Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/710139 / FA RK 25-8727
Beschikking van 7 mei 2026 over het ouderlijk gezag/de zorgregeling of omgangsregeling
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E.M. van Veen te Gorinchem,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 14 november 2025;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 19 maart 2026.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben samen een affectieve relatie gehad, welke relatie is beëindigd.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Bij beschikking van 6 december 2023 is onder meer beslist dat:
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw is;
- een zorgregeling geldt waarbij de minderjarige een weekend per veertien dagen bij de man is van vrijdag 18.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man haalt en brengt.
Bij kort geding vonnis van 3 juli 2024 is beslist dat:
- de man de zorgregeling uit de beschikking van 6 december 2023 dient na te komen, bij straffe van een dwangsom van € 100,- per dag bij niet nakoming, gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,-.
De zorgregeling wordt sinds juli 2025 niet meer uitgevoerd.
3. De beoordeling
Gezag
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan haar toekomt. De man voert geen verweer.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend of dat het gezamenlijk gezag niet in stand kan blijven.
De vrouw stelt dat er al lange tijd geen onderling contact is tussen ouders. Op momenten dat er voorheen wel contact was dan verliep dat moeizaam. Zo kwam het voor dat de man niet reageerde op een vraag over de terugbrengtijd en dat de vrouw dan zelf de minderjarige bij de man ging halen. Ook bij het uitblijven van een reactie van de man probeerde de vrouw dan via de vader van de man wel eens duidelijkheid te krijgen. Verder stuurde de man berichten in de verwijtende sfeer die niet over de minderjarige gingen. Kortom, overleg was en is niet mogelijk en daar loopt de vrouw tegenaan terwijl er wel allerlei beslissingen over de minderjarige genomen moeten worden.
De rechtbank is voldoende gebleken dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Partijen hebben inmiddels al langere tijd geen enkel contact meer en ook het contact tussen de man en de minderjarige is er al langere tijd niet meer.
De vraag is vervolgens of er reden is tot het beëindigen van het gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank acht, net als de raad, die reden aanwezig. De situatie waarin de vrouw zich bevindt, komt erop neer dat het gezamenlijk ouderlijk gezag niet meer uitvoerbaar is door het ontbreken van een actieve en betrokken ouderrol van de man. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een onaanvaardbaar risico op dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders en niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt. De rechtbank heeft in dit oordeel ook betrokken dat de man niet op de mondelinge behandeling is verschenen en aldus ook geen moeite heeft gedaan om zijn gezag te behouden. Gezien het voorgaande zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen.
Zorgregeling / Omgangsregeling
De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Nu de rechtbank aan de vrouw het eenhoofdig gezag toekent, wordt hieronder gesproken over een omgangsregeling.
De vrouw verzoekt de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige te wijzigen naar een door de vrouw nader te bepalen omgangsregeling.
Het is voor de vrouw nu te onduidelijk wanneer de man weer in beeld komt. Ook is onduidelijk of de man betrouwbaar kan zijn in het uitvoeren van de omgangsregeling. Desgevraagd lichtte de vrouw haar verzoek als volgt toe. De omgangsregeling die door de rechtbank is bepaald, ligt nu al zo’n negen maanden totaal stil. Zelfs de opgelegde dwangsom heeft geen positief effect gehad. Mocht de man in de toekomst opeens voor de deur staan bij de vrouw en de minderjarige willen meenemen voor de omgang, dan zou de vrouw dat voor de minderjarige onverantwoord vinden en al helemaal als het dan bij een keertje zo blijven. De insteek van de vrouw met haar verzoek is, dat zij, mocht de man weer contact wensen met de minderjarige, met de man kan bespreken wat voor hem haalbaar is en wat voor de minderjarige prettig zou zijn, en dat zij de omgangsregeling daarop zal afstemmen.
De raad heeft op de mondelinge behandeling bevestig dat het niet in het belang is van de minderjarige als de man na lange tijd de bestaande zorgregeling zou willen uitvoeren en dat dan niet frequent zou doen. De raad sluit zich aan bij het verzoek van de vrouw en de insteek die de vrouw daarmee heeft. De raad adviseert de vrouw om de man daarover te berichten en hem een opening te bieden om contact met haar op te nemen en samen een voor de man haalbare frequentie van contacten af te spreken die prettig zijn voor de minderjarige. Dat kunnen ook korte contactmoment zijn, bijvoorbeeld even een ijsje eten of even een paar uurtjes. Als er weer contacten komen is het belangrijk voor de minderjarige dat de man betrouwbaar is in het nakomen van de afspraken zodat de contacten op structurele basis plaatsvinden.
De rechtbank is gebleken dat de omgangsregeling al lange tijd niet wordt nageleefd. Zodoende is sprake van een wijziging van omstandigheden. De hiervoor omschreven zorg die de vrouw heeft over een mogelijke situatie waarbij de man de omgangsregeling komt opeisen, is een begrijpelijke zorg en de rechtbank vindt net als de raad dat als de man niet betrouwbaar is in het naleven van de omgangscontacten en niet kan zorgen voor een structurele basis in de naleving, dit niet in het belang is van de minderjarige. De rechtbank zal de omgangsregeling daarom beëindigen. Hiervoor in de plaats wordt geen concrete, andere omgangsregeling gesteld. Dit komt mede omdat de rechtbank niet met de man in gesprek heeft kunnen gaan over wat voor hem haalbaar is en welke omgangsregeling dan wèl nagekomen kan worden. De rechtbank weegt bij deze beslissing mee dat de vrouw op de mondelinge behandeling heeft doen blijken dat zij contacten tussen de man en de minderjarige nog altijd belangrijk vindt en ook interesse heeft getoond in het advies wat de raad haar heeft gegeven over het komen tot een omgangregeling die in het belang is van de minderjarige en door de man kan worden nageleefd. Nu de rechtbank niets concreets kan bepalen en rekening houdend met de intentie van de vrouw, komt de rechtbank tot toewijzing van het verzoek van de vrouw.
Tot slot richt de rechtbank zich nog tot de man. Als de man bericht ontvangt van de vrouw waarin zij een opening biedt voor het maken van nieuwe afspraken over de omgangscontacten en deze omgangscontacten komen ook daadwerkelijk tot stand, dan is het van groot belang dat de afspraken ook structureel worden nagekomen. Alleen op die manier is omgang in het belang van de minderjarige. De man dient bij het aangaan van nieuwe afspraken daarom goed in de gaten te houden of wat hij afspreekt voor hem ook haalbaar is.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , voortaan aan alleen aan de vrouw toekomt;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 6 december 2023 gegeven beslissing over de omgangsregeling in die zin dat die omgangsregeling wordt vervangen door een door de vrouw nader te bepalen omgangsregeling tussen de man en de minderjarige;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. Bakker, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.J. Vrolijk-Kronbichler, griffier, op 7 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.