Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-064527-26
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 13-249077-24
Datum uitspraak: 3 juni 2026
Datum zitting: 20 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. N. El Farougui
Officier van justitie: mr. T. van den Berg
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid pillen die MDMA bevatten.
De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
1. Tenlastelegging
Het dossier bevat twee dagvaardingen, te weten een dagvaarding voorzien van aanmaakdatum 22 april 2026 en een dagvaarding voorzien van aanmaakdatum 30 april 2026. Beide dagvaardingen zijn aan de verdachte uitgereikt. De dagvaarding van 22 april 2026 heeft het onder feit 2 over ‘een materiaal bevattende MDMA en/of een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne’; de dagvaarding van 30 april 2026 heeft het onder feit 2 over ‘ongeveer 1276 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA’.
De officier van justitie heeft de dagvaarding van 30 april 2026 voorgedragen. Dat is dan ook de dagvaarding waar de rechtbank over moet beslissen. De rechtbank gaat in dit vonnis wat feit 2 betreft daarom uit van het verwijt zoals aan de verdachte ten laste is gelegd in die dagvaarding, te weten het ‘aanwezig hebben van 1276 gram MDMA, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA’. De verdachte was, gelet op de voornoemde betekening van de dagvaarding, bekend met deze tenlastelegging. Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft er bij de verdachte en de verdediging ook geen misverstand over bestaan of kunnen bestaan dat het aan hem gemaakte verwijt in de kern zag op het bezit van een hoeveelheid van 1.276 gram materiaal bevattende MDMA – ongeacht hoe dit in de in de uiteenlopende tenlasteleggingen van de twee dagvaardingen was vervat.
De officier van justitie beschuldigt de verdachte voorts van vuurwapenbezit.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1.hij op of omstreeks 2 maart 2026 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, te weten een pistool van het merk/type Blow TR 92, kaliber9x17mm, voorhanden heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 2 maart 2026 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1276 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit wat betreft het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad en ongeveer 1.276 gram MDMA – tezamen en in vereniging – aanwezig heeft gehad. Van het ten laste gelegde medeplegen van feit 1 wordt de verdachte vrijgesproken. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feiten 1 en 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik had het vuurwapen voorhanden. Ik had het gekocht van iemand. Het lag meestal in de kelder van mijn woning.
Ik had ook de MDMA in mijn woning aanwezig. Ik weet dat het een grote hoeveelheid MDMA was. Ik bewaarde de in mijn woning aangetroffen en in beslag genomen pillen voor iemand anders. Ik heb de pillen ook zelf gebruikt.
2. Proces-verbaal van de politieOp 2 maart 2026 werd door mij, verbalisant, voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres].
In de woning werd [verdachte] aangehouden. Bij zijn aanhoudingwerd naast hem op zijn matras een vuurwapen aangetroffen. Dit vuurwapen werd inbeslaggenomen.
Tijdens de doorzoeking werd een witte Action tas met hierin een doorzichtige tas met grote hoeveelheid roze pillen inbeslaggenomen.
3. Schriftelijk stuk
Goednummer Omschrijving
7110755 Witte Action tas met pillen
7110858 Vuurwapen
4. Schriftelijk stuk
Inbeslagneming
Plaats : [adres], [postcode] [plaatsnaam]
Datum en tijd : 3 maart 2026 te 10:06 uur
Reden : artikel 26/1 Wet wapens en munitie (Voorhanden hebben wapen cat II ond 1 (vuurwapen))
Omstandigheden : Tijdens doorzoeking in de woning aangetroffen in een witte action tas
Goednummer : PL1700-2026074355-7111176
Categorie omschrijving : Medicamenten/hulpmiddelen
Object : Verdovende mid
Bijzonderheden : Doorzichtige zakjes met roze pillen
5. Proces-verbaal van de politieDoor ons is het volgende waargenomen en bevonden.
SIN: AATC4852NLGoednummer: 7111176Omschrijving: Een wit stoffen hengseltasje met opdruk 'Action' met daarin 1 transparante plastic zak met daarin schildvormige roze gleuftabletten.Nettogewicht: 1276 gram
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AATC4852NLSIN: AATG7467NLDit monster is voor verder onderzoek ingestuurd naar het NFI.
6. DeskundigenverslagKenmerk Omschrijving ResultaatAATG7467NL monster, gleuftabletten bevat MDMAConclusieIn het onderzoeksmateriaal is een lage concentratie MDMA aangetoond.MDMA is vermeld op lijst I van de Opiumwet.
7. Deskundigenverslag
AATO8398NL#01 hengsels van de tas
DNA kan afkomstig zijn van: Bewijskracht:
minimaal vijf personen:
[verdachte] - ongeveer 510 miljoen
[medeverdachte] - ongeveer 55 miljoen
8. Proces-verbaal van de politie
Sporendragers
Goednummer : PL1700-2026074355-7110755
SIN : AATC4853NL
Object : Verdovende mid
Bijzonderheden : Witte action tas met pillen
Veiliggestelde sporen
Spoornummer : PL1700-2026074355-245168
SIN : AATO8398NL
Relatie met SIN : AATC4853NL
Spoortype : Biologisch
Spooromschrijving : Epitheel
Wijze veiligstellen : Stubs
Datum/tijd veiligstellen : 6 maart 2026 om 10:00 uur
Plaats veiligstellen : Bemonstering hengsels van de tas
9. Proces-verbaal van de politie
Goednummer: PL1700-2026074355-7110858Object: Vuurwapen (Pistool)Merk/type: Blow Tr92Kaliber: 9x 72 mmBijzonderheden: Omgebouwd gaspistool met patroonmagazijn
Het inbeslaggenomen voorwerp is een pistool geschikt om projectielen door een loop afte schieten.De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundigeontploffing of een andere scheikundige reactie.Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet opartikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.hij op 2 maart 2026 te Rotterdam , een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, te weten een pistool van het merk/type Blow TR 92, kaliber 9x17mm, voorhanden heeft gehad;
2.hij op 2 maart 2026 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1276 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren het volgende strafbare feiten op:
1.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
2.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zowel het voorhanden hebben van een vuurwapen als het aanwezig hebben van MDMA.
Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Tegen onbevoegd vuurwapenbezit dient krachtig te worden opgetreden. Het aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.
Harddrugs, waaronder MDMA, zijn zeer schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. Het gebruik van deze middelen brengt – vaak zware - criminaliteit door gebruikers en handelaars mee. Dat is slecht voor de samenleving.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 4 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vuurwapenbezit. Het strafblad van de verdachte wordt daarom strafverzwarend meegewogen.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Fivoor Verslavingsreclassering van 15 mei 2026 staat het volgende.
De reclassering acht de leefgebieden middelengebruik en psychosociaal functioneren
delictgerelateerd. Bij de verdachte speelt een psychosociale problematiek en een verslavingsproblematiek. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog.
Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:
meldplicht bij reclassering;
opneming in een zorginstelling;
ambulante behandeling en zo nodig begeleid wonen;
beheersing middelengebruik;
ambulante begeleiding.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank verder mee dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor de feiten en ter zitting inzicht heeft gegeven in de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd.
Gelet op al het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden zes maanden voorwaardelijk opgelegd met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Het voorwaardelijke strafdeel heeft eveneens als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen mobiele telefoon wordt verbeurd verklaard, dat de in beslag genomen verdovende middelen en het vuurwapen worden onttrokken aan het verkeer, en dat het in beslag genomen geldbedrag ad € 152,55 wordt geretourneerd aan de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor feit 2 wordt de in beslag genomen mobiele telefoon Samsung Galaxy A16 (goednummer 7111632) verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. De mobiele telefoon is ook vatbaar voor verbeurdverklaring. Het strafbare feit is met behulp deze telefoon gepleegd dan wel voorbereid. Op deze mobiele telefoon is een afbeelding van een zak met roze pillen aangetroffen die volgens de verbalisant overeen kwam met de aangetroffen zak met roze pillen in de woning.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank beslist dat de in beslag genomen MDMA-pillen (goednummer 7111176) en het vuurwapen (goednummer 7110858) worden onttrokken aan het verkeer. De strafbare feiten 1 en 2 zijn met betrekking tot deze voorwerpen gepleegd. Daarnaast is het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet. Dit laatste geldt eveneens voor alle overige aangetroffen en in beslaggenomen verdovende middelen (goednummers 7110809, 7110755, 7110743, 7110748, 7110765, 7110785, 7110806, 7110799). Ook deze worden onttrokken aan het verkeer.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag ad € 152,55
aan de verdachte.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
Oordeel van de rechtbank
De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
De rechtbank ziet echter af van de tenuitvoerlegging, omdat toewijzing een beoogd positief effect van de in de onderhavige strafzaak op te leggen bijzondere voorwaarden zou kunnen frustreren. De vordering wordt daarom afgewezen. De proeftijd van die eerder opgelegde
straf zal wel worden verlengd met één jaar.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 10 van de Opiumwet.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat 6 (zes) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, laat opnemen in een kliniek van en behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere
problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren.
3. de verdachte, als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of
verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, meewerkt aan de indicatiestelling en plaatsing en zal verblijven in die instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
4. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk of aansluitend aan de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
5. de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. de verdachte zich laat begeleiden door Jan Arends of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding richt zich op alle leefgebieden, waaronder op verdachte zijn dagbesteding en financiën. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
In beslag genomen voorwerpen
Verlenging proeftijd (parketnummer 13-249077-24)
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 (één) jaar;
wijst de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige af.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Meulendijk griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 juni 2026
Mrs. Luiten en Terstegge zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.