ECLI:NL:RBROT:2026:613

ECLI:NL:RBROT:2026:613

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer ROT 25/3975
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Proces-verbaal
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

mondelinge uitspraak, beroep ongegrond, Wht, geen overname private schulden, geen notariele akte

Uitspraak

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. N. Rachid),

en

De minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van der Spoel).

Inleiding

1. Met het besluit van 20 december 2024 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd de schuld van eiseres over te nemen.

Met het besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, mr. T.P. Monteiro Mendonça, en als waarnemer van de gemachtigde van verweerder, mr. M. Bouhoud.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de schuld van eiseres aan [naam] ([naam]) van € 9.000,- niet heeft overgenomen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Verweerder neemt op aanvraag de geldschulden over van een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren vóór 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een al betaalde schuld komt alleen in aanmerking voor overname als de schuld voldoet aan voornoemde eisen en is afgelost na ontvangst van de zogenaamde Catshuisregeling. Verder heeft te gelden dat alleen schulden die zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen. Informele schulden, die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen indien deze zijn vastgelegd in een notariële akte opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijken uit een rechterlijke uitspraak.

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het overnemen van haar geldschuld aan [naam] ter hoogte van € 9.000,-. Ter onderbouwing van deze schuld heeft zij een ongedateerde verklaring van [naam] in het geding gebracht. Uit deze verklaring volgt dat eiseres de schuld pas hoefde terug te betalen als ‘ze wat meer lucht kan happen’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat uit deze verklaring niet blijkt dat de vordering op 1 juni 2021 opeisbaar was. Reeds om deze reden hoefde verweerder de geldschuld niet over te nemen en is het beroep ongegrond.

Verder is tussen partijen niet in geschil dat het gaat om een zogenaamde informele schuld en dat deze schuld niet is vastgelegd in een notariële akte. Daarmee komt de schuld niet voor overname in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een bijzondere situatie waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs van een informele schuld en de daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule toegepast dient te worden. De ongedateerde verklaring van [naam] als schuldeiser en de bankafschriften kunnen niet worden gezien als andere authentieke documenten waardoor redelijkerwijs geen twijfel meer bestaat over het bestaan van de geldschuld en de daarover gemaakte betalingsafspraken. Daarnaast werpen de bankafschriften ook de vraag op welke bedragen voor of na de ontvangst van de Catshuisregeling zijn afbetaald aan [naam].

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel evenmin. De Wht is een wet in formele zin, zodat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel of aan andere algemene rechtsbeginselen in beginsel niet mogelijk is (artikel 120 van de Grondwet). Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, zodanig dat die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de Wht zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de private schuld van eiseres niet hoefde over te nemen. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.A. Hage

Griffier

  • mr. L.A. van der Velden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?