ECLI:NL:RBROT:2026:6258

ECLI:NL:RBROT:2026:6258

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer C/10/684117 / FA RK 24-5982 en C/10/695887 / FA RK 25-1907
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. In verband met de te ontvangen kinderbijslag en het kindgebonden budget wordt de hoofdverblijfplaats van de ene minderjarige bij de man en van de andere minderjarige bij de vrouw vastgesteld. Kinderbijdrage vastgesteld voor de minderjarige die bij de vrouw verblijft. Verdeling eenvoudige gemeenschappen. Uit hoofde van vergoedingsrechten moet de man € 91.200,- voldoen aan de vrouw.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/684117 / FA RK 24-5982

C/10/695887 / FA RK 25-1907

Beschikking van 28 april 2026 over de echtscheiding

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. D. de Heuvel te Papendrecht,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. P. de Boom te Barendrecht.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 09 augustus 2024;

het aanvullend verzoekschrift van de man met bijlagen, ingekomen op

25 februari 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 12 maart 2025;

het verweerschrift van de man op het zelfstandig verzoek;

het bericht met bijlagen van de vrouw van 17 maart 2026;

het bericht met bijlagen van de man van 18 maart 2026.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] .

Partijen zijn op 24 november 2006 huwelijkse voorwaarden overeengekomen.

Deze luiden – voor zover hier relevant – als volgt:

Uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

Bewijsovereenkomsten

Artikel 2

De roerende zaken en rechten aan toonder die behoren tot het beroeps- of bedrijfsvermogen van een echtgenoot worden geacht eigendom te zijn van die echtgenoot, behoudens tegenbewijs.

De kleding en lijfsieraden wonden tot op tegenbewijs geacht eigendom te zijn van de echtgenoot die deze goederen gebruikt of tot wiens gebruik zij bestemd zijn.

Geschil met betrekking tot goederen

Artikel 3

Tussen de echtgenoten kan een geschil bestaan met betrekking tot de vraag aan wie van hen roerende zaken of rechten aan toonder toebehoren, die niet onder de werking van een bewijsovereenkomst vallen. Indien geen van hen zijn rechten op die goederen kan bewezen, worden deze geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.

Vergoedingsrechten

Artikel 4

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

Kosten van de huishouding

Artikel 7

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning. Tevens behoren daartoe de kosten van aanschaf van de inboedel en van de voor het gezin bestemde auto’s en vaartuigen.

Indien aan die kosten, waaronder begrepen de kosten van een geldlening die in verband met de aanschaf zijn aangegaan, door beide echtgenoten is bijgedragen, komt de eigendom daarvan ieder van

hen voor de helft toe. (…)

Aanbreng

De verschenen personen verklaarden voorts dat zij geen nadere omschrijving wensen van de door hen ten huwelijk aangebrachte goederen.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] .

Partijen zijn ook de ouders van de jong-meerderjarige:

[jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] ,

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. De beoordeling

Scheiding

De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het is voor de vrouw niet duidelijk waarom de man van haar wil scheiden.

Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

De man heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De man heeft voldoende gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de man daarom in zijn verzoek tot echtscheiding.

Een huwelijk is duurzaam ontwricht indien het voortzetten van de samenleving ondraaglijk is geworden en geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen. De man stelt gemotiveerd en hij volhardt dat hij niet meer met de vrouw, als echtgenoten, kan samenleven. Dat de vrouw vindt dat de man zijn scheidingsmelding aan haar niet voldoende heeft onderbouwd, maakt het vorenstaande niet anders. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De verzochte echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden uitgesproken.

Verblijfplaats

Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. [minderjarige 1] krijgt haar hoofdverblijfplaats bij de man en [minderjarige 2] bij de vrouw. Dit laat onverlet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dezelfde momenten bij de man dan wel de vrouw verblijven, hetgeen hierna bij de zorgregeling wordt besproken.

Deze afspraak is gemaakt omdat partijen dan elk aanspraak kunnen maken op het kindgebonden budget en de kinderbijslag voor het minderjarige kind dat bij hem dan wel haar verblijft. Gelet op de overeenstemming tussen partijen gaat de rechtbank ervan uit dat zij over en weer hun medewerking verlenen aan de andere ouder om voor het kind dat bij hem dan wel haar verblijft de kinderbijslag en het kindgebonden budget aan te vragen.

De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in de beslissing.

Zorgregeling

Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling).

Partijen vinden het in belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en [jong-meerderjarige] ) dat zij in de echtelijke woning kunnen blijven, dicht bij hun school. De zorgregeling hangt daarom samen met de vraag wie van partijen in de echtelijke woning blijft. Voor de situatie dat partijen dicht bij elkaar blijven wonen, te weten op fietsafstand van elkaar, hebben zij een co- ouderschapsregeling afgesproken waarbij de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven. Voor de situatie dat de nieuwe woning van één van partijen buiten de fietsafstand tot de echtelijke woning is gelegen, hebben zij afgesproken dat de kinderen dan vijf dagen bij de ouder zijn die de echtelijke woning bewoont en twee dagen bij de andere ouder. In het geval het de man is die de echtelijke woning bewoont, zijn de kinderen vijf doordeweekse dagen bij hem en twee dagen in het weekend bij de vrouw. In het geval het de vrouw is die de echtelijke woning bewoont, zijn de kinderen vijf dagen bij de vrouw en in de ene week twee dagen in het weekend bij de man en in de andere week (wanneer de man het weekend werkt) zijn zij op twee doordeweekse dagen bij de man. In beide gevallen zijn de kinderen de helft van de vakanties bij ieder van hun ouders.

De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in de beslissing.

Kinderbijdrage

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 300,- per maand per kind vast te stellen.

De man verzoekt een door de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 53,- per maand per kind vast te stellen.

[jong-meerderjarige] is tijdens de echtscheidingsprocedure meerderjarig geworden.

De voor hem gevraagde bijdrage is geen nevenvoorziening die in deze procedure kan worden verzocht. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van

9 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:724). Partijen zijn het eens dat zij geen bijdrage namens [jong-meerderjarige] kunnen vragen, maar vragen de rechtbank wel om er bij het vaststellen van de kinderbijdrage rekening mee te houden dat de draagkracht van partijen moet worden verdeeld over drie kinderen. Zij verzoeken de rechtbank voor alle kinderen van dezelfde uitgangspunten uit te gaan. De rechtbank zal hiermee rekening houden.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).

Ingangsdatum

Partijen wonen nog samen in de echtelijke woning en delen alle kosten.

Zij zijn het eens dat de kinderbijdrage ingaat op de dag dat zij geen woning meer delen en dus feitelijk uit elkaar zijn.

De behoefte

De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (en [jong-meerderjarige] ) (hierna: de behoefte van de kinderen) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Gelet op voornoemde ingangsdatum zijn partijen het eens dat zowel voor het vaststellen van de behoefte van de kinderen als de draagkracht van partijen uitgegaan wordt van de meest recente inkomensgegevens uit 2026. Gerekend worden met de tarieven 2026-1.

NBI man

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 1) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2026 aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 63.114,-, op

€ 3.803,- per maand.

Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

NBI vrouw

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 2) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.260,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 2.280,-

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- pensioenpremie € 35,-

- aanvullende pensioenpremie € 9,-

Anders dan de man houdt de rechtbank aan de kant van de vrouw geen rekening met inkomsten uit ZZP-werkzaamheden. De vrouw heeft gemotiveerd aangegeven deze werkzaamheden in 2026 niet meer te verrichten. Zij is juist een dag meer in loondienst gaan werken.

Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op

€ 6.063,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen ad € 215,- per maand wordt uitgekomen op (afgerond) een totaalbedrag van

€ 6.278,- per maand.

Hiervoor genoemd netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 1.540,- per maand. De rechtbank komt hiermee uit op een lagere behoefte van de drie kinderen dan partijen. Dit komt omdat partijen voor de berekening van de behoefte in hun stukken uitgegaan zijn van de (hogere) inkomens uit voorgaande jaren. Nu zij tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken dat ook voor de behoefte wordt uitgegaan van de inkomensgegevens uit 2026 omdat zij nog steeds alle kosten delen, stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen vast op € 1.540,- per maand. Dit is het bedrag dat gelet op het huidige inkomen van partijen geacht te worden besteed aan de drie kinderen.

Draagkrachtberekening

Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.

Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.

NBI man

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 3) het huidige NBI van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 63.114,-, op € 4.152,- per maand.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 349,- per maand

(€ 4.183,- per jaar), waar de man gelet op zijn inkomen recht op heeft nu [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft.

NBI vrouw

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 4) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.820,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 2.280,-

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- pensioenpremie € 35,-

- aanvullende pensioenpremie € 9,-

Ook in deze berekening is alleen rekening gehouden met de inkomsten van de vrouw uit loondienst. Zij heeft voldoende onderbouwd dat zij geen inkomsten meer heeft uit ZZP-werkzaamheden.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 560,- per maand

(€ 6.720,- per jaar), waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft nu [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft.

Draagkracht partijen

De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- vastgesteld aan de hand van de volgende formule:

70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)].

De draagkracht van de man bedraagt € 1.079,- per maand en de draagkracht van de vrouw bedraagt € 426,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 1.079,- + € 426,- = € 1.505,-) lager is dan de behoefte van de kinderen (€ 1.540,-) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van partijen is beperkt tot ieders draagkracht.

De draagkracht van de man per kind bedraagt € 1.079,- : 3 = € 360,- per maand.

De draagkracht van de vrouw per kind bedraagt € 426,- : 3 = € 142,- per maand.

Zorgkorting

De toe te passen zorgkorting hangt af van de zorgregeling.

De rechtbank gaat er vooralsnog vanuit dat het partijen lukt om dicht bij elkaar in de buurt te blijven wonen, zodat de co ouderschapsregeling gaat gelden. Daarom wordt een zorgkorting van 35% toegepast op de manier als hierna is vermeld. Hoewel voor de meerderjarige [jong-meerderjarige] geen zorgregeling wordt vastgesteld, houdt de rechtbank ook voor hem rekening met genoemde zorgkorting. Partijen zijn het immers eens dat hij meegenomen moet worden in de berekening en er van dezelfde uitgangspunten moet worden uitgegaan.

Niet besproken is waar [jong-meerderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank zal er ten behoeve van de berekening van de kinderbijdrage van uitgaan dat hij zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft.

Indien de co ouderschapsregeling niet haalbaar is en de subsidiaire zorgregeling gaat gelden, moet een zorgkorting van 25% worden toegepast. Deze zorgkorting komt toe aan de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat met de uitgangspunten zoals opgenomen in deze beschikking partijen zelf met hun advocaten de voor deze situatie geldende kinderbijdrage kunnen afspreken.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft, wordt geacht de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen. De man betaalt deze dus voor [minderjarige 1] en de vrouw voor [minderjarige 2] .

Omdat de behoefte van de kinderen € 1.540,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 540,- (afgerond) per maand.

Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:

Het tekort bedraagt € 35,-, zodat de helft daarvan is € 17,-.

Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 540,-, zodat resteert

€ 540,- - € 17, = € 523,-

De zorgkorting minus het tekort aan draagkracht per kind bedraagt

€ 523,- : 3 = € 174,- per kind.

Voor de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] (en fictief voor [jong-meerderjarige] ) betekent dit:

de zorgkorting minus het tekort aan draagkracht van twee kinderen x € 174,- = € 349,- komt in mindering op de eerder berekende bijdrage voor de man:

€ 360,- per kind x twee kinderen - € 349,- = € 371,- per maand. Dit is € 185,- per maand per kind. De aan de man voor [minderjarige 2] op te leggen bijdrage wordt dus € 185,- per maand.

Voor de door de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] betekent dit:

de zorgkorting minus het tekort aan draagkracht voor één kind, te weten € 174,- komt in mindering op de eerder berekende bijdrage voor de vrouw:

€ 142,- - € 174,- = € 32,- negatief.

Aan de vrouw wordt dus geen kinderbijdrage opgelegd. Het aandeel van de vrouw voor [minderjarige 1] gebruikt zij als [minderjarige 1] bij haar verblijft.

Conclusie

Gezien het voorgaande is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] van € 185,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderbijdrage wordt afgewezen.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Voor [minderjarige 1] geldt dat de man geacht wordt de verblijfsoverstijgende kosten te betalen. Het aandeel van de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] heeft zij nodig voor als [minderjarige 1] bij haar verblijft. Aan haar wordt daarom geen kinderbijdrage opgelegd.

Voor [jong-meerderjarige] geldt dat in deze echtscheidingsprocedure geen bijdrage voor hem kan worden vastgelegd.

Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

Deze houden kort gezegd in dat tussen de echtgenoten geen enkele vorm van huwelijksgoederengemeenschap zal bestaan.

Partijen verzoeken elk over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en tot de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen op de door ieder van hen voorgestelde manier.

Partijen voeren over en weer verweer tegen de verzoeken van de andere partij.

Eenvoudige gemeenschappen

Omdat partijen buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd, kan slechts sprake zijn van één of meerdere eenvoudige gemeenschappen tussen partijen, waarvan de verdeling kan worden vastgesteld. Voor de eenvoudige gemeenschap gelden de artikelen van titel 7, afdeling 1 van Boek 3 BW.

Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang ex artikel 3:185 BW. De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen van de eenvoudige gemeenschappen afzonderlijk.

De peildatum voor de omvang van de eenvoudige gemeenschap is de datum van de feitelijke verdeling, te weten de datum van deze beschikking. De peildatum voor de waardering van een eenvoudige gemeenschap is de datum van de feitelijke verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid hiervan moet worden afgeweken.

Onroerende zaak aan de [adres] (hierna: de woning) en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening en spaarverzekering

Partijen zijn het eens dat de woning een waarde heeft van € 395.000,-. Zowel de man als de vrouw wensen de woning toegedeeld te krijgen tegen deze waarde.

Beide partijen hebben de voor hen zwaarwegende belangen aangevoerd waarom de woning aan hem dan wel aan haar moet worden toegedeeld. Zo is behoud van de woning volgens de man belangrijk voor de continuïteit van zijn werk. Voor de vrouw, die stelt de hoofdverzorger te zijn voor de kinderen en alle zaken rondom hen en de scholen te regelen, is het daarom belangrijk in de woning te kunnen blijven. De rechtbank is van oordeel dat deze door partijen aangevoerde belangen even zwaar wegen. Verder geldt dat voor beide partijen een verhuizing onrust en overlast meebrengt, dus ook dit kan geen argument zijn om de woning aan de ene dan wel de andere partij toe te delen.

Vaststaat dat de vrouw de overwaarde van haar oude woning heeft ingebracht bij de aankoop van de woning. Ook staat vast dat partijen zonder deze inbreng deze woning niet konden kopen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de woning met een waarde van

€ 395.000,- toe te delen aan de vrouw, onder de voorwaarde dat zij binnen twee maanden na deze beschikking de financiering rond heeft, zodanig dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.

Wanneer het de vrouw niet lukt om de financiering binnen twee maanden rond te krijgen, dan zal de woning onder dezelfde voorwaarden worden toegedeeld aan de man. Wanneer de man de woning niet kan financieren, zodanig dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dan moet de woning verkocht worden.

De kosten van de notaris worden door partijen bij helfte gedragen.

De onder- of overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs plus de waarde uit de spaarverzekering minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning minus (verkoop)kosten) worden in alle voorgaande situaties door partijen bij helfte gedragen of gedeeld, een en ander met eerbiediging van de hierna te beoordelen vergoedingsrechten.

Inboedelgoederen

De rechtbank begrijpt dat partijen het (uiteindelijk) eens zijn dat de in de woning aanwezige inboedelgoederen tot een eenvoudige gemeenschap behoren. Ook zijn zij het eens dat deze goederen worden toebedeeld aan de vrouw, met uitzondering van de barbecue, divers gereedschap en de airfryer die aan de man worden toebedeeld, zonder verrekening over en weer. De rechtbank beslist op die manier.

Appartement Montenegro

De man stelt dat de ouders van de vrouw aan partijen een appartement in Montenegro hebben geschonken, dat tot de eenvoudige gemeenschap van partijen behoort en verdeeld moet worden in die zin dat aan de man de helft van de waarde van het appartement toekomt.

De vrouw betwist dat partijen een appartement in Montenegro hebben. Haar vader heeft daar wel een appartement maar dit hoort niet tot de eenvoudige gemeenschap van partijen. Er is dus geen appartement door de vader van de vrouw geschonken, ook niet aan de vrouw alleen. Zij wijst in dit verband op een verklaring van haar vader waarin hij stelt dat het appartement in Montenegro op zijn naam staat en in zijn bezit is.

De enkele stelling van de man dat tot een eenvoudige gemeenschap van partijen een appartement te Montenegro behoort is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende om hiervan te kunnen uitgaan. Zijn verzoek op dit punt wordt daarom afgewezen.

Volkswagen Up en Volkswagen Tiguan

De vrouw stelt primair dat zij op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden een vergoedingsrecht heeft van € 15.000,-. De rechtbank begrijpt dat de vrouw meent dit vergoedingsrecht te hebben omdat zij met € 7.000,- en € 8.000,- heeft meebetaald aan de Volkswagen Tiguan van de man. Ten aanzien van de Volkswagen Up stelt zij dat deze volledig uit haar eigen inkomen is betaald.

Subsidiair stelt de vrouw dat op grond van artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden de auto’s niet tot het privévermogen van partijen behoren. Omdat de aanschaf van de auto’s is bekostigd uit inkomen en behoorde tot de kosten van de huishouding, zijn de auto’s tot een eenvoudige gemeenschap zijn gaan behoren. De rechtbank begrijpt dat de vrouw wil dat de Volkswagen Up met een waarde van € 5.000,- aan haar en de Volkswagen Tiguan met een waarde van € 15.000,- aan de man worden toegedeeld en aan ieder van partijen de helft van de waarde van de auto’s toekomt.

De man stemt in met het subsidiaire verzoek van de vrouw.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de Volkswagen Up dat de man niet dan wel onvoldoende heeft weersproken dat de vrouw de aanschaf van deze auto volledig uit haar eigen inkomen heeft betaald. Op grond van artikel 7 lid 2 laatste alinea van de huwelijkse voorwaarden komt de eigendom van de auto alleen aan ieder van partijen voor de helft toe, als ieder van partijen aan de kosten van de aanschaf hiervan heeft bijgedragen.

Nu hiervan niet dan wel onvoldoende is gebleken, is de Volkswagen Up eigendom van de vrouw. Deze komt niet voor verdeling in aanmerking.

Ten aanzien van de Volkswagen Tiguan geldt dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij met € 15.000,- heeft bijgedragen in de aanschaf. Gelet op artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden komt de eigendom van deze auto daarom aan ieder van partijen voor de helft toe, zodat een eenvoudige gemeenschap is ontstaan. Omdat de peildatum voor de waardering van de auto de datum van feitelijke verdeling is, moet de huidige waarde van de auto door een taxatie worden vastgesteld. De auto moet dan tegen die waarde aan de man worden toegedeeld onder verrekening met de vrouw.

De vrouw beroept zich op een vergoedingsrecht omdat zij met € 15.000,- heeft bijgedragen in de auto van de man. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een samenloop van een vergoedingsrecht en kosten van de huishouding. Nu de vrouw op grond van artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden meedeelt in de waarde van de Volkswagen Tiguan omdat ten aanzien van dat goed een eenvoudige gemeenschap is ontstaan, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toewijzen van een vergoedingsrecht. Dit verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

De wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen zal gelast worden zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.5.7. tot en met 3.5.21. is weergegeven.

Vergoedingsrechten

Niet in geschil is dat de vrouw met € 59.000,- heeft geïnvesteerd in de woning.

Op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden geldt een nominaal vergoedingsrecht. Vaststaat dus de vrouw een vergoedingsrecht heeft van € 59.000,- .

De man stelt dat hij € 15.000,- aan privégeld heeft geïnvesteerd in de woning.

Dit is door de vrouw gemotiveerd weersproken. De man heeft zijn stelling verder niet onderbouwd. Daarom staat niet vast dat hij een vergoedingsrecht van € 15.000,- heeft.

De vrouw stelt verder dat haar vader € 50.000,- aan haar heeft geschonken en dat zij dit bedrag heeft geïnvesteerd in de woning.

Van deze € 50.000,- is:

€ 15.000,- betaald aan de neef van de man voor in de woning verrichte werkzaamheden;

€ 9.600,- gebruikt voor de nieuwe keuken;

€ 7.600,- gebruikt voor de badkamer/wc;

€ 5.000,- voor een tweepersoonsbed;

€ 12.800,- besteed aan inboedelgoederen zoals keukenapparatuur, terrasoverkapping, kunstgras, wasmachine, vaatwasser, droger, tuin etc.

De man betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft van € 50.000,-. Volgens hem is dit bedrag door de ouders van de vrouw aan partijen gezamenlijk geschonken, waarna van dit geld uitgaven ten behoeve van de woning zijn gedaan. Bovendien vallen de gedane investeringen onder de kosten van de huishouding, hebben deze een gezamenlijk belang gediend en zijn deze niet alleen ten behoeve van de man gedaan, zodat artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden niet van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat het bedrag van € 50.000,- alleen aan haar is geschonken. Dit blijkt uit de verklaringen van haar vader, uit het feit dat genoemd bedrag op haar privérekening is gestort en uit het feit dat partijen onder koude uitsluiting zijn gehuwd. Nu moet worden beoordeeld of dit volledige bedrag is geïnvesteerd in de gezamenlijke woning op grond waarvan een vergoedingsrecht voor de vrouw is ontstaan. Dat artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden in dit geval niet van toepassing is zoals de man stelt, rijmt niet met zijn eigen gestelde vergoedingsrecht en met het vergoedingsrecht van de vrouw van € 59.000,- waarover geen geschil bestaat.

De rechtbank acht een vergoedingsrecht van € 32.500,- in dit geval toewijsbaar.

Dit bedrag bestaat uit genoemde € 15.000,-, € 9.600,- en € 7.600,-. Voor de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat dit investeringen in de woning betreffen uit het (geschonken) privégeld van de vrouw, waardoor voor haar een vergoedingsrecht is ontstaan.

Ten aanzien van het bed van € 5.000,- geldt dat alleen de vrouw hieraan uit (geschonken) privégeld heeft bijgedragen. De aanschaf van een bed is geen investering in de woning, waardoor een vergoedingsrecht is ontstaan. Evenmin behoort dit bed, gelet op artikel 7 lid 2 laatste alinea van de huwelijkse voorwaarden tot een eenvoudige gemeenschap van partijen, omdat de man hieraan niet heeft bijgedragen. Dit bed is en blijft van de vrouw. Het verzoek van de vrouw op dit punt wordt afgewezen.

Ten aanzien van de overige (inboedel) goederen van € 12.800,- zoals opgesomd door de vrouw en bij partijen genoegzaam bekend, geldt dat alleen de vrouw hieraan uit (geschonken) privégeld heeft bijgedragen. De aanschaf van deze goederen is geen investering in de woning, waardoor een vergoedingsrecht is ontstaan. Evenmin behoren deze goederen gelet op artikel 7 lid 2 laatste alinea van de huwelijkse voorwaarden tot een eenvoudige gemeenschap van partijen, omdat de man hieraan niet heeft bijgedragen. Deze goederen zijn en blijven van de vrouw. Het verzoek van de vrouw op dit punt wordt afgewezen.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw moet voldoen uit hoofde van vergoedingsrechten een bedrag van € 91.200,- , welk bedrag bij de overdracht van de woning zal worden verrekend.

Ingetrokken verzoek

De vrouw heeft het verzoek ten aanzien van de partnerbijdrage ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 19 december 2006 te Rotterdam;

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man zal zijn;

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw zal zijn;

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten:

in de situatie dat partijen dicht bij elkaar blijven wonen, te weten op fietsafstand van elkaar:

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven overeenkomstig een co ouderschapsregeling de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw;

in de situatie dat de nieuwe woning van één van partijen buiten fietsafstand tot de echtelijke woning is:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn vijf dagen bij de ouder die de echtelijke woning bewoont;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee dagen bij de andere ouder;

in die situatie dat de man de echtelijke woning bewoont en de vrouw buiten fietsafstand tot de echtelijke woning woont:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn vijf doordeweekse dagen bij de man;

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn twee dagen in het weekend bij de vrouw;

in de situatie dat de vrouw de echtelijke woning bewoont en de man buiten fietsafstand tot de echtelijke woning woont:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn vijf dagen bij de vrouw en twee dagen in het weekend bij de man;

in de week dat de man het weekend moet werken zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vijf dagen bij de vrouw en twee doordeweekse dagen bij de man;

in alle gevallen:

- verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de helft van de vakanties bij de man en de helft van de vakantie bij de vrouw;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de dag dat zij geen woning en woonlasten meer delen en dus feitelijk uit elkaar zijn als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 185,- per maand;

gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.5.7. tot en met 3.5.21. en bepaalt dat de vrouw ten laste van de man een vergoedingsvordering van € 91.200,- toekomt die bij de overdracht van de woning zal worden verrekend;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, op 28 april 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E. van Alebeek-Baars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand