdachte bij [afkorting naam stichting] , althans richting de Rabobank (telkens) de betrokkenheid van verdachte bij [afkorting naam stichting] heeft/hebben ontkend/verzwegen en/of doen ontkend/verzwegen
(art. 2 en 3 Sanctiewet 1977)
(art. 1 lid 1 Sanctieregeling terrorisme 2002 jo. artikel 3 Verordening (EG) nr. 2580/2001)
(art. 1 onder 1̊ jo. art. 6 Wet op de economische delicten)
(art. 47 lid 1 ahf ond 1 Wetboek van Strafrecht)
3[naam stichting] ( [afkorting naam stichting] )
in of omstreeks de periode van 27 juni 2003 tot en met 31 december 2021, te Leidschendam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Gaza,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,
heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie te weten: Stichting Al Aqsa Nederland (Al Aqsa)
welke organisatie van rechtswege verboden is verklaard immers is Stichting Al-Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (per 27 juni 2003 gesanctioneerd binnen Verordening (EG) 2580/2001 (Besluit van de Raad 2003/480/EG)) een rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Verordening 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001, althans een organisatie zoals bedoeld in artikel 2:20 lid 4 Burgerlijk Wetboek;
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
(art. 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
(art. 51 lid 2 sub 2 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij
in of omstreeks de periode van 27 juni 2003 tot en met 31 december 2021, te Leidschendam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Gaza,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,
heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie, te weten: Stichting Al Aqsa Nederland (Al Aqsa)
welke organisatie van rechtswege verboden is verklaard immers is Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (per 27 juni 2003 gesanctioneerd binnen Verordening (EG) 2580/2001 (Besluit van de Raad 2003/480/EG)) een rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Verordening 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001, althans een organisatie
zoals bedoeld in artikel 2:20 lid 4 Burgerlijk Wetboek;
(art. 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
EN
[naam stichting] ( [afkorting naam stichting] )
in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 26 juni 2023, te Leidschendam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Gaza,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,
de werkzaamheid van een organisatie heeft voortgezet, te weten: Stichting Al Aqsa Nederland (Al Aqsa)
welke organisatie van rechtswege verboden is verklaard immers is Stichting Al-Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (per 27 juni 2003 gesanctioneerd binnen Verordening (EG) 2580/2001 (Besluit van de Raad 2003/480/EG)) een rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Verordening 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001, althans een organisatie zoals bedoeld in artikel 2:20 lid 4 Burgerlijk Wetboek;
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
(art. 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
(art. 51 lid 2 sub 2 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij
in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 26 juni 2023, te Leidschendam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Israël en/of Libanon en/of Turkije en/of Gaza,
tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,
de werkzaamheid van een organisatie heeft voortgezet, te weten: Stichting Al Aqsa Nederland (Al Aqsa)
welke organisatie van rechtswege verboden is verklaard immers is Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland) (per 27 juni 2003 gesanctioneerd binnen Verordening (EG) 2580/2001 (Besluit van de Raad 2003/480/EG)) een
rechtspersoon vermeld in de lijst, bedoeld in artikel 2 lid 3 van de Verordening 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001, althans een organisatie zoals bedoeld in artikel 2:20 lid 4 Burgerlijk Wetboek;
(art. 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht)
Bijlage 2 – Bewijsmiddelen
1. Schriftelijk stuk
2. Schriftelijk stuk
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
Vraag verbalisanten:
Wat is uw betrokkenheid bij Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Ik heb de stichting zelf opgericht.
Vraag verbalisanten:
Hoe lang bent u betrokken (geweest) bij Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Het idee van de stichting komt van mij.
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
In uw eerste verhoor verklaarde u dat u gebruik maakt van telefoonnummer [gsm-nummer] .
Vraag verbalisanten
Hoe lang maakt u al van dit nummer gebruik?
Antwoord gehoorde
Heel lang, maar weet niet meer hoelang. Het kan 20 jaar zijn.
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte
Ik heb een sterk netwerk met alle organisaties die zich inzetten voor Palestina.
Het mailadres [e-mailadres 1] heb ik gebruikt. Het adres [e-mailadres 2] is mijn prive e-mailadres.
6. Proces-verbaal van de politie
In de bijlage worden de volgende contactgegevens bij 'Al-Aqsa Charitable Organization'
opgegeven:
7. Proces-verbaal van de politie
[verdachte] wordt [alias verdachte] genoemd.
8. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [persoon C]
Ik was begonnen bij stichting Al Aqsa rond 1995 en vanaf 2000 een gesubsidieerd baan bij stichting Al Aqsa en vervolgens werd deze geblokkeerd in 2003 en ben ik overgestapt naar stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Wie bepaalde aan welke stichtingen geld overgemaakt moest worden?
Antwoord gehoorde:
De contactpersoon voor mij richting het bestuur was [verdachte] .
We kregen een vraag en keken of we gingen overmaken of niet. [verdachte] gaf na overleg met het bestuur antwoord of wel of niet. Tenminste zo zou het volgens mij gaan. Hij ging het met het bestuur bespreken en kwam met verantwoording. Ik had geld overgeboekt en kreeg bericht of het geld binnen was of niet. Ik kreeg later een rapport terug. [verdachte] gaat denk ik overleggen met bestuur en had veel tijd voor de organisatie en heeft volgens mij veel contact met het bestuur.
Vraag verbalisanten:
Had Stichting [afkorting naam stichting] in de tijd dat u daar werkzaam was veel donateurs?
Antwoord gehoorde:
Als u mij vraagt of er mensen zijn overgestapt van Al Aqsa naar Stichting [afkorting naam stichting] dan antwoord ik u dat volgens het Moslim geloof mensen geld willen overmaken maar dat ging niet meer naar Al Aqsa en dan zoeken ze naar een nieuwe organisatie. Oude donateurs willen doorgaan en die zijn door gegaan naar [afkorting naam stichting] . Wij hebben het dossier van het kind nog. Dus de donateur kon hetzelfde kind sponseren. De rekening geblokkeerd, kon niet meer via Al Aqsa en kwamen dan naar stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Had Stichting [afkorting naam stichting] ook oude donateurs van Stichting Al-Aqsa overgenomen?
Antwoord gehoorde:
Niet overgenomen, maar uit zichzelf over geschakeld. Ik bedoel de donateur hadden uit
Zichzelf toen Al Aqsa gestopt was het geld overgemaakt naar stichting [afkorting naam stichting] . Sommigen
donateurs hadden nog steeds de naam Al Aqsa in hun hoofd en maakte om die reden met die
naam over naar stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Wat kunt u verklaren over tussen de problemen die zijn ontstaan tussen u en [naam 1] / [naam 2] ?
Antwoord geboorde:
Toen ik gestopt was in 2011 heb ik nooit meer iets gehoord van hem, maar ik wilde hem
ook niet meer zien. We waren broeder, maar kunnen niet met elkaar aan de tafel zitten. Het
ging over macht, maar niet over geld of doelen.
Vraag verbalisanten:
Wie bepaalde aan welke doelen in het buitenland (Gaza, Westelijke Jordaanoever etc.) geld
overgemaakt kon worden?
Antwoord gehoorde:
Het was in overleg met [verdachte] . En soms kwam ik met een advies en kreeg ik antwoord van [verdachte] . Ik kreeg niet direct antwoord en daarom dacht ik dat hij dit
deed na overleg met het bestuur. Dat zei hij ook zelf dat hij overleg had met het bestuur.
Ik kreeg soms opdracht van het bestuur via [verdachte] . Alles liep via [verdachte] .
Er was een conflict over de macht binnen de stichting. We accepteren elkaar als broeder, maar hij probeerde de macht te hebben. Ik praat met de mensen en de organisatie, want ik was directeur. Maar [verdachte] accepteerde dat niet.
Op een dag moest meneer [persoon D] weg uit het bestuur. Normaal moet dat gezamenlijk worden besloten. [verdachte] was naar een bestuurslid gegaan en gaf opdracht om meneer [persoon D] uit het bestuur te zetten. Meneer [persoon D] wilde weten of alles netjes ging en toen werd hij eruit gezet.
9. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [persoon E]
Mededeling verbalisanten:
Wij hebben gezien dat u van 7 december 2001 tot 1 januari 2004 voorzitter was van Stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Hoe bent u terecht gekomen bij Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Ik was werkzaam in Stichting Al-Aqsa. Wat eigenlijk voor [afkorting naam stichting] was. Het geld van Al-Aqsa was bevroren. [verdachte] stelde voor, begin maar een stichting. Dan kunnen we er toch voor zorgen dat behoeftigen geld krijgen. [verdachte] zegt, jij bent werkzaam bij Al-Aqsa, jij krijgt salaris, dat blijft doorgaan. Bedoeling was dat [afkorting naam stichting] losse stichting zou worden. Zo heeft [verdachte] dat bij mij overgebracht.
[verdachte] zegt iedere keer, we gaan op die dag vergaderen.
Hij zegt "ik moet erbij zijn", hij wil orders geven. Hij bepaalde wat er gebeurde binnen de
stichting, dat was van het begin al. Langzamerhand voelde ik: het is zijn organisatie.
U vraagt mij of de automatisch incasso's doorliepen van Stichting Al-Aqsa. We hebben volgens mij een brief gestuurd naar donateurs van Al-Aqsa dat de weeskinderen die zij hadden zijn overgebracht naar Stichting [afkorting naam stichting] . We hebben een brief gestuurd dat de donaties worden voortgezet door Stichting [afkorting naam stichting] . De donateurs hebben een nieuwe machtiging gegeven aan Stichting [afkorting naam stichting] .
Volgens mij gingen de gelden voor weeskinderen via [naam organisatie 7] , een organisatie in Engeland.
Al-Aqsa deed al zaken met [naam organisatie 7] .
Toen ik gestopt ben bij AI-Aqsa, ben ik ook gestopt bij [afkorting naam stichting] . Mijn salaris werd betaald door AI-Aqsa. Dus toen ik stopte bij [afkorting naam stichting] , was het ook ontslag bij AI-Aqsa.
Vraag verbalisanten:
Wie bepaalde aan welke stichtingen geld overgemaakt moest worden?
Antwoord gehoorde:
De directeur, die besprak dat met [verdachte] .
U vraagt mij hoe [naam 1] erbij betrokken is.
Hij besprak het met de directeur, [persoon C] , waar het geld naar overgemaakt werd.
U vraagt mij of [naam 1] eigenlijk de voorzitter en oprichter was van [afkorting naam stichting] .
Het is niet leuk om te zeggen, maar hij heeft het niet netjes gedaan. Het is gewoon zijn stichting.
U vraagt mij waaruit bleek dat de stichting echt van hem was.
Hij komt ook dominant over, hij geeft orders, "doe dit, doe dat". Hij moest bij vergaderingen aanwezig zijn. Ik volgde orders, moest doen wat [naam 1] van mij vroeg. Hij had de connecties, kende de moskeeën, zij kenden [naam 1] .
[naam 1] is degene die het schip leidt, hij is degene die de orders geeft en aangeeft met welke stichting ze gaan samenwerken. [naam 1] bepaalde de koers van Stichting [afkorting naam stichting] .
U vraagt mij of hij ook de contacten had in Gaza en Palestina.
Ja hij had de contacten.
Vraag verbalisanten:
Kunt u toelichten wat uw relatie was tot Stichting Al-Aqsa en de relatie tussen Stichting Al-Aqsa en Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Bij Al-Aqsa was ik administratief medewerker. Ik was werkzaam bij Al-Aqsa en bleef daar werkzaam toen ik voorzitter van [afkorting naam stichting] was, ik bleef het salaris houden van Al Aqsa zodat ik de werkzaamheden van [afkorting naam stichting] kon doen. Je kunt het eigenlijk zo zien, ze hebben het geld bevroren van Al-Aqsa en dan denk je aan de weeskinderen en arme families, die mensen worden in de steek gelaten. Je wilt alles doen om die mensen toch te helpen.
U vraagt mij of de automatisch incasso's doorliepen van Stichting AI-Aqsa. We hebben volgens mij een brief gestuurd naar donateurs van AI-Aqsa dat de weeskinderen die zij hadden zijn overgebracht naar Stichting [afkorting naam stichting] . We hebben een brief gestuurd dat de donaties worden voortgezet door Stichting [afkorting naam stichting] . De donateurs hebben een nieuwe machtiging gegeven aan Stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Kunt u nader toelichten hoe de donateurs van Stichting AI-Aqsa naar Stichting [afkorting naam stichting] zijn
doorverwezen?
Antwoord gehoorde:
De overgang was voor sommige donateurs verwarrend. Het is niet dezelfde stichting, maar als je dat tegen de mensen zegt kennen ze ons niet. Daarom hebben de mensen geld
overgemaakt onder verwijzing naar hun weeskind dat ze hadden van Al-Aqsa, voor de
zekerheid, denk ik.
10. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [persoon F]
Mededeling verbalisanten:
Wij hebben gezien dat u van 5 februari 2009 tot en met 23 september 2009 vicevoorzitter/
penningmeester was bij Stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Hoe bent u terecht gekomen bij Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Via [verdachte] .
[verdachte] nam ook deel aan alle vergaderingen.
Wij hadden geen feitelijke functie in de vergadering, we zaten er puur voor spek en bonen
bij want er werd voornamelijk Arabisch gesproken. Ik en de voorzitter spreken die taal niet. Ik was penningmeester maar kan me niet herinneren dat ik ooit bankafschriften heb gezien.
Na mijn inschrijving bij de KvK als penningmeester ben ik naar de ING bank gegaan en daar ben ik gemachtigde van de rekening geworden. Volgens mij was ik daar heen gegaan met [verdachte] . Ik heb geen pasje gekregen en heb geen enkele financiële handelingen verricht. Geen geld opgenomen of transacties gedaan.
[verdachte] was wel echt de baas, hij heeft mij ook als penningmeester gevraagd.
Vraag verbalisanten:
Waren er personen die invloed hadden binnen Stichting [afkorting naam stichting] die formeel geen betrokkenheid zouden hebben bij Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
[naam 1] , hij was volgens mij niet op papier betrokken.
Mededeling verbalisanten
Op 25 juni 2009 was er een bestuursvergadering van Stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Waarom woonden [verdachte] en [persoon C] een vergadering van Stichting [afkorting naam stichting] bij.
Antwoord gehoorde:
Ik heb [verdachte] eigenlijk altijd gezien als de leider, het was zijn stichting.
Vraag verbalisanten:
Is [verdachte] de oprichter van Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Ja, het was zijn stichting en hij was de oprichter.
Als ik het moet samenvatten, [verdachte] was gewoon de baas en alle initiatieven kwamen van hem af. Er werd gewoon gedaan wat hij zei, ik deed ook gewoon wat er door hem werd
gezegd.
Vraag verbalisanten:
Wie waren er nog meer verantwoordelijk voor de bankrekening van Stichting [afkorting naam stichting] in de
periode dat u voorzitter/penningmeester was voor deze stichting?
Antwoord gehoorde:
Ik zou [verdachte] zeggen, omdat hij feitelijk de baas was. Op papier misschien niet maar het was
echt zijn stichting, het was zelfs vernoemd naar zijn dochter. Ik heb ooit gevraagd aan [verdachte] of de stichting naar zijn dochter is vernoemd en hierop antwoorde hij bevestigend.
Vraag verbalisanten:
Aan welke stichtingen maakte u geld over?
Antwoord gehoorde:
Ik heb nooit een financiële handeling uitgevoerd in mijn functie als penningmeester, in ieder
geval niet dat ik me zou kunnen herinneren. Volgens mij heb ik nooit een financiële
handeling uitgevoerd.
Mededeling verbalisanten:
Uit e-mail correspondentie van u van 26 augustus en 27 augustus 2009 komt naar voren dat
' [persoon G] ' het werk gaat voortzetten in het bestuur als voorzitter.
Vraag verbalisanten:
Wie is [persoon G] ?
Antwoord gehoorde:
[persoon G] was de bemiddelaar.
Vraag verbalisanten:
Door wie is [persoon G] voorgedragen binnen Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
[verdachte] kwam met hem als bemiddelaar voor het conflict met [persoon C] en [persoon D] .
Mededeling verbalisanten:
[persoon H] reageerde hierop:
Denk dat je onder de nieuwe constructie veel meer te maken zult hebben met [verdachte] .
Vraag verbalisanten:
Wat was de rol van [verdachte] in de nieuwe constructie?
Antwoord gehoorde:
De rol van [verdachte] is nooit veranderd, hij was vanaf het begin de leider, oprichter, de stichting was van hem.
11. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [persoon I]
Vraag verbalisanten:
Wie was verantwoordelijk voor de financiën van Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Geen idee, oprecht. Ik kan me de formele setting niet herinneren. Ik zat toen met [verdachte] in het bestuur. Hij was een bestuurder.
Mededeling verbalisanten:
[verdachte] en [persoon C] waren geen formeel bestuurder bij Stichting [afkorting naam stichting] .
Vraag verbalisanten:
Waarom woonden [verdachte] en [persoon C] een bestuursvergadering van
Stichting [afkorting naam stichting] bij?
Antwoord gehoorde:
In mijn perceptie was [verdachte] bestuurder. Maar ik weet dan niet waarom hij dit dan bijwoonde.
Vraag verbalisanten:
Wat was de functie van [verdachte] binnen Stichting [afkorting naam stichting] ?
Antwoord gehoorde:
Ik was in de veronderstelling dat hij formeel bestuurder was.
12. Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [persoon J]
Vroeger was het al-Aqsa waar ik het geld naar over maakte. Ik kreeg een brief van Stichting
[afkorting naam stichting] dat de naam van Al-Aqsa veranderde in Stichting [afkorting naam stichting] maar dat het
rekeningnummer hetzelfde bleef.
13. Proces-verbaal van de politie
Onderzoek donateurs van Stichting Al-Aqsa op rekening Stichting [afkorting naam stichting]
Op de rekening van Stichting [afkorting naam stichting] werd maandelijks in de periode januari 2010 tot en met april 2014 vanaf rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam 3] / [naam 4] € 3,50 en € 4,50 overgemaakt. In totaal zijn er 106 overboekingen gedaan voor het totaalbedrag van € 451. De betalingen van € 3,50 bevatten de volgende omschrijving: [naam omschrijving] .
Bij het sorteren in de omschrijving op zoekterm 'Aqsa' zag ik dat er sponsoren zijn die onder
vermelding van Al-Aqsa weeskinderen ondersteunden. Het gaat om de volgende weeskinderen en donateurs:
14. Proces-verbaal van de politie
15. Proces-verbaal van de politie
Ik geef weer wat op de website van Stichting Al-Aqsa vermeld is over de inkomsten en uitgaven in 2001 en 2002.
16. Schriftelijk stuk
[naam organisatie 1]
Over de vereniging
1- De volledige naam van de instelling (in het Arabisch): [naam organisatie 1]
2- De volledige naam van de organisatie (in het Engels): [naam organisatie 1]
17. Schriftelijk stuk
18. Proces-verbaal van de politie
Op 5 juni 2001 was [verdachte] op de website van de Union of Good een contactpersoon. Op 20 oktober 2001 werd op de website van de Union of Good de volgende contactgegevens opgenomen voor Stichting Al-Aqsa:
Het telefoonnummer [gsm-nummer] gebruikte [verdachte] ook in 2001, in een
document d.d. 2 april 2001 die hij namens Stichting Al-Aqsa aan [persoon K] stuurde.
Op de website van de [naam organisatie 6] (versie 29 oktober 2001) waren onder andere opgenomen als deelnemers:
• Liefdadigheidsorganisatie Al-Aqssa (in Nederland)
Op de website van de [naam organisatie 6] (versie 13 december 2007) waren onder andere
opgenomen als deelnemers:
• [afkorting naam stichting] liefdadigheidsorganisatie (Nederland)
19. Proces-verbaal van de politie
Op 22 juni 2010 stuurde ' [e-mailadres 3] ' een e-mail aan Stichting [afkorting naam stichting] , [e-mailadres 4] en [e-mailadres 1] , met een bijlage. [verdachte] maakte gebruik van het e-mail adres [e-mailadres 1] . Vermoedelijk, mede gezien de naam, maakt [verdachte] ook gebruik van e-mail adres [e-mailadres 4] . De bijlage bevat een projectvoorstel waarin een bijdrage van USD 77.596 wordt gevraagd voor een "educatief zomerkamp" van de [naam organisatie 8] (Gaza).
20. Schriftelijk stuk
21. Schriftelijk stuk
22. Schriftelijk stuk
23. Proces-verbaal van de politie
In AMB-022-01 is het onderzoek beschreven naar de [naam organisatie 1] (hierna: [afkorting naam organisatie 1] ). Beschreven is welke bedragen door Stichting [afkorting naam stichting] aan deze organisatie zijn overgemaakt in de periode 2003-2017. Het doel van dit proces-verbaal is om, ter verduidelijking op het hiervoor genoemde proces-verbaal, per jaar een uiteenzetting te geven van de feiten die invloed hebben op de omvang van de geldstroom aan [afkorting naam organisatie 1] .
Hetgeen in dit proces-verbaal wordt beschreven kan als volgt worden samengevat: