RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12064219 CV EXPL 26-2214
datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woningmaatschap Schagen,
vestigingsplaats: Driebergen-Rijsenburg (gemeente Utrechtse Heuvelrug),
eiseres,
gemachtigde: mr. A.W. van Luipen,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] (gemeente [woonplaats] ),
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.B. Visser.
De partijen worden hierna ‘Schagen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 januari 2026, met bijlagen;
de aantekeningen van het mondelinge antwoord, met de daarbij overgelegde bijlagen;
de akte overlegging producties van [gedaagde] , met bijlagen;
de spreekaantekeningen van Schagen.
Op 23 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens Schagen aanwezig de heer [naam] (vastgoedbeheerder), bijgestaan door mr. Van Luipen. [gedaagde] was aanwezig, bijgestaan door mr. Visser.
2. De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
[gedaagde] huurt een woning in [woonplaats] van Schagen. Schagen meent dat [gedaagde] niet meer zijn hoofdverblijf heeft in die woning en die aan een ander (zijn zoon) ter beschikking heeft gesteld, en wil daarom dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en [gedaagde] veroordeelt om het gehuurde te ontruimen. Daarnaast eist Schagen betaling van € 8.259,16 aan contractuele boetes tot en met 31 december 2025, te vermeerderen met € 45,38 voor elke dag vanaf 1 januari 2026 dat [gedaagde] de woning aan een ander in gebruik heeft gegeven. Ook wil Schagen € 10.662,12 ontvangen als vergoeding voor misgelopen huurinkomsten tot en met 31 december 2025, plus € 285,06 per maand vanaf 1 januari 2026 omdat zij het gehuurde voor een hogere huurprijs aan iemand anders had kunnen verhuren. Tot slot wil Schagen dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om € 1.164,94 (of subsidiair € 1.450,-) per maand te betalen vanaf 1 januari 2026, wat neerkomt op een veroordeling tot het nakomen van de huurbetalingsverplichting dan wel (na ontbinding van de huurovereenkomst) de verplichting om een gebruiksvergoeding te betalen.
[gedaagde] is het niet met de eis eens. Hij stelt dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en dat er dus geen reden is om de huurovereenkomst te ontbinden.
De kantonrechter wijst de vordering van Schagen af, omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zijn verplichtingen niet behoorlijk is nagekomen. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
Tekortkoming is niet komen vast te staan
Schagen verwijt [gedaagde] dat hij de woning die hij huurt niet meer als zijn hoofdverblijf gebruikt. Dat zou volgens Schagen wel moeten op grond van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst, waarin staat dat [gedaagde] het gehuurde zelf moet gebruiken. Schagen heeft haar standpunt onderbouwd door te verwijzen naar het ontbreken van een inschrijving van [gedaagde] in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van het gehuurde. In plaats daarvan staat [gedaagde] op een adres in de gemeente Putten ingeschreven.
Schagen moet stellen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en zij moet die stelling voldoende onderbouwen (artikel 150 Rv). De kantonrechter oordeelt dat Schagen dat laatste niet heeft gedaan.
Schagen heeft aangevoerd dat [gedaagde] in het BRP in een andere gemeente is ingeschreven. Zij heeft verder vermeld dat een buurtonderzoek zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft Schagen aangevoerd dat de zoon van [gedaagde] de huur een tijdlang vanaf diens bankrekening heeft betaald. [gedaagde] heeft zijn betwisting onderbouwd met verklaringen van zijn ex-vrouw, zijn (inwonende) meerderjarige zoon en zijn dochter, waarin een verklaring wordt gegeven voor de inschrijving op het adres in [plaats] na de echtscheiding. Zij verklaren ook dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. Daarnaast heeft [gedaagde] stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij brieven van zijn zorgverzekering ontvangt op het adres in [woonplaats] , dat zijn abonnement voor de mobiele telefoon op het adres van het gehuurde geregistreerd staat en dat hij ingeschreven staat bij een huisarts en apotheek in [woonplaats] .
Het feit dat [gedaagde] is ingeschreven in het BRP op een ander adres dan het gehuurde kan weliswaar een aanwijzing zijn dat hij zijn hoofdverblijf niet heeft in het gehuurde, maar niet meer dan dat. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] een plausibele verklaring gegeven voor die inschrijving en heeft hij overigens ook aangeboden de BRP-inschrijving te wijzigen, als Schagen daar prijs op zou stellen. Het buurtonderzoek waarnaar Schagen verwijst legt weinig gewicht in de schaal: Schagen heeft hiervan geen stukken overgelegd, niet vermeld welke omwonenden zijn bevraagd en ook geen details vermeld over wat zij hebben verklaard. Uit het feit dat de zoon van [gedaagde] (die volgens [gedaagde] de woning samen met hem bewoont) een tijd lang de huur heeft betaald, kan ook niet automatisch worden afgeleid dat [gedaagde] de woning niet als hoofdverblijf gebruikt. [gedaagde] heeft zijn betwisting uitgebreid met stukken onderbouwd, waarbij de kantonrechter vooral veel waarde hecht aan het feit dat [gedaagde] ingeschreven staat bij een huisarts en apotheek in [woonplaats] . Dit alles maakt dat de balans in het voordeel van [gedaagde] doorslaat.
De vorderingen worden afgewezen
Omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, is er geen reden om de huurovereenkomst te ontbinden of [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Ook is er geen grondslag voor de door Schagen gevorderde contractuele boete en misgelopen huurinkomsten. Of het boetebeding in de huurovereenkomst oneerlijk is hoeft daarom niet te worden beoordeeld. De kantonrechter ziet geen aanleiding om [gedaagde] te veroordelen de toekomstige huurprijs aan Schagen te betalen, nu niet is gebleken dat [gedaagde] niet aan die verplichting zal voldoen. Alle vorderingen van Schagen worden daarom afgewezen.
Schagen moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van Schagen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Schagen aan [gedaagde] moet betalen op € 360,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 504,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen van Schagen af;
veroordeelt Schagen in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 504,-.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909