Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-004261-24
Datum uitspraak: 3 juni 2026
Datum zitting: 20 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres: [adres] [postcode] [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. M. Sculic
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
Benadeelde partij: [de benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Hij heeft door middel van een zogenoemde babbeltruc het slachtoffer bewogen tot afgifte van haar bankpas met bijbehorende pincode.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal van aanzienlijke geldbedragen van een reeks slachtoffers door met, ook door babbeltrucs verkregen, bankpasjes met bijbehorende pincodes geld te pinnen dan wel daarmee goederen bij filialen van de Media Markt aan te schaffen.
De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De rechtbank legt aan de verdachte ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – het slachtoffer [slachtoffer 1] samen met een of meer anderen heeft opgelicht. De verdachte en zijn mededader hebben met gebruikmaking van een babbeltruc het slachtoffer ertoe bewogen haar bankpas af te geven. Daarnaast heeft verdachte, wederom samen met een of meer anderen, zich schuldig gemaakt aan diefstal van meerdere, aanzienlijke geldbedragen, door gebruik te maken van de bankpassen van verschillende slachtoffers.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1.
hij op of omstreeks 24 februari 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed te weten een
bankpas/pinpas behorende bij een rekeningnummer van de Rabobank, immer
heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
- zich telefonisch jegens die [slachtoffer 1] voorgedaan als een medewerker van de firma
de Broeders en/of
- ( daarbij) in die hoedanigheid valselijk en/of bedriegelijk aan die [slachtoffer 1]
medegedeeld dat er een geldbedrag van haar rekening was afgehaald en/of dat een
beveiliger de bankpas bij haar thuis zou komen ophalen en/of
- ( vervolgens) bij de woning van die [slachtoffer 1] aangebeld en aldaar zich (wederom)
jegens die [slachtoffer 1] voorgedaan als een beveiliger die de bankpas/pinpas kwam
ophalen;
2.
hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 21 november 2022 tot
en met 9 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
- een geldbedrag van ongeveer 4.995,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of
ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2],
- een geldbedrag van ongeveer 2.964,98 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of
ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3],
- een geldbedrag van ongeveer 3.388,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of
ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4],
- een geldbedrag van ongeveer 4.264,96 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of
ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5],
- een geldbedrag van ongeveer 1.998,98 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of
ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of
- een geldbedrag van ongeveer 1.409,99,- euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel
of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6],
in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), die/dat weg te nemen geldbedrag(en) (telkens) onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door (een) valse sleutel(s), van een valse order of het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels,
te weten: middels het meermalen, althans eenmaal gebruiken van één of meer bankpassen/pinpassen (inclusief bijbehorende pincode(s)) toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6], tot welk gebruik verdachte en/of zijn mededader(s) onbevoegd en/of niet gerechtigd was/waren.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte samen met een ander [slachtoffer 1] heeft opgelicht en daarmee haar bankpas en bijbehorende pincode afhandig heeft gemaakt (feit 1) en dat hij samen met een ander van in totaal zes slachtoffers geldbedragen heeft gestolen, met gebruikmaking van door oplichting verkregen bankpassen met bijbehorende pincodes. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor alle feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever 1]
3. Schriftelijk stuk
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever 2]
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever 3]
6. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever 4]
7. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever 5]
8. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangever 6]
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
hij op 24 februari 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed te weten een bankpas/pinpas behorende bij een rekeningnummer van de Rabobank, immers hebben verdachte en/of zijn mededader
- zich telefonisch jegens die [slachtoffer 1] voorgedaan als een medewerker van de firma
de Broeders en
- daarbij in die hoedanigheid bedrieglijk aan die [slachtoffer 1]
medegedeeld dat er een geldbedrag van haar rekening was afgehaald en dat een
beveiliger de bankpas bij haar thuis zou komen ophalen en
- vervolgens bij de woning van die [slachtoffer 1] aangebeld en aldaar zich jegens die [slachtoffer 1] voorgedaan als een beveiliger die de bankpas/pinpas kwam ophalen;
2.
hij in de periode van 21 november 2022 tot en met 9 maart 2023 te Rotterdam, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:
- een geldbedrag van 4.995,- euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2],
- een geldbedrag van 2.964,98 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3],
- een geldbedrag van 3.388,- euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4],
- een geldbedrag van 4.264,96 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5],
- een geldbedrag van 1.996,98 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en
- een geldbedrag van 1.409,99,- euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6],
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen geldbedragen telkens onder hun bereik hadden gebracht door een valse sleutel, te weten: middels het gebruiken van bankpassen/pinpassen (inclusief bijbehorende pincode(s)) toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6], tot welk gebruik verdachte en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van oplichting;
Feit 2
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de
persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, hierin bestaande dat hij door middel van een zogenoemde babbeltruc het slachtoffer heeft bewogen tot afgifte van zijn bankpas met bijbehorende pincode. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van aanzienlijke geldbedragen, door met, ook door babbeltrucs verkregen bankpasjes met bijbehorende pincodes, geld te pinnen dan wel daarmee goederen bij de Media Markt aan te schaffen.
Met zijn handelen heeft de verdachte op schandelijke wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van voornamelijk kwetsbare ouderen, die in de veronderstelling waren dat de verdachte en zijn mededaders namens banken of financiële instellingen handelden. De verdachte heeft hen opgelicht en bestolen slechts uit eigen financieel gewin, om snel en makkelijk geld te verdienen. Hij is volledig voorbij gegaan aan de impact die zijn handelen heeft gehad op zijn slachtoffers. Vaak weten deze oudere slachtoffers wel dat ze voorzichtig moeten zijn en als dan blijkt dat men toch is meegegaan in dergelijke babbeltrucs, overheersen gevoelens van schaamte en vernedering naar zichzelf en tegenover familie en bekenden.
[de benadeelde partij] heeft over de gevolgen die de daden van de verdachte en zijn mededaders voor haar hebben gehad geschreven in het door haar ingediende verzoek tot schadevergoeding. Zij schrijft over slecht slapen, geen vertrouwen meer hebben in de mens, de deur niet zomaar meer open durven doen en gevoelens van angst bij aanspraak of hulp op straat. Het is duidelijk dat de impact van de gebeurtenissen op 24 februari 2023 voor haar groot is geweest.
Misdrijven als de onderhavige hebben niet alleen impact op de slachtoffers, maar ook op de maatschappij als geheel. Zij voeden en versterken het wantrouwen en de angst van mensen, met name van ouderen en kwetsbaren. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.
Extra pijnlijk is dat sommige van de slachtoffers door het tijdsverloop de afloop van de strafzaken niet meer hebben kunnen meemaken.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 21 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsrapport van 9 april 2024. Bij veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 9 november 2023, omdat de verdachte op die datum werd aangehouden en verhoord. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en zeven maanden verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, houdt de rechtbank een redelijke termijn in deze zaak aan van twee jaar. Deze termijn is geschonden. Dit heeft – zoals hierna uiteengezet – gevolgen voor de op te leggen straf.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van het strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Deze gevangenisstraf wordt echter, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en het gegeven dat de verdachte na zijn aanhouding op 9 november 2023 niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest, geheel voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 240 uur opgelegd.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [de benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor de feiten 1 en 2 een verzoek tot schadevergoeding ingediend. [de benadeelde partij] heeft in haar vordering echter geen schadeposten of -bedrag genoemd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat het door [de benadeelde partij] ingediende verzoek tot schadevergoeding geen concreet schadebedrag vermeldt.
De rechtbank legt evenwel de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) ambtshalve op. Vast staat immers dat [de benadeelde partij] materiële schade heeft geleden door de bewezenverklaarde strafbare feiten van in hoofdsom € 1.996,98. Deze materiële schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde handelingen. Uit het procesdossier blijkt voorts dat deze schade niet door de bank is vergoed. Niet is gebleken dat [de benadeelde partij] geen schadevergoeding wenst. Het door [de benadeelde partij] ingediende verzoek tot schadevergoeding wijst eerder op het tegendeel. Dit betekent dat de verdachte de door [de benadeelde partij] geleden schade, een bedrag van € 1.996,98 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2023, aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan [de benadeelde partij].
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 29 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
De rechtbank bepaalt dat de verdachte en [de benadeelde partij] ieder de eigen proceskosten dragen.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vordering benadeelde partij
verklaart [de benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van [de benadeelde partij] aan de staat € 1.996,98 (zegge: negentienhonderdzesennegentig euro en achtennegentig eurocent) te betalen en de wettelijke rente vanaf 24 februari 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 29 (negenentwintig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan [de benadeelde partij] of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Meulendijk griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 juni 2026
Mrs. Luiten en Terstegge zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.