RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5110
(gemachtigde: mr. M. van der Veen),
en
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor eiser op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). De rechtbank komt in de uitspraak tot het oordeel dat verweerder de VOG onterecht heeft geweigerd, omdat de wet in dit geval niet voorziet in de mogelijkheid een VOG te weigeren op basis van alleen een politiegegeven.
Procesverloop
2. Verweerder heeft de gevraagde VOG met het besluit van 18 december 2024 geweigerd. Met het besluit van 11 juni 2025 op eisers bezwaar is verweerder bij de weigering gebleven (het bestreden besluit).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen, vergezeld van eisers echtgenote [naam 1]. Namens verweerder heeft de gemachtigde deelgenomen, vergezeld van [naam 2].
Wat aan het bestreden besluit vooraf ging
3. Eiser (geboren in 1986) is huisgenoot van zijn echtgenote, die kinderen opvangt als gastouder in de gezamenlijke woning. Eiser beschikte gedurende 15 jaar over een specifieke VOG voor het zijn van huisgenoot van een gastouder. In het kader van continue screening is verweerder via het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) bekend geworden met een justitieel gegeven over een strafbaar feit van eiser, namelijk een aan eiser op 14 juni
2024 opgelegde strafbeschikking voor geweld tegen politieambtenaren gepleegd op 12 mei 2024 (wederspannigheid). Hierop is de VOG van eiser ingetrokken, met als gevolg dat eisers echtgenote vanaf 21 juni 2024 niet meer als gastouder mag werken en het (gezins)inkomen is weggevallen. Eiser heeft tegen de strafbeschikking verzet aangetekend en op 21 juni 2024 (opnieuw) een VOG aangevraagd.
Op 29 juli 2024 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt de aangevraagde VOG te weigeren. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat binnen de terugkijktermijn van vier jaar in het JDS een strafbeschikking is vermeld ter zake van geweld. Daarnaast betrekt verweerder een politieregistratie met als inhoud “04-05-2024 (ernstig) mishandelen, dan wel poging tot wurgen, van de stiefdochter”. Volgens verweerder bestaat, gelet op het JDS-gegeven en de politiemelding, de mogelijkheid dat kwetsbare (minderjarige) personen door eiser in aanraking komen met geweld en hiervan het slachtoffer worden.
Eiser is op 3 september 2024 door de politierechter vrijgesproken van de feiten waarvoor hij een strafbeschikking opgelegd had gekregen.
Op 18 december 2024 heeft verweerder besloten dat eiser geen VOG krijgt. Verweerder overweegt dat hij weliswaar de onherroepelijke vrijspraak niet in de beoordeling van de VOG-aanvraag betrekt en hij in het algemeen een VOG afgeeft als binnen de terugkijktermijn geen justitieel gegeven in het JDS is vermeld. Verweerder weigert echter in dit geval de VOG met toepassing van 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op basis van de bijzondere weigeringsgrond van paragraaf 3.1.5 van de beleidsregels VOG-NP-RP 2024 van 1 juli 2024 (hierna de beleidsregels). Hierin staat dat verweerder een VOG ook kan weigeren als sprake is van een (ouder) justitieel gegeven in het JDS over een misdrijf dat is gericht tegen een kind en de VOG wordt aangevraagd voor een functie die ziet op het werken met kinderen. Verweerder ziet gewichtige redenen om van dit beleid af te wijken door eiser deze weigeringsgrond tegen te werpen op basis van enkel een recent politiegegeven op grond waarvan verweerder aannemelijk acht dat eiser ernstig geweld heeft gebruikt tegen een kind terwijl de VOG wordt aangevraagd voor een functie of rol in het werken met kinderen.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de bezwaren ongegrond verklaard en met het bestreden besluit de weigering van de VOG gehandhaafd. Verweerder baseert dit op het over eiser bekend geworden recente politiegegeven en ziet daarin als uitbreiding en afwijking van paragraaf 3.1.5 van de beleidsregels onder toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb een weigeringsgrond. Bij het toepassen van de bijzondere weigeringsgrond heeft verweerder in het bijzonder de volgende vijf punten betrokken. Ten eerste gaat het om een VOG voor huisgenoot van een gastouder. Kinderen moeten gevrijwaard zijn van het ondervinden of zien van geweld. Ten tweede betreft het een politiegegeven over ernstig geweld tegen de stiefdochter. Ten derde heeft dit nog te kortgeleden plaatsgevonden om tijdsverloop in het voordeel te kunnen meewegen. Ten vierde is ook betrokken dat in het JDS veroordelingen voor wederspannigheid uit juni 2004 en februari 2007 zijn opgenomen, waaruit een patroon van gewelddadig gedrag kan worden afgeleid. Ten vijfde vindt verweerder dat aan persoonlijke omstandigheden, waaronder het wegvallen van het gezinsinkomen, minder gewicht toekomt dan aan het belang om de VOG te weigeren. Verweerder vindt het risico voor de samenleving te groot om eiser een VOG te geven. Verweerder overweegt daarbij dat hij zich realiseert dat geen VOG-politiegegevens is aangevraagd, omdat de beoogde functie niet valt onder de hogere integriteitseisen waarvoor een VOG-politiegegevens wettelijk verplicht is. Dit neemt volgens verweerder niet weg dat politiegegevens wel degelijk relevant kunnen zijn voor een volledige screening voor het werken met minderjarigen. Juist ook politiegegevens kunnen blijk geven van het bestaan van ernstige bezwaren tegen het werken met minderjarigen. Verweerder stelt in dat verband inmiddels bekend te zijn met een aantal zorgelijke casussen, waaronder deze, die tijdens de wettelijke invoering van de VOG en het opstellen van de beleidsregels niet waren voorzien. Op verzoek van verweerder is het WODC dan ook een onderzoek gestart naar het toevoegen van strafrechtelijke bronnen bij de VOG-screening voor het werken met minderjarigen.
Omdat het gaat om een ernstige verdenking van het plegen van geweld tegen een kind heeft verweerder besloten om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb af te wijken van de beleidsregels. In dit geval vindt verweerder in het recente politiegegeven dat ziet op verdenking van een misdrijf dat is gericht tegen een kind en het gegeven dat de VOG wordt aangevraagd voor het werken met kinderen, voldoende grondslag om de aanvraag voor een VOG te weigeren. Verweerder stelt dit te moeten doen, omdat bij de strikte toepassing van de beleidsregels in dit geval de uitkomst zou zijn dat de belangen van zowel het gastouderbureau als de maatschappij onevenredig zouden worden geschaad. Daarmee bedoelt verweerder dat het gastouderbureau en daarmee de gastkinderen te maken zouden kunnen hebben met het risico op geweld en het welzijn en de veiligheid van de gastkinderen in gevaar zou kunnen komen.
Het standpunt van eiser in beroep
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de VOG niet kan worden geweigerd op enkel een politiegegeven. Daarnaast voert eiser aan het politiegegeven inhoudelijk geen grond voor weigering van de VOG kan vormen. Eiser stelt dat van mishandeling of verwurging van zijn stiefdochter nooit sprake is geweest, dat de politie er geen vervolg aan heeft gegeven en dat een opvolgend onderzoek in het kader van een zorgtraject niets zorgwekkends aan het licht heeft gebracht. Eiser vindt ook dat de feiten uit 2004 en 2007 niet in de beoordeling mogen worden betrokken. Eiser heeft al sinds 2009 een VOG gehad en deze feiten zijn nooit aanleiding geweest een VOG te weigeren. Tot slot voert eiser aan dat gevolgen van de weigering buitenproportioneel zijn. Zijn echtgenote heeft haar bedrijf als gastouder moeten staken, zij heeft ook haar registratie hiervoor verloren, waardoor het gezinsinkomen is weggevallen. Eiser acht verweerder aansprakelijk voor de ontstane schade.
Het standpunt van verweerder in beroep
6. Verweerder handhaaft het standpunt zoals verwoord in de beslissing op bezwaar. Verweerder ziet in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) steun voor het standpunt dat in dit geval met een afwijking van het beleid de VOG-aanvraag mocht worden geweigerd.
Welke rechtsregels zijn in deze zaak van belang?
7. De voor de beoordeling van het beroep relevante wettelijke regels en beleidsregels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De rechtbank vat het toepasselijke juridisch kader als volgt samen. De Wsjg maakt een onderscheid tussen justitiële gegevens (neergelegd in het JDS) en politiegegevens. Artikel 35 Wjsg bepaalt dat verweerder de VOG weigert als met betrekking tot de aanvrager in het JDS een strafbaar feit is vermeld dat indien herhaald, niet is te rijmen met het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd. Bij een gewone VOG-aanvraag moet er justitiële documentatie zijn om een VOG te kunnen weigeren. De Minister mag wel kennis nemen van over de aanvrager beschikbare politiegegevens. Alleen bij nader aangewezen functies die een hoge mate van integriteit vereisen kan verweerder de VOG ook weigeren op basis van een politiegegeven. Dit is afzonderlijk voor deze functies geregeld in artikel 35a Wjsg.
In zijn beleidsregels voor het beoordelen en verlenen van een “gewone” VOG als bedoeld in artikel 35 Wsjg heeft verweerder opgenomen dat uitsluitend justitiële gegevens een weigeringsgrond vormen voor de afgifte van een VOG. Politiegegevens mag verweerder raadplegen en betrekt hij ook bij de beoordeling van het ‘subjectieve criterium’, waaraan verweerder pas toekomt als is voldaan aan het ‘objectieve criterium’ dat uit de justitiële gegevens een relevant strafbaar feit blijkt. Verweerder heeft verder in zijn beleidsregels vastgelegd dat bij een “gewone” VOG-aanvraag een terugkijktermijn van vier jaar wordt gehanteerd, behalve als in het JDS specifieke (ernstige) delicten staan vermeld. Als er over de voorgaande vier jaar geen strafbaar feit in het JDS staat, verleent verweerder volgens de beleidsregels de VOG. Dit is alleen anders bij een bijzondere weigeringsgrond. Die doet zich voor bij een justitieel gegeven buiten de terugkijktermijn, waarvan de aard en de ernst zodanig is dat, gelet op het doel van de aanvraag en het risico voor de samenleving, verweerder de belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de beoogde functie/taak/bezigheid te groot acht. Daaronder valt een justitieel gegeven over een misdrijf dat is gericht tegen een kind en de VOG wordt aangevraagd voor een functie die ziet op het werken met kinderen. In dat geval kan twintig jaar worden teruggekeken.
Beoordeling door de rechtbank
8. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder de VOG kon weigeren op grond van het over eiser bekend geworden politiegegeven. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Eiser heeft een VOG-aanvraag gedaan waarop artikel 35 van de Wjsg van toepassing is. Verweerder heeft de VOG-aanvraag beoordeeld op basis van het algemene screeningsprofiel met het risicogebied personen. Niet in geschil is dat daarbij een terugkijktermijn in de justitiële documentatie geldt van vier jaar. Binnen deze termijn van vier jaar is er met betrekking tot eiser geen strafbaar feit in de justitiële documentatie vermeld dat betrokken mag worden bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Dat betekent dat in beginsel een VOG moet worden verleend, tenzij sprake is van een bijzondere weigeringsmogelijkheid.
Verweerder baseert zich op de bijzondere weigeringsmogelijkheid van paragraaf 3.1.5. van het beleid. Nu een politiegegeven over eiser bekend is geworden dat ziet op een misdrijf gericht tegen een kind, terwijl de VOG is gevraagd voor een functie of rol gerelateerd aan het werken met kinderen, meent verweerder dat de VOG toch moet worden geweigerd. Verweerder heeft daarbij onderkend niet rechtstreeks toepassing te kunnen geven aan de bijzondere weigeringsmogelijkheid van paragraaf 3.1.5, omdat die alleen ziet op een justitieel gegeven buiten de terugkijktermijn. In dit geval is immers geen sprake van een justitieel gegeven, maar van een politiegegeven. Verweerder sluit aan bij de ratio van deze weigermogelijkheid uit het beleid, dat bij het werken met kinderen de risico’s zo veel mogelijk moeten worden beperkt en daarom dan ook ernstige relevante feiten van buiten de terugkijktermijn mogen worden betrokken. Verweerder construeert zo een nieuwe weigeringsgrond voor de VOG door een ernstig en aannemelijk feit jegens een kind in een recent politiegegeven gelijk te stellen aan een ernstig strafbaar feit jegens een kind in het JDS buiten de terugkijktermijn, en dit te presenteren als een afwijking op grond van artikel 4:84 (slot) van de Awb van paragraaf 3.1.5 van de beleidsregels ten behoeve van de belangen van derden (het gastouderbureau en de op te vangen kinderen).
De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee de systematiek van de artikelen 35 en 35a van de Wsjg miskent. De wetgever heeft er in deze artikelen bewust voor gekozen dat verweerder slechts in nader geregelde gevallen een VOG op basis van alleen een politiegegeven weigert. Zo’n nader geregeld geval is hier niet aan de orde. De wet, maar ook het beleid, is er duidelijk over dat verweerder een “gewone” VOG op grond van artikel 35 Wjsg alleen kan weigeren op grond van een justitieel gegeven. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met toepassing van artikel 4:84 (slot) Awb als afwijking van zijn beleidsregels, die immers invulling geven aan de in artikel 35 Wjsg gegeven beoordelingsruimte van verweerder, toch op basis van alleen een politiegeven een “gewone” VOG weigeren. Hiermee is niet zozeer sprake van een afwijking van het beleid, maar van een afwijking van de wet. Voor zover met de beslissing van verweerder al sprake zou zijn van gebruik van de beoordelingsruimte geldt dat tegenwettelijk gebruik daarvan alleen mogelijk is als dat voor de aanvrager begunstigend is. Dat is hier niet het geval.
De rechtbank ziet in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling geen aanknopingspunten dat hij de weigering in weerwil van artikel 35 Wjsg in dit geval toch op alleen een politiegegeven kon baseren. In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat verweerder in de gegeven omstandigheden een technisch sepot in afwijking van zijn beleid als relevant justitieel gegeven mocht betrekken. Er was in die zaak, anders dan hier, dus wel sprake van justitieel gegeven. Op grond van artikel 35, derde lid, van de Wsjg mag verweerder een justitieel gegeven alleen dan niet aan een weigering ten grondslag leggen, als dat bestaat uit een onherroepelijke vrijspraak voor een strafbaar feit. De wet stond er dus in zoverre in de zaak waarover de Afdeling oordeelde, niet aan in de weg om die uitzondering op het beleid aan te nemen.
De rechtbank kan zich in het algemeen voorstellen dat in bepaalde situaties, zoals bij het werken met kinderen, geen justitiële gegevens maar wel politiegegevens bekend zijn die reden tot zorg vormen. De wetgever heeft de mogelijkheid van een weigering van een VOG op basis van alleen een politiegegeven bij de invoering van artikel 35a Wjsg in 2022 echter bewust beperkt tot alleen functies in het domein van openbare orde en veiligheid die een hoge mate van integriteit vereisen. Het is aan de wetgever om te bezien, onder meer aan de hand van de uitkomsten van het door verweerder genoemde WODC-onderzoek, of aanleiding bestaat de mogelijkheden van het weigeren van een VOG voor dit soort situaties te verruimen.
Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is en de overige beroepsgronden geen bespreking meer behoeven.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 35, eerste lid, van de Wsjg. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om het geschil finaal te kunnen beslechten en zelf over de VOG-aanvraag te beslissen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat verweerder uiterlijk over 6 weken een beslissing op het bezwaar van eiser neemt met inachtneming van deze uitspraak en de dan over eiser bekende gegevens.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden (€ 194,-). Eiser krijgt verder een vergoeding voor zijn proceskosten, die verweerder moet betalen. Die vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand bepaald op € 3.200,- (2 punten voor het indienen van het bezwaarschrift en het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en 2 punten voor het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
Artikel 1
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. justitiële gegevens: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon inzake de toepassing van het strafrecht of de strafvordering, die in een gegevensbestand zijn of worden verwerkt;
(…)
g. justitiële documentatie: een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende justitiële gegevens die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd;
Artikel 28
Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 35
1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
(…)
3. Onze Minister betrekt niet in zijn oordeel de justitiële gegevens met betrekking tot de strafbare feiten die zijn afgedaan met een onherroepelijke vrijspraak.
Artikel 35a
1. Onverminderd artikel 35 weigert Onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag voor bij ministeriële regeling aangewezen functies die een hoge mate van integriteit vereisen indien politiegegevens met betrekking tot de aanvrager blijk geven van verbanden tussen de aanvrager en strafbare feiten die zouden zijn of zullen worden gepleegd en die, gelet op de omstandigheden van het geval en het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, een risico vormen voor de uitoefening van de functie. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de aard, frequentie, actualiteit en onderlinge samenhang van de politiegegevens.2. Voor aanwijzing bij ministeriële regeling komen functies in aanmerking waarin sprake is van:
Artikel 36
1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel e, geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18.
(…)
Beleidsregels VOG-NP-RP 2024
Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag
Voor de beoordeling van een aanvraag voor een VOG kan het COVOG verschillende soorten gegevens ontvangen van verschillende partijen, namelijk justitiële gegevens via Justid, justitiële gegevens via ECRIS en politiegegevens van de politie. (…) 1. VOG
Indien sprake is van een aanvraag voor een VOG door een natuurlijk persoon en op naam van de aanvrager geen justitiële gegevens staan, wordt zonder meer de VOG afgegeven.
11. Wanneer op naam van de aanvrager wel justitiële gegevens staan, wordt de vraag of de VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium, zie paragraaf 3.1. De beoordeling van een aanvraag voor een VOG.2. VOG politiegegevens
Indien sprake is van een aanvraag voor een VOG politiegegevens door een natuurlijk persoon en op naam van de aanvrager geen justitiële gegevens staan en ook geen politiegegevens, wordt zonder meer een VOG politiegegevens afgegeven.
Wanneer op naam van de aanvrager wel justitiële gegevens staan en/of politiegegevens, wordt de vraag of de VOG politiegegevens kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium, zie paragraaf 3.2. De beoordeling van een aanvraag voor een VOG politiegegevens.
(…)
Paragraaf 3.1. De beoordeling van een aanvraag voor een VOG
Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager van een VOG wordt een terugkijktermijn in acht genomen. Voor de terugkijktermijn zijn van belang:
Paragraaf 3.1.1. Periode terugkijktermijn justitiële gegevens Ten aanzien van de periodes waarover wordt teruggekeken bij justitiële gegevens wordt een onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de terugkijktermijn niet in duur wordt beperkt en gevallen waarin de terugkijktermijn wel in duur wordt beperkt.
Terugkijktermijn niet in duur beperkt
In de navolgende gevallen wordt de terugkijktermijn niet in duur beperkt:
Terugkijktermijn in duur beperkt
In alle andere gevallen dan hiervoor genoemd, is sprake van een terugkijktermijn die in duur wordt beperkt. Dit houdt in dat de beoordeling van de aanvraag in beginsel plaatsvindt aan de hand van de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager gedurende de vier jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling voorkomen in het JDS. Van deze terugkijktermijn van vier jaren wordt slechts afgeweken wanneer sprake is van één van de hieronder genoemde uitzonderingen. In dat geval geldt de daar genoemde terugkijktermijn.
Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt afgeweken indien:
(…)
gebruik wordt gemaakt van één van de in paragraaf 3.1.5 beschreven bijzondere weigeringsgronden;
(…)Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt het COVOG bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG- aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.
Paragraaf 3.1.2. Uitgangspunten terugkijktermijn justitiële gegevens
(…)
Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:
(…)
Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.1.4.1.) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpt toetsingskader van paragraaf 3.1.4.2. of paragraaf 3.1.4.3. van toepassing is (zie paragraven 3.1.4.2 en 3.1.4.3).
Paragraaf 3.1.4.1 Omstandigheden van het geval Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:– de afdoening van de strafzaak;– het tijdsverloop;– de hoeveelheid antecedenten.(…) Naast justitiële gegevens kunnen ook politiegegevens de beoordeling worden betrokken. In de politiesystemen kunnen bijvoorbeeld mutaties omtrent strafbare feiten aanwezig zijn, opgemaakte processen-verbaal en (dag)rapporten. Ondanks het feit dat deze informatie niet in alle gevallen tot vervolging heeft geleid, kan deze bij de beoordeling van de aanvraag worden meegewogen. Hierdoor wordt een betrouwbaar beeld verkregen van de integriteit van de aanvrager.
(…)
(…)
Paragraaf 3.1.5 Bijzondere weigeringsmogelijkheid VOG
De VOG wordt in beginsel afgegeven wanneer de aanvrager binnen de van toepassing zijnde terugkijktermijn niet voorkomt in de justitiële documentatie, dan wel binnen de terugkijktermijn in de justitiële documentatie een justitieel gegeven wordt vermeld dat, geoordeeld naar de omstandigheden van het geval, onvoldoende zwaarwegend is om op grond daarvan de VOG niet te verstrekken. Indien echter onder deze omstandigheden buiten de van toepassing zijnde terugkijktermijn een justitieel gegeven bekend wordt waarvan de aard en de ernst zodanig zijn dat, gelet op het doel van de aanvraag en het risico voor de samenleving, de belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de beoogde functie/taak/bezigheid te groot wordt geacht, kan de VOG worden geweigerd.
Voorwaarde voor toepassing van deze bijzondere weigeringsgrond is dat in de justitiële documentatie van de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag het volgende is aangetroffen:(…) - een justitieel gegeven over een misdrijf dat is gericht tegen een kind en de VOG wordt aangevraagd voor een functie die ziet op het werken met kinderen.