RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716611 / JE RK 26-509
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader, wonende in [woonplaats 1] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 3 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 17 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. De mondelinge behandeling heeft met toestemming van de aanwezigen ter zitting gelijktijdig plaatsgevonden met de zaken met zaaknummers: C/10/716597 / JE RK 26-505 en C/10/716600 / JE RK 26-507. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en de stiefvader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de moeder en de stiefvader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2025 [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 8 mei 2026.
3. Het (gewijzigde) verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting wijzigt de GI het verzoek in die zin dat nu wordt verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden en het overige deel van het verzoek aan te houden. De GI licht dit als volgt toe. Er is duidelijkheid gekomen ten aanzien van het contactherstel met de vader. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] willen momenteel geen contact en de moeder is bezig met een informeel verzoek om het ouderschapsplan te wijzigen. De kinderen willen niet worden gedwongen tot omgang met de vader. 10 voor Toekomst is betrokken bij het gezin en binnenkort staat er een evaluatie gepland. De GI wil dan kijken of de moeder nog hulp nodig heeft en of er vanuit 10 voor Toekomst nog zorgen naar voren komen. Ten aanzien van het ontbreken van contact met de vader ziet de GI een rol weggelegd om dit voor de kinderen een plek te kunnen geven.
4. Het standpunt van de moeder
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de GI. Zij vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig. Coachpoint is betrokken bij de kinderen en zij kunnen ook in het vrijwillig kader betrokken blijven. Op dit moment is er geen contact tussen de kinderen en de vader. De moeder wil niet dat de kinderen worden gedwongen om contact te hebben. De kinderen willen geen contact en de vader heeft ook geen pogingen gedaan om contact tot stand te brengen. De moeder wil haar kinderen beschermen en wil naar hen luisteren.
5. Informatie van de informant
De stiefvader geeft aan dat er bijna geen zorgen meer zijn en het goed gaat in huis. Er is geen contact tussen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en de vader. De stiefvader heeft niet het gevoel dat de vader zich daarvoor wil inzetten.
6. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De afgelopen periode zijn er veel positieve stappen gezet door de moeder en de stiefvader. Zij hebben intensief samengewerkt met de hulpverlening, waardoor er meer rust is gekomen in de thuissituatie. Ter zitting is gebleken dat de zorgen over de thuisomgeving grotendeels zijn weggenomen. 10 voor Toekomst is betrokken bij het gezin en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben een Kindbehartiger vanuit Coach-Point. Het afgelopen jaar is het niet gelukt om het contact tussen de kinderen en de vader vorm te geven. De kinderrechter benadrukt dat het in beginsel in het belang van de kinderen is om contact te hebben met beide ouders, mits een ouder in staat is om zijn ouderrol op een positieve manier te vervullen. De vader is al een lange tijd niet betrokken bij de kinderen. De kinderen wijzen het contact met de vader af en het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat daar op korte termijn verandering in komt. Er is geen ook geen contact tussen de moeder en de vader en de vader is - net als op de eerdere zitting - niet verschenen. De komende periode zal de Kindbehartiger de kinderen te ondersteunen in deze situatie. Daarbij is het van belang om in te spelen op de behoeftes van de kinderen. Het is bovendien belangrijk om de positieve ontwikkeling in de thuissituatie voort te zetten. De inzet van de jeugdbeschermer blijft noodzakelijk om de benodigde hulpverlening in te zetten en de ontwikkeling van de kinderen te volgen. Binnenkort staat er een evaluatie met 10 voor Toekomst gepland. Wanneer de evaluatie positief is en wanneer de resterende zorgen in de thuisomgeving zijn weggenomen, kan er worden gekeken of een overdracht naar het vrijwillig kader mogelijk is.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voor de duur van zes maanden. De kinderrechter houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan tot de hierna te noemen pro forma datum.
De GI wordt verzocht uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen pro forma datum te rapporteren (met afschrift aan de moeder en de vader) over de stand van zaken op dat moment en daarbij ook te vermelden of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 8 november 2026;
en alvorens te beslissen:
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan en bepaalt dat het verzoek wordt aangehouden tot 1 oktober 2026 pro forma;
bepaalt dat de GI, de moeder en de vader op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter de verzochte rapportage (met afschrift aan de moeder en de vader) te doen toekomen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 26 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.