Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-130658-23
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Datum zitting: 30 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ([geboorteland])
niet ingeschreven in de basisregistratie personen.
Advocaat van de verdachte: mr. M.E. Broekert
Officier van justitie: mr. R.P.L. van Loon
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uren.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 24 mei 2023 te Zwijndrecht en/of Dordrecht tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/model BLOW/TR 914, kaliber 7.65mm en/of- (daarbij behorende) kogelpatro(o)n(en), kaliber 7.65mm voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het ten laste gelegde feit.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
4. Proces-verbaal van de politie
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 24 mei 2023 te Dordrecht,- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/model BLOW/TR 914, kaliber 7.65mm en- daarbij behorende kogelpatronen, kaliber 7.65mm voorhanden heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die hoger is dan het voorarrest en voor verdere strafoplegging te kiezen voor een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke straf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft in een auto een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie kan gemakkelijk leiden tot het gebruik daarvan met alle gevolgen van dien en vormt daarom een onaanvaardbaar risico in de maatschappij. Dat verandert niet met het motief dat de verdachte hiervoor heeft aangedragen, namelijk om zichzelf of zijn gezin bij een aanval te kunnen beschermen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Omdat deze veroordeling echter, mede gelet op de kwalificatie en de opgelegde straf, van geheel andere aard is, leidt dit niet tot een hogere straf.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 25 mei 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en elf maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van de afdelingen strafrecht van de rechtbanken en gerechtshoven (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank echter volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf.
Alles afwegend wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf van 240 uur opgelegd, met aftrek van het voorarrest.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
6. Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 228 (tweehonderdachtentwintig) uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 114 (honderdveertien) dagen.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.
Mr. Van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.